V I J F D E   V E R G A D E R I N G

 

 

 

op donderdag  22 mei 2003 om 20.00 uur in het stadhuis.

 

 

Overzicht van de verhandelde punten.

 

 

                                                                                                                            Stuknr.  Pagnr.

 

 

 89. Opening en mededelingen                                                                                                 2

 90. Notulen                                                                                                                            2

 91. Van anderen ingekomen stukken                                                                                       4

 92. Tevens ter inzage gelegde stukken                                                                                    4

 93. Instelling van een commissie geloofsbrieven ten behoeve van het

       onderzoek van de geloofsbrieven met bijbehorende stukken van

       het nieuw te benoemen raadslid in de vacature van mevrouw

       M.E.H. Koop                                                                                                        90           5

 94. Voorstel tot vaststelling van een voorbereidingsbesluit:

       a. Bieslandhof                                                                                                      76           5

       b. bustracé Reinier de Graafweg                                                                             79           5

 95. Voorstel inzake technisch beheer openbare verlichting (OV)                                      73           5

 96. Voorstel tot instemming met de beleidsnota BTW-Compensatie-

        fonds deel II                                                                                                        74           5

 97.  Voorstel tot het beschikbaar stellen van een krediet ad € 395.000,--

        t.b.v. start lesplaats vso-zmok in Delft                                                                   67           5

 98.  Voorstel tot vaststelling van de wijziging van de Subsidieverordening

        ateliers beeldend kunstenaars                                                                              72           5

 99.  Voorstel tot vaststelling van de wijziging Verordening openbaar

        gemeentewater Delft 1996                                                                                    71           6

100. Voorstel inzake keuze voorkeursvariant Spoorzone “Kort versus Lang”                      81         18

101. Voorstel tot instemming met de uitvoeringsregeling stimulerings-

        subsidie straatfeesten en –festijnen                                                                       68         19

102. Voorstel inzake de heropzet van het programma integraal Jeugd- en

        Jongerenbeleid                                                                                                    88         20

103. Voorstel tot vaststelling van de gedragscode voor het college van

        burgemeester en wethouders                                                                                64         26

104. Voorstel tot vaststelling van de gedragscode gemeenteraad                                      61         26

105. Voorstel tot vaststelling van de wijziging in de Algemene subsidie-

        verordening gemeente Delft 2002                                                                           75         41

106. Afscheid mevrouw Koop                                                                                                    41

107. Sluiting                                                                                                                            47

 

 

 

Voorzitter: de heer mr. H.M.C.M. van Oorschot, burgemeester.

 

Aanwezig zijn: de heren Aközbek, mevrouw Bolten, de heren Bot, Van den Doel, Van Doeveren, Eduard, Engels, Fruyt van Hertog, Gabeler, mevrouw Geursen, mevrouw Van der Hoek, mevrouw Jähnichen, mevrouw M.D.Th.M. de Jong, de heren J.Ph. de Jong, Kiela, mevrouw Koning, mevrouw Koop, de heer Van Leeuwen, mevrouw Lourens, mevrouw Manggaprow, de heren A. Meuleman, D.A. Meuleman, Schoenmakers, Stoelinga, mevrouw Stolker, de heren Tas, Van Tongeren, mevrouw Vlekke, de heren Vondeling, Vuijk, mevrouw Welle Donker, de heer De Wit en mevrouw Zweekhorst.

 

Raadsgriffier: de heer R. de Groot

 

89. De VOORZITTER: Ik open de vergadering. Eventuele hoofdelijke stemmingen beginnen vanavond bij nr. 12, mevrouw Koop. Er zijn berichten van verhindering ontvangen van de heren De Koning en De Prez.

 

Mevrouw VLEKKE (PvdA): Voorzitter. De heer Blinker wil zich bij dezen laten afmelden.

 

De heer BOT (GroenLinks): Voorzitter. De heer Tas zal iets later arriveren.

 

De VOORZITTER: Dit is de laatste vergadering van mevrouw Koop. Daaraan zullen wij aan het eind van de vergadering aandacht besteden.

 

Hedenavond zijn uitgereikt een eerste aanvullende lijst van ingekomen stukken, een gewijzigde pagina 2 van stuk 88 (heropzet van het programma integraal jeugd- en jongerenbeleid), een nieuw stuk 64 III (behorend bij de aangepaste gedragscode voor het college van B&W aan de hand van de gewijzigde gedragscode voor de gemeenteraad), een memo tijdelijke uitbreiding jongeren- en tienerwerk, toegezegd in de vergadering van de commissie Leefbaarheid/WZO van 15 mei 2003, een ligplaatsenkaart, behorend bij stuk 71 (wijziging Verordening openbaar gemeentewater Delft 1996) en een vertrouwelijke mededeling over de Verordening openbaar gemeentewater. Nu wordt nog uitgedeeld een aangepaste notitie beslispunten van de stuurgroep Spoor. Bij de commissiebehandeling beschikte u al over een beslispuntenlijstje, maar inmiddels heeft het werk van de stuurgroep tot enkele aanpassingen geleid. Dat leidt overigens niet tot wijziging van het voorstel van het college aan de raad.

 

Ik benoem tot leden van het stembureau de heer Bot (voorzitter) en de heren D.A. Meuleman, Gabeler en Kiela.

 

90. Handelingen van de besloten gemeenteraadsvergadering van 27 februari 2003.

 

Op bladzijde 13 wordt “De heer DE WIT (PvdA)” vervangen door ”De heer DE WIT (FRIS)”.

 

Met deze wijziging worden de Handelingen vastgesteld.

 

De heer MEULEMAN (Stadsbelangen): Voorzitter. Is het toegestaan om een opmerking naar aanleiding van de Handelingen te maken?

 

De VOORZITTER: Wij stellen de Handelingen hier eigenlijk alleen maar vast. Het lijkt mij dus dat u die opmerking in de commissie moet maken, want anders beginnen wij een debat over onderwerpen die wij al behandeld hebben. Ik voer liever niet een bespreking “naar aanleiding van” in, want dan kan het nog leuk worden.

 

De heer MEULEMAN (Stadsbelangen): Het gaat mij niet om het voeren van een debat, maar om een tegenstelling die wij in de Handelingen hebben aangetroffen. De wethouder spreekt zichzelf in de Handelingen tegen over Combiwerk; daar wil ik duidelijkheid over hebben.

 

De VOORZITTER: Leidt dat tot een aanpassing van het besluit? Zo niet, dan zou ik hem daarover maar een vraag stellen in de rondvraag van de commissie.

 

De heer MEULEMAN (Stadsbelangen): Wij behandelen de Handelingen toch hier, in de raad?

 

De VOORZITTER: Nee, wij stellen hier de Handelingen vast; wij behandelen de Handelingen hier niet. Als de Handelingen correct zijn, zijn zij correct. Als u daarover bij nader inzien een nieuw debat wil, moet u dat debat maar starten via de rondvraag van de commissie. Volgens mij zou uw route ons in de problemen brengen, tenzij u er zeker van bent dat de wethouder iets over het hoofd heeft gezien en daarom nu de tekst van de Handelingen zou wensen te wijzigen.

 

De heer MEULEMAN (Stadsbelangen): Het gaat ons erom dat de wethouder duidelijk aangeeft wat hij bedoelt.

 

De VOORZITTER: Voor deze keer dan, want anders kost dit debat misschien meer tijd dan het beantwoorden van uw vraag.

 

De heer MEULEMAN (Stadsbelangen): Op bladzijde 29 deelt wethouder Rensen de raad met betrekking tot Combiwerk mee dat de voorliggende stukken beschouwd kunnen worden als de meest recente kwartaalrapportage. Op bladzijde 33 stelt mijn collega De Koning dat wij het er niet mee eens zijn dat het voorliggende stuk beschouwd kan worden als een kwartaalrapportage. De wethouder zegt dan dat hij dat niet heeft gezegd – terwijl dat wel in de Handelingen genoteerd staat – en dat de raad het voorstel kan beschouwen als een voorstel voor een nieuwe koers. Wij willen nu graag weten of het een voorstel voor een nieuwe koers was of een kwartaalrapportage.

 

Wethouder RENSEN: Ik heb beide bedoeld. Het is in ieder geval een nota over de nieuwe koers en wij hadden in de commissie WZO met elkaar afgesproken dat wij per kwartaal zouden rapporteren over de stand van zaken bij Combiwerk. In de nota inzake de nieuwe koers, met de achterliggende stukken, zat alle informatie die wij de komende tijd kwartaalsgewijs aan de commissie WZO zullen aanbieden ter informatie over de stand van zaken bij Combiwerk. In die zin was de nota als zodanig ook de eerste kwartaalrapportage. Ik heb dus beide gezegd.

 

De VOORZITTER: Dit leidt dus niet tot een wijziging van de Handelingen.

 

Vaststelling van de wijze van afdoening van ingekomen stukken.

 

91. Ingekomen van anderen:

 

46.       Bezwaren van Belangenvereniging Van Leeuwenhoek inzake het niet behouden van de woningen langs de Van Leeuwenhoeksingel.

 

Voorstel:           Het stuk voor advies in handen stellen van de commissie beroep- en bezwaarschriften, Kamer I.

 

47.       Bezwaar van de heer B. Kolen tegen het voorbereidingsbesluit bestemmingsplan noordelijk TU gebied.

 

Voorstel:           Het stuk voor advies in handen stellen van de commissie beroep- en bezwaarschriften, Kamer I.

 

48.       Zienswijze van belangenvereniging Zuidpoort Delft inzake aanvraag kapvergunning bomen Zuiderstraat.

 

Voorstel:           Het stuk in handen stellen van burgemeester en wethouders ter afdoening, met kennisgeving aan de commissie duurzaamheid.

 

49.       Ontslagbrief van mevrouw M.E.H. Koop, raadslid van de fractie CDA.

 

Voorstel:           Het stuk voor kennisgeving aannemen.

 

50.       Brief van de Gemeentelijke Ombudscommissie inzake klacht van de heer J.P. de Wit.

 

Voorstel:           Het stuk in handen stellen van de griffier ter voorbereiding van een afhandelingsvoorstel.

 

51.       Verzoek van milieudefensie om een motie aan te nemen waarin de gemeente haar zorgen kenbaar maakt aan de staatssecretaris van EZ inzake GATS.

 

Voorstel:           Het stuk in handen stellen van burgemeester en wethouders ter afdoening, met kennisgeving aan de commissie duurzaamheid.

 

92. Tevens zijn in een aparte portefeuille ter inzage gelegd:

 

a.         Korpskrant Politie Haaglanden. April 2003, nummer 09.

 

b.         SZW-Gids, webwijzer voor gemeenteloket szw.nl. April 2003, nummer 4.

 

c.         Midden-Delflandkrant. Nr. 109, 27e jaargang. Nr. 1, april 2003.

 

d.         Regionieuws. Tiende jaargang, nr. 7, 25 april 2003.

 

e.         Journaal voor de gemeente van de Vereniging van Zuid-Hollandse Gemeenten.

 

f.          Duaal debatteren, april 2003 – 01.

 

g.         Korpskrant Politie Haaglanden. Mei 2003, nummer 10.

 

h.         Bijeenkomst “Ost West Thuis Best # 3 west” van Architectuur Lokaal op donderdag 12 juni 2003 in het raadhuis van de gemeente Haarlemmermeer met als thema vormgeving en infrastructuur.

 

Overeenkomstig de voorstellen van burgemeester en wethouders wordt besloten.

 

93. Instelling van een commissie geloofsbrieven ten behoeve van het onderzoek van de geloofsbrieven met bijbehorende stukken van het nieuw te benoemen raadslid in de vacature van mevrouw M.E.H. Koop.

(Stuk 90)

 

De vergadering wordt van 20.10 uur tot 20.15 uur geschorst.

 

Uitgereikt zijn 32 stembiljetten die alle correct zijn ingevuld en ingeleverd. Tot leden van de commissie geloofsbrieven zijn benoemd: de heer De Prez, mevrouw Van der Hoek en de heer Vondeling, allen met 32 stemmen.

 

94. Voorstel tot vaststelling van een voorbereidingsbesluit:

 

a. Bieslandhof

(Stuk 76 – 034/012318)

 

b. bustracé Reinier de Graafweg.

(Stuk 79 – 03/012949)

Wethouder Grashoff wordt uitgenodigd bij de behandeling van dit punt aanwezig te zijn.

 

95. Voorstel inzake technisch beheer openbare verlichting (OV).

(Stuk 73 – 03/007416)

Wethouder Grashoff wordt uitgenodigd bij de behandeling van dit punt aanwezig te zijn.

 

96. Voorstel tot instemming met de beleidsnota BTW-Compensatiefonds deel II.

(Stuk 74 – 03/012988)

Wethouder Oosten wordt uitgenodigd bij de behandeling van dit punt aanwezig te zijn.

 

97. Voorstel tot het beschikbaar stellen van een krediet ad € 395.000,-- t.b.v. start lesplaats vso-zmok in Delft.

(Stuk 67 – 03/011462)

Wethouder Rensen wordt uitgenodigd bij de behandeling van dit punt aanwezig te zijn.

 

98. Voorstel tot vaststelling van de wijziging van de Subsidieverordening ateliers beeldend kunstenaars.

(Stuk 72 – 03/010939)

Wethouder Oosten wordt uitgenodigd bij de behandeling van dit punt aanwezig te zijn.

 

Deze voorstellen worden achtereenvolgens zonder beraadslaging en zonder hoofdelijke stemming aangenomen.

 

De heer GABELER (Leefbaar Delft): Voorzitter. Mag ik een ordevoorstel doen? Ik wil graag dat de voorstellen inzake de gedragscode voor het college van B&W en de gedragscode voor de gemeenteraad van de agenda worden gehaald, omdat wij vinden dat zij nog niet rijp zijn om hier behandeld te worden.

 

De VOORZITTER: Wat het college betreft, zijn die voorstellen wel rijp voor behandeling. Wij hebben die stukken uitgebreid commissoriaal behandeld. Ik zie dus geen aanleiding om uw voorstel over te nemen, maar ik kijk even of andere raadsleden hierover het woord wensen te voeren. Ik constateer dat dat niet het geval is.

 

In stemming komt het ordevoorstel van de heer Gabeler om de gedragscodes voor het college van B&W en voor de gemeenteraad van de agenda af te voeren.

 

Het ordevoorstel wordt bij handopsteken verworpen.

 

De VOORZITTER: Ik constateer dat de fractie van Leefbaar Delft voor het ordevoorstel heeft gestemd.

 

De heer GABELER (Leefbaar Delft): Voorzitter. Kunnen wij een verzoek indienen bij u?

 

De VOORZITTER: Waarover?

 

De heer GABELER (Leefbaar Delft): Of wij bij de behandeling van de gedragscode voor het college van B&W als eerste fractie aan het woord mogen komen.

 

De VOORZITTER: Ik begin vanavond bij de STIP-fractie; dat doe ik wisselend.

 

De heer GABELER (Leefbaar Delft): Mogen wij dan na de behandeling van het daaraan voorafgaande agendapunt een verklaring afleggen?

 

De VOORZITTER: Als u straks aangeeft dat u over die onderwerpen het woord wilt voeren, krijgt u …

 

De heer GABELER (Leefbaar Delft): Dit is een heel vriendelijk verzoek of wij het woord mogen krijgen voordat de gedragscode voor het college van B&W behandeld gaat worden.

 

De VOORZITTER: Dat snap ik, maar ik begin vanavond bij de STIP-fractie te inventariseren.

 

99. Voorstel tot vaststelling van de wijziging Verordening openbaar gemeentewater Delft 1996.

(Stuk 71 – 03/011421)

Wethouder Grashoff wordt uitgenodigd bij de behandeling van dit agendapunt aanwezig te zijn.

 

De heer VONDELING (STIP): Voorzitter. Wij zien geen reden om iets te veranderen aan het collegevoorstel. Wij zullen dus voor stemmen. De ten opzichte van de huidige verordening aangepaste maximale hoogte, lengte en breedte achten wij zeer redelijk. Zij liggen in de lijn van de noodzakelijke gemaakte afspraken. De hoogte van 3.60 meter past bij de functie en uitstraling van de woonboten. De mogelijkheid voor een plaatselijke verhoging over een lengte van vijf meter vergroot de visuele diversiteit en past prima bij de uitstraling van de woonboten in de Zuidergracht. Net als velen hier wil de STIP-fractie de treurwilg bij de Oostpoort behouden. Dit kost ruimte. Wij zien twee mogelijkheden om die ruimte te creëren; het verkleinen van de tussenruimte tussen de woonboten is daarvan de slechtste. Als wij de wethouder mogen geloven – dat doen wij – ontraadt de brandweer, de meest bekwame instantie op het gebied van de brandveiligheid, dit ten zeerste, tenzij er brandwerend materiaal tussen de boten wordt aangebracht.

 

Mijn fractie zit niet te wachten op deze anti-vuurmuren, want zij zouden de authentieke uitstraling van de Zuidergracht tot op de bodem afbreken. De conclusie is dan ook dat wij een poging van de gemeente Delft om een woonboot op te kopen, als beste keuze zien. Wij gaan ervan uit dat de wethouder daarbij zijn uiterste best zal doen om dit tegen een zo laag mogelijke prijs te doen. Wij vragen de wethouder verder om ons tijdig, indien nodig opnieuw in vertrouwelijkheid, over dit proces en de kosten te informeren.

 

De heer MEULEMAN (Stadsbelangen): Voorzitter. Het voorstel is, wat onze fractie betreft, puur een Verordening openbaar gemeentewater en niets anders. De verordening gaat ook niet over de treurwilg in de Zuidergracht, maar over het openbaar gemeentewater in heel Delft. De twee meter tussenruimte blijkt geen nieuwe regel te zijn, maar een bestaande regel die in het verleden kennelijk onvoldoende is gehandhaafd. Bij de noodzakelijke aanpassing van deze verordening adviseert de brandweer wederom dat twee meter tussenruimte noodzakelijk is. Onze fractie sluit zich hierbij aan. Wij zijn het met de wethouder eens dat een dergelijk advies niet genegeerd moet worden. Wij hebben in Nederland in de afgelopen jaren al genoeg voorbeelden gehad van rampen waarbij nalatigheid van overheden in het geding was. Dat zouden wij niet op onze hals moeten halen. Wij gaan er wel van uit dat deze regel nu ook wordt gehandhaafd.

 

Wij zien nog onvoldoende in waarom het bezwaarlijk is om de hoogte van de woonboten te verhogen naar 3.80 meter. Wij hebben daar niet de juiste argumentatie voor gehoord. Het voorstel staat een verhoging toe van 3.40 meter naar 3.60 meter. Wij hebben van bewoners begrepen dat zij graag naar 3.80 meter willen. Waarom zou dat niet kunnen?

 

Het is treurig dat wij al uren gesproken hebben over een treurwilg, maar ook onze fractie ontkomt er niet aan om daar vanavond iets over te zeggen. Wij hadden oorspronkelijk het idee geopperd om de treurwilg te verplaatsen naar deze raadszaal, want dan staat die in ieder geval nog bij een schip, zij het dat dit volgens de VVD-fractie een zinkend schip is.

 

Als deze verordening wordt aangenomen, betekent dat het kappen van de treurwilg. Wij hebben de wethouder in de commissie gevraagd welke kosten het behoud van deze treurwilg met zich meebrengt en wat de levensverwachting van deze boom is. Dat zijn twee belangrijke elementen om te kunnen beoordelen of het zinvol is om een extra woonboot op te kopen. Onze fractie heeft er grote moeite mee dat een woonboot voor de sloop opgekocht wordt. Wij kunnen het niet helemaal steunen dat gemeenschapsgeld wordt uitgegeven voor de prullenbak. Misschien lijkt het bedrag op “peanuts”, maar wij moeten gewoon zuinig met ons geld omgaan. Als de treurwilg behouden kan blijven, vinden wij dat mooi, maar wij stellen de wethouder wel voor om met een voorstelletje naar de commissie te komen, zodat wij daar een oordeel over kunnen geven.

 

Mevrouw GEURSEN (VVD): Voorzitter. Onze fractie is tevreden met de voorliggende wijziging van de verordening en was in de commissie ook al tevreden met de daarin geregelde afmetingen van de woonboten. Op de ligplaatsenkaart is nu ook de ligplaats van de woonboten ter hoogte van de treurwilg naast de Oostpoort geschrapt. Op deze wijze blijft de veelbesproken treurwilg behouden. Wat ons betreft, is belangrijker dat het zicht op de historische Oostpoort bij het binnenrijden van Delft niet belemmerd zal worden door een grote woonboot. Ook daar zijn wij dus blij mee. De consequentie hiervan is dat in de Zuidergracht slechts plaats overblijft voor dertien boten. De VVD-fractie is, net als de fracties van STIP en Stadsbelangen, geen voorstander van het schenden van brandweervoorschriften.

 

Mevrouw VLEKKE (PvdA): Waar heeft de brandweer voorschriften opgelegd?

 

Mevrouw GEURSEN (VVD): Deze voorschriften zijn aan mij bekend gemaakt door de wethouder.

 

Mevrouw VLEKKE (PvdA): Dat zijn geen voorschriften; dat is een advies.

 

Mevrouw GEURSEN (VVD): Dan nog. De wethouder kan daar straks misschien meer over vertellen. Ik ben geen expert op dat gebied.

 

Voor een veertiende boot is dan in ieder geval geen ruimte. De conclusie is dat wij instemmen met het gewijzigde voorstel. Wel vragen wij de wethouder om te kijken naar een alternatieve locatie voor de veertiende woonboot. Een boot is naar zijn aard immers verplaatsbaar. Als daar echt geen mogelijkheden voor blijken te zijn, vinden wij het opkopen van de boot de beste oplossing om de Zuidpoort-ontwikkelingen alle ruimte te geven.

 

Mevrouw DE JONG (CDA): Voorzitter. De verordening levert na de door de wethouder aan ons voorgestelde wijzigingen nog slechts twee opmerkingen op, want verder gaan wij ermee akkoord. De eerste opmerking betreft de wens om de hoogte van de woonboten 3.80 meter te laten zijn, zoals wij ook al in de commissie hebben gevraagd; ook de heer Meuleman heeft dat al gevraagd. Wij zijn van plan om hier in tweede termijn zo nodig een motie over in te dienen. Bovendien vindt de CDA-fractie dat Delft officiële aanlegplaatsen zou moeten kunnen bieden aan bootpassanten in plaats van de huidige gedoogsituatie, want watertoerisme kan naast het gewone toerisme voor Delft een speerpunt zijn. Voor zover wij tussen beide vergaderingen in hebben kunnen nagaan, lijkt de provincie Zuid-Holland bereid om in Delft in de Kolk officiële voorzieningen voor recreanten te accepteren, mits daartoe een officieel verzoek door de gemeente Delft wordt ingediend. De vraag is dus of de wethouder bereid is om een dergelijk verzoek bij de provincie in te dienen.

 

De heer DE WIT (FRIS): Voorzitter. Wij gaan natuurlijk niet eindeloos herhalen wat wij in de commissie gezegd hebben. In de commissievergadering hebben wij gezegd dat wij tegen het voorstel waren, omdat wij vonden dat wethouder Grashoff zijn huiswerk goed moest doen: eerst moest duidelijk zijn waar alle boten terechtkwamen en wat er nou eigenlijk in dat hele gebied gaat gebeuren. Wij hebben wel een notitie ontvangen van de wethouder, maar ook daar worden wij eigenlijk niets wijzer van. Er is dus niets veranderd in de oplossing van het plaatsen van alle boten aan de Zuidergracht. Ik snap niet dat wij vanavond deze verordening moeten aannemen, want zij is absoluut geen oplossing voor het probleem. Wij blijven dus bij ons standpunt: wij zijn tegen het aannemen van deze verordening.

 

Mevrouw VLEKKE (PvdA): Voorzitter. In de commissie hebben wij een aantal aspecten van de voorliggende verordening besproken. Wij hebben daarbij met name aangehaakt op de afstand tussen de boten. De wethouder vertelde ons dat de boten in de praktijk op ongeveer één meter afstand van elkaar liggen. Op advies van de brandweer zou dat twee meter moeten zijn. De inspreker refereerde er in de commissievergadering aan dat de brandweer ook heeft gesproken van vijf meter. De wethouder zei toen tegen de commissie: “Als jullie twee meter niet handhaven en als er dan iets gebeurt, is dat jullie verantwoordelijkheid”. Dat is erg bij mij blijven hangen, temeer omdat ik ook dat verhaal van die vijf meter heb gehoord. Ik heb bij een aantal andere brandweerkorpsen nagevraagd hoe zij hierover denken. De meeste korpsen geven inderdaad het advies van twee meter, maar als je echt veilig wilt zitten, moet je op vijf meter gaan zitten, want likkende vlammen overbruggen ook twee meter.

 

Als de wethouder zegt dat het de schuld van de gemeenteraad is als er iets gebeurt nadat de gemeenteraad de afstand van twee meter niet heeft gehandhaafd, denk ik dus: als wij het als raad daadwerkelijk veilig willen laten zijn voor de woonbotenbewoners, moet je de boten op vijf meter leggen zodat de situatie daadwerkelijk brandveilig is óf moet je kiezen voor het tussenvoegen van brandwerend materiaal. Zoveel water hebben wij immers niet, zeker niet aan de Zuidergracht. Met die optie is het zelfs mogelijk om de boten tegen elkaar aan te leggen en toch 60 minuten de tijd te hebben om te ontvluchten. Dit mag erg technisch en gedetailleerd klinken, maar wij moeten wel een keuze maken. De gemeenteraad is immers inderdaad verantwoordelijk. Deze notitie biedt die keuze niet, want wij hebben geen zicht op die mogelijkheden.

 

De heer DE WIT (FRIS): U hebt het over brandwerendheid alsof u op dat gebied een deskundige bent, maar ik heb vandaag in de krant gelezen dat er een mogelijkheid is van sprinklerinstallaties die in werking treden wanneer er brand uitbreekt. Ook die installaties zouden daar dus misschien aangebracht kunnen worden. Je kunt natuurlijk veel meer oplossingen verzinnen voor een probleem. Een afstand van vijf meter is niet de enige oplossing.

 

Mevrouw VLEKKE (PvdA): Precies. Mijn stelling is dus dat er meer oplossingen denkbaar zijn om dit aantal boten te behouden zonder dat je direct een boot moet opkopen. Om in de termen van de fractie van Stadsbelangen te spreken: wij moeten zuinig zijn met onze algemene middelen. Wij willen graag dat die boom blijft bestaan en tegelijkertijd willen wij zuinig zijn op onze middelen. Er zijn wat ons betreft dus meer opties. Daarom vraag ik de wethouder juist op dit punt om een reactie.

 

Mevrouw LOURENS (D66): Voorzitter. De fractie van D66 gaat op het punt van de afmetingen van de boten akkoord met de verordening. Ik heb in de commissievergadering ook al iets gezegd over de treurwilg; eigenlijk gaat het, wat ons betreft, om de Oostpoort, want die verdient het om de ruimte te hebben. Wij willen zuinig zijn op die Oostpoort. Het dicht bij de Oostpoort plaatsen van woonboten zou afbreuk doen aan de schoonheid van deze entree van de binnenstad. De consequentie van dit standpunt is dat het aantal ligplaatsen niet veertien kan zijn, maar terug moet naar dertien. Afwijken van het brandweeradvies is voor ons geen reëel alternatief met het oog op de veiligheid van de woonbootbewoners. De D66-fractie gaat dan ook akkoord met het inzetten van een traject voor het aankopen van een woonboot of voor het verplaatsen van een boot. Als dit laatste alternatief op niet al te lange termijn uitvoerbaar is, zou dat een reële optie zijn. Dat moet dus niet op de lange termijn geschoven worden, want de woonbootbewoners hebben recht op daadwerkelijke uitvoering van het plan; wij moeten hier dus niet over blijven praten, want dit is voor alle woonbootbewoners een onzekere positie.

 

Mevrouw BOLTEN (GroenLinks): Voorzitter. De fractie van GroenLinks is gelukkig en feliciteert de mensen die een handtekening opgehaald hebben voor het behoud van de treurwilg; deze lijkt behouden te worden. In de richting van de heer Meuleman geef ik aan dat mijn fractie meent dat zelfs als de treurwilg niet lang levensvatbaar is, op die plaats een boom moet blijven staan. Dat punt is een markering van een belangrijke toegangsweg naar het Zuidpoortgebied. Als wij eindeloos vergaderen over markante punten in het Zuidpoortgebied en daaraan een prijskaartje willen hangen, dan moeten wij ook bereid zijn om dat te doen met betrekking tot de toegangswegen. De Oostpoort en de omgeving behoren daarbij.

 

Wij zijn dus blij met het resultaat dat bereikt is door de Delftse bevolking in de afgelopen weken. Wij stemmen in met de verordening, inclusief het advies van de brandweer. Wij willen dat niet ondermijnen omdat wij bang zijn dat wij bij eventuele gebeurtenissen een verantwoordelijkheid moeten dragen die wij niet kunnen dragen. Bovendien is de brandweer er toch om advies uit te brengen.

 

De heer STOELINGA (Leefbaar Delft): Hoe lang is het u bekend dat daar een treurwilg staat en hoe lang is het u bekend dat daar een woonboot weg moet?

 

Mevrouw BOLTEN (GroenLinks): Ik weet al sinds ik kan lopen dat daar een treurwilg staat. Dat de woonboot voor de treurwilg weg moet, weet ik sinds enkele maanden.

 

De heer STOELINGA (Leefbaar Delft): Dat is triest want vijf jaar geleden heb ik met mijn vriend een woonboot daar verkocht. Ik kreeg een helaas geheim stuk en ik weet niet of ik daaruit mag voorlezen…

 

De VOORZITTER: Nee, dat mag nooit bij geheime stukken.

 

Mevrouw BOLTEN (GroenLinks): Waarschijnlijk was het voor mij toen ook geheim.

 

De heer STOELINGA (Leefbaar Delft): Voor een aanzienlijk minder hoog bedrag had toentertijd de voorzitter…

 

De VOORZITTER: Wilt u een termijn, want dit is geen interruptie meer? Wilt u gewoon het woord?

 

De heer STOELINGA (Leefbaar Delft): Ja, graag.

 

De VOORZITTER: Dan krijgt u het woord. Ik zet u op het lijstje.

 

De heer STOELINGA (Leefbaar Delft): Mag ik dan doorgaan?

 

De VOORZITTER: Jazeker.

 

De heer STOELINGA (Leefbaar Delft): Na een jaar leer ik het nog niet zo snel. Mijn vraag is: was vijf jaar geleden nog niet bekend dat er een woonboot weg moest, toen een aanvang werd gemaakt met het halen van de woonboten uit de Zuidergracht? Ik weet helaas niet wie de toenmalige wethouder was, maar was toen nog niet bekend dat die woonboten daar weg konden voor een heel schappelijke prijs? Wij hebben daar namelijk een woonboot weggedaan. Dat scheelt aanmerkelijk met hetgeen ik nu per ongeluk in de geheime stukken heb gezien. Wij moeten natuurlijk beleid maken en wij hebben ook wel eens gezegd: wie dan zorgt, wie dan leeft.

 

Mevrouw VLEKKE (PvdA): Gaat het u nu om het verschil tussen hetgeen u heeft gekregen en hetgeen deze mensen krijgen?

 

De heer STOELINGA (Leefbaar Delft): Nee, ik was heel tevreden, maar het had de gemeente zomaar 100.000 euro kunnen schelen als de boten toen waren gekocht.

 

Mevrouw BOLTEN (GroenLinks): U reageert op mijn betoog toch?

 

De VOORZITTER: Inmiddels is de heer Stoelinga gewoon aan een termijn begonnen. U mag hem interrumperen maar hij reageert niet meer op uw betoog.

 

Mevrouw BOLTEN (GroenLinks): Mijn betoog was voor hem reden om aan zijn termijn te beginnen. Hij reageert alsof ik meen dat er een extra boot weg moet en daaraan een speciaal hoge prijs verbonden is. De fractie van GroenLinks meent echter dat de boom moet blijven staan. Vijf jaar geleden, als het zo lang geleden was, overzagen wij niet, dat wil ik best toegeven, dat de boom als belangrijk markant punt moest verdwijnen.

 

De heer STOELINGA (Leefbaar Delft): Daarom zijn wij zo bang voor een een-tweetje, want wij doen ook aan voetballen. Als er een voetbalspel gespeeld moet worden, willen wij daaraan meedoen. Als u het voorstel in uw achterhoofd houdt, kunnen wij een voetbalspel regelen voor die boom en de boot.

 

Mevrouw BOLTEN (GroenLinks): Wat bedoelt u met “een-tweetje” want ik volg u niet meer.

 

De heer BOT (GroenLinks): Ik snap hier niets meer van.

 

De VOORZITTER: De heer Stoelinga is in ieder geval klaar met zijn betoog?

 

De heer STOELINGA (Leefbaar Delft): Ik ben klaar.

 

Mevrouw VLEKKE (PvdA): Ik wil toch nog een vraag stellen aan de heer Stoelinga. Wat is het standpunt van Leefbaar Delft?

 

De heer STOELINGA (Leefbaar Delft): Dat hoort u zo!

 

De VOORZITTER: De heer Stoelinga heeft één vraag gesteld aan de wethouder, namelijk: had het college die boten niet eerder kunnen kopen want ze zijn goedkoper geweest in het verleden.

 

De heer STOELINGA (Leefbaar Delft): Dank u wel.

 

De VOORZITTER: Graag gedaan.

 

De heer DE WIT (FRIS): Ik wil graag een ordevoorstel doen. Wij hebben vanavond onaangekondigd een geheim stuk gekregen. Ik stel de raad voor om dat stuk openbaar te verklaren.

 

De VOORZITTER: Wil het college zijn opvatting over dat ordevoorstel geven?

 

Wethouder GRASHOFF: Voorzitter. Het lijkt mij erg onverstandig. Het gaat om getallen die onze onderhandelingspositie in de richting van eventuele verkopende partijen beïnvloeden. Het lijkt mij dan ook zeer onverstandig.

 

De VOORZITTER: Ik constateer dat er geen anderen zijn die het ordevoorstel van de heer De Wit wensen te becommentariëren.

 

In stemming komt het ordevoorstel.

 

Het ordevoorstel wordt bij handopsteken verworpen.

 

De VOORZITTER: Ik constateer dat de fractie van FRIS voor het voorstel heeft gestemd.

 

Wethouder GRASHOFF: Voorzitter. Twee aspecten van het voorstel behoeven enige toelichting. Deze komen neer op het kort aangeven van het verloop van het proces. Lang geleden, eerder tien dan vijf jaar geleden, is uitgesproken dat de gemeente Delft in het kader van de Zuidpoortontwikkelingen bij voorkeur de woonboten niet meer aan twee kanten maar aan een kant van het water wil hebben. De directe achtergrond daarvan was dat de zichtbaarheid en aantrekkelijkheid van dat stukje stad en water aanzienlijk kon verbeteren. Bovendien was er een directe relatie met het bouwvoornemen op veld 9, het huidige parkeerterrein aan de Ezelsveldlaan. Dat was buitengewoon moeilijk te combineren met de ligplaatsen van de woonboten aan de zuidkant van de Zuidergracht. Die operatie is lange tijd slapende geweest in die zin dat de gemeente geleidelijk boten opkocht als eigenaren wilden verhuizen. Dat is dus niet gegaan van: “wij willen uw boot dus wilt u die even verkopen”. Zo werkt het niet. Er heeft zich een min of meer willekeurig patroon van aankoop van boten voorgedaan.

 

In het kader van de uitvoering van het Zuidpoortplan moet ertoe worden overgegaan om de desbetreffende actie in gang te zetten. Bij het precieze nameten en voorbereiden van de voorstellen zijn wij op twee zaken gestuit. Ten eerste moet de afstand tussen de woonboten vergroot worden om de verordening te volgen die wij zelf hebben opgesteld. Ik kom straks nog even terug op de vraag hoe dat heeft kunnen ontstaan. Ten tweede is het aantal opgekochte boten, een zuiver historisch gegeven, net niet genoeg om alles in te passen. Op die manier kwam het college voor een dilemma te staan: of er moest iets verder naar achteren worden doorgeschoven waardoor met het huidige aantal aangekochte boten de herschikking gerealiseerd kon worden of er moest aanvullende actie ondernomen worden. Het eerste voorstel van het college is duidelijk geweest. Dat stuitte op veel weerstand in de stad. Bij het nader bezien van de situatie en de gevolgen daarvan voor de toekomst ben ook ik tot de conclusie gekomen dat de woonboten op die manier wel heel dicht bij de Oostpoort gelegen zouden zijn, los van het feit dat een mooie boom zou worden omgehakt. Dat kan nog wel eens een keer als het niet anders kan. De achterkant van de woonboot, mogelijk met twee lagen, dus hoger dan nu het geval is, zou dichter bij de Oostpoort komen en niet meer worden afgeschermd door het bladerdak van de bestaande boom. Die optelsom maakt het zonneklaar dat de beeldkwaliteit op die plaats fors achteruit zou gaan.

 

Aangezien de operatie in het kader van de complete Zuidpoortontwikkeling is gestart om tot een kwaliteitsverbetering van het zicht van dit deel van de stad te komen, is het wrang om te constateren dat een verbetering van het zicht aan de ene kant leidt tot een verslechtering aan de andere kant. Dat plaatst de eventuele uitgave aan een extra boot in een ander daglicht. Het gaat niet om de boom versus de aankoop van een boot. Het gaat om het onvoorziene slotstuk van de totaaloperatie waarbij in het kader van de Zuidpoortontwikkeling natuurlijk grote slagen worden gemaakt.

 

Mevrouw VLEKKE (PvdA): Zou het probleem opgelost zijn als de boten op 1 meter blijven liggen? Ik heb het nu even alleen over het probleem van de afstand tot de Oostpoort.

 

Wethouder GRASHOFF: Dat is juist. Als de afstand terug zou worden gebracht tot 1 meter, dan passen ze er wel in, met behoud van de boom.

 

Ik kwam op het punt van de verordening. De verordening is veel later tot stand gekomen dan dat de boten er lagen. Er was een historisch gegroeide situatie met dicht op elkaar liggende boten en op enig moment, onder mijn voorganger wethouder Boelens, is een verordening tot stand gebracht. Dat was terecht, want enige regelgeving op dit punt was noodzakelijk. In die verordening is geconstateerd dat de situatie op dat moment onwenselijk was en er is een aantal regels gesteld. Met name de ruimte tussen de boten kon op dat moment redelijkerwijs niet gerealiseerd worden anders dan ten koste van een versnelde herinrichting van dat gebied met onvoldoende zicht op hetgeen zich in het Zuidpoortgebied zou afspelen. Uiteindelijk heeft de traagheid van de planvorming ertoe geleid dat een aantal jaren sprake was van een situatie die niet wenselijk was conform de brandweeradviezen vertaald in voorschriften in de VOGD.

 

De gemeente is nu genoopt om de eigen verordening serieus te nemen. Als er nieuwe inzichten waren om die te veranderen, dan kon de verordening gewijzigd worden. Die nieuwe inzichten zijn er bij mijn weten echter niet. Over het specifieke aspect van de brandweervoorschriften zal de burgemeester straks nog spreken; hij is de verantwoordelijk portefeuillehouder voor de brandweer.

 

Wij staan ten opzichte van de verordeningen een zekere toename van de hoogte van de boten voor. Dat is arbitrair. In de discussie met de woonbooteigenaren zijn wij tot de conclusie gekomen dat het wenselijk is om de boten zo min mogelijk te laten verhogen, want hoe hoger de boot hoe massiever de uitstraling. Wij hebben elkaar uiteindelijk gevonden op de 3.60 meter. Er is een significant verschil tussen 3.60 en 4.20; binnen 4.20 meter passen twee ruime verdiepingen en binnen 3.60 meter past de krapst mogelijke vorm van twee lagen.

 

Mevrouw DE JONG (CDA): De wethouder geeft nu een “schoonheidsargument” terwijl de mensen zoveel langer zijn geworden in de afgelopen eeuw, ongeveer 20 centimeter. Die lengtegroei neemt nog steeds toe. Bij een hoogte van 3.60 kan een verdiepinghoogte van 2.04 meter gerealiseerd worden. Dat is voor de meeste mensen te laag. Zij stoten hun hoofd tegen lichtarmaturen.

 

De VOORZITTER: Uw punt is duidelijk.

 

Wethouder GRASHOFF: Mevrouw De Jong heeft in zoverre gelijk dat het inderdaad gaat om een schoonheidsargument. Er is een compromis gezocht tussen het optimaliseren van de verdiepinghoogte – die is zo krap mogelijk gelaten — en de mogelijkheid om twee bouwlagen te realiseren. Het is niet zo vreemd dat het schoonheidsaspect daarbij betrokken wordt want het was de bedoeling om een gracht te hebben met woonboten, niet een wand die toevallig in het water ligt. Wij hebben de grens zo krap mogelijk gelegd, mede als uitkomst van een discussie met de Vereniging van woonbooteigenaren. Ik houd staande dat wij met deze vereniging tot overeenstemming op dit punt zijn gekomen. Ik weet dat enkelen zich met dat compromis minder konden verenigen. Zij hebben zich tot u gericht.

 

Mevrouw DE JONG (CDA): Ik heb nog gevraagd of u bereid bent om een brief aan de provincie Zuid-Holland te sturen.

 

Wethouder GRASHOFF: Wij behandelen een verordening die in feite een wijziging is op een reeds bestaande verordening die gaat over al het gemeentewater in Delft. Dit neemt niet weg dat wij dit voorstel specifiek inbrengen om de herschikking van de woonboten in de Zuidergracht mogelijk te maken. Dat is de inhoud van het voorstel.

 

Ik doe niets af aan discussies over andere aspecten van het beheer van het water en de mogelijkheden daartoe. Dergelijke discussies moeten echter in commissieverband plaatsvinden. Het is altijd mogelijk om de verordening op enig moment te wijzigen. Als u mij vraagt of het mogelijk en verstandig is om het aantal passantenplekken uit te breiden, dan kan ik daar eigenlijk geen zinnig antwoord op geven. Ik heb mij daarop ook niet geprepareerd want dat punt heeft in de beleidsvoorbereiding geen rol gespeeld. In de Kolk zijn wal- en aanlegvoorzieningen aanwezig; ik weet niet of daar ruimte voor is. Ik stel voor dat wij de discussie daarover niet in deze context voeren maar nader bezien of er aanleiding is om deze in de raadscommissie aan te zwengelen.

 

De VOORZITTER: Ik zal kort ingaan op de brandveiligheid. In de brandveiligheidsvoorschriften in de bouwverordening zijn prestatie-eisen opgenomen met betrekking tot de overslag van vuur. Verwezen wordt naar bepaalde NEN-normen. De NEN-normen voor de brandoverslag zijn te vinden onder NEN-60/68. De NEN-norm houdt in dat in geval van brand in ieder geval sprake moet zijn van een periode van 30 minuten voordat door hitte of overslaand vuur de brand op het volgende perceel belandt. Dat principe is niet keihard in meters uitgerekend voor woonboten. Destijds is wel door een aantal brandveiligheidinstituten een berekening gemaakt voor woonwagens; daarvoor geldt min of meer hetzelfde. Toen is geconcludeerd dat een optimale veiligheidszone 5 meter bedraagt en 2 meter het minimum is. Daar moet je echt niet onder gaan zitten. Die conclusie heeft geleid tot de bepaling van 2 meter. Dit wil niet zeggen dat bij het realiseren van bijzondere voorschriften, zoals het tussenmetselen van muren of brandveiligheidswanden, de boten niet tegen elkaar kunnen liggen. Het is mogelijk om de einden van de boten te slopen en te herbouwen met niet-brandbaar materiaal, maar dat is een operatie van een geheel andere orde.

 

De heer VONDELING (STIP): Voorzitter. Ik heb geen behoefte aan een tweede termijn. De toelichting van het college was goed. Dank u wel.

 

De heer MEULEMAN (Stadsbelangen): Voorzitter. Ik kom kort terug op de hoogte. Mijn fractie ziet niet dat met een hoogte van 3.80 meter een wand van woonboten ontstaat, zeker met het oog op hetgeen gepland staat voor veld 9. Daarop komt bebouwing die aanmerkelijk hoger is dan 3.80 meter. Het is een kwestie van vind je het wel of vind je het niet mooi. Mijn fractie is er niet op tegen om tot 3.80 meter toe te staan.

 

Mijn fractie is verder niet tegen de verordening zelf. Ten aanzien van het al dan niet kappen van de treurwilg zie ik graag een voorstel tegemoet.

 

Mevrouw DE JONG (CDA): Voorzitter. In de toekomst zal de welstandscommissie het uiterlijk van de boten beoordelen. Een boot kan pas aangelegd worden als deze wat het uiterlijk betreft voldoet aan de criteria die gesteld zijn ten aanzien van het gezicht van Delft. De CDA-fractie meent dat het gezondheidsaspect in dezen een belangrijke rol speelt; de hoogte van 3.80 meter is in dat verband van belang. Om die reden dien ik namens mijn fractie een amendement in. Met de rest van de verordening kan mijn fractie instemmen.

 

De VOORZITTER: Namens de fractie van het CDA wordt het volgende amendement (A-I) voorgesteld:

 

“De gemeenteraad van Delft, in vergadering bijeen op 22 mei 2003,

 

overwegende dat:

 

-           in het voorstel tot vaststelling Wijziging verordening openbare gemeentewater Delft     1996 een hoogte van de woonboten wordt voorgesteld van maximaal 3.60 meter;

-           dit net voldoende hoogte biedt voor mensen met ongeveer een gemiddelde lengte;

-           de gemiddelde lengte van mensen in Nederland nog altijd langer wordt, zodat voor de toekomst rekening kan worden gehouden met gemiddeld langere mensen;

 

besluit artikel 15 lid 1a II te wijzigen in dier voege dat de daarin vermelde zinsnede “maximale hoogte gemeten vanaf het wateroppervlak van 3.60 meter” wordt vervangen door “maximale hoogte gemeten vanaf het wateroppervlak van 3.80 meter”,

 

en gaat over tot de orde van de dag.”

 

De heer DE WIT (FRIS): Voorzitter. Het is eigenlijk zo dat de boot die te veel is, wordt uitgekocht. De vraag is wie dat gaat betalen. Is het vanwege de belofte aan de projectontwikkelaar niet reëel dat een vorm van meebetalen wordt gevonden, bijvoorbeeld door de reserve Zuidpoort in te zetten?

 

Mevrouw VLEKKE (PvdA): Voorzitter. Ik reageer op de brandveiligheid waar wij in eerste termijn veel aandacht aan hebben besteed. Ik vind het verhaal van het minimum van 2 meter, NEN-normen en bouwvoorschriften heel mooi maar het gaat mij om de vraag of deze raad echt brandveiligheid wil of afgaat op het minimum van 2 meter. Daarbij is het overigens de vraag waarvan dat het minimum is. Als er wordt gesproken over het aanbrengen van brandwerend materiaal, dan is het een operatie van een geheel andere orde. Het stoort mijn fractie dat dit soort alternatieven niet is uitgewerkt en is voorgelegd aan de raad. In dat geval had de raad op grond daarvan andere keuzes kunnen maken. Wij hebben net dat envelopje ontvangen. Ik vind het nu lastig om kosten tegen elkaar af te wegen omdat die niet goed aangeboden worden. Dat is echt lastig. Mijn fractie zal wel met de verordening instemmen maar ik meld voor de Handelingen dat de PvdA-fractie betwijfelt of bij een afstand van 2 meter daadwerkelijk brandveiligheid wordt bereikt. Als er wat mocht gebeuren, dan heeft mijn fractie dat in ieder geval gemeld.

 

De heer DE WIT (FRIS): Ik constateer dat mevrouw Vlekke het eens is met FRIS dat de wethouder zijn huiswerk niet goed gedaan heeft.

 

De VOORZITTER: Dit is geen interruptie op het betoog van mevrouw Vlekke want u zegt niets tegen haar.

 

De heer DE WIT (FRIS): Ik wil tegen haar zeggen dat ze zo fair moet zijn om te zeggen: wij steunen het voorstel niet.

 

Mevrouw VLEKKE (PvdA): Dat hebben wij wel overwogen maar het is prettig om te zien hoe de discussie in de raad zich ontwikkelt. Als je iets wilt dat niet haalbaar is, moet je de beste oplossing kiezen.

 

De heer DE WIT (FRIS): Eigenlijk is er niets om over te discussiëren. Dat waterplan en het ligplaatsenplan zijn zo vaag.

 

De VOORZITTER: Dat is echt geen interruptie.

 

 

De heer VAN DEN DOEL (ChristenUnie/SGP): Kan mevrouw Vlekke in navolging van de CDA-fractie niet een amendement indienen zodat wij een afweging kunnen maken? Dat lijkt mij eerlijker dan zich nu al politiek te verschonen. Dat is niet zo netjes.

 

Mevrouw VLEKKE (PvdA): Nee, uit de bijdragen van de verschillende fracties maak ik op dat men akkoord gaat met de 2 meter. Ik solliciteer niet naar een afwijzing.

 

De heer VAN DEN DOEL (ChristenUnie/SGP): Als u gerede argumenten heeft, dan moet u die netjes uitspreken. U kunt die ook uitspelen aan de hand van een amendement. Dat is ook politiek een net spel.

 

De heer MEULEMAN (Stadsbelangen): Ik wil mevrouw Vlekke toch even corrigeren. Ik heb nadrukkelijk gezegd dat als de brandweer een advies geeft, de raad daar niet aan moet tornen. Dat verschilt van hetgeen zij zojuist heeft gezegd.

 

De heer STOELINGA (Leefbaar Delft): Voorzitter. Ik vond de discussie over bootje-boompje in de commissie al vreemd. Ik vind nog steeds, dat is de enige houvast die wij hebben, dat het verschil, ik zal het niet geheim houden, tussen 100 gulden en 160 gulden groot is. Het is een verschil van 60%. Dat vinden wij een kwalijke zaak.

 

De VOORZITTER: Mijnheer Stoelinga, u moet echt leren dat u over geheime informatie uw mond houdt.

 

De heer STOELINGA (Leefbaar Delft): Ik zeg: 160 gulden, 160 euro.

 

De VOORZITTER: U kletst. U weet precies wat u doet en dat moet u laten want anders krijgt u hier het woord niet meer over dit soort zaken.

 

De heer STOELINGA (Leefbaar Delft): Ik zeg toch 100 euro, 160 euro?

 

De VOORZITTER: U hebt goed gehoord wat ik heb gezegd en ik weet ook heel goed wat u in eerste termijn hebt gezegd. Toen hebt u ook al wat gezegd over dit punt.

 

De heer STOELINGA (Leefbaar Delft): Dat is uw insinuatie.

 

De VOORZITTER: Dat is helemaal geen insinuatie. Als u de band naluistert, kan ik exact zeggen wat u in eerste termijn en wat u in deze termijn hebt gezegd. Je hoeft niet intelligent te zijn op de tribune om precies te kunnen afleiden dat u nu de geheime informatie gewoon op tafel hebt gelegd. Dat hebt u gedaan!

 

De heer STOELINGA (Leefbaar Delft): Ik vind van niet.

 

De VOORZITTER: Daarvoor zijn twee mogelijkheden. Het komt u politiek niet uit of u begrijpt zelf niet wat u zegt.

 

De heer STOELINGA (Leefbaar Delft): Dit meningsverschil hebben wij eerder gehad.

 

De VOORZITTER: Dat weet ik.

 

De heer STOELINGA (Leefbaar DELFT): Oké. Dan laat ik het hierbij.

 

 

De VOORZITTER: Dat lijkt mij op zijn minst verstandig.

 

De heer DE WIT (FRIS): Voorzitter, ik zit nu te twijfelen over hetgeen nu gebeurt. Als raadslid van een fractie die de geheimhouding wel handhaaft, heb ik natuurlijk wel een probleem. Uw oplossing is ook niet de goede.

 

De VOORZITTER: Wat is volgens u de oplossing?

 

De heer DE WIT (FRIS): Ik denk dat de oplossing moet zijn dat u om geruchten te voorkomen, de middelen moet gebruiken tegen de heer Stoelinga die daarvoor beschikbaar zijn. Ik wil verder in de raad bespreken of de geheimhouding moet worden voortgezet.

 

De VOORZITTER: Die discussie is gevoerd en daarover heeft de raad besloten.

 

Wethouder GRASHOFF: Voorzitter. Volgens mij is alles gezegd.

 

De VOORZITTER: Op het ingediende amendement is nog niet officieel door het college gereageerd.

 

Wethouder GRASHOFF: Voorzitter. Ik heb de argumentatie als zodanig op tafel gelegd. Dit zijn geen verschillen waar Delft mee instort. De afweging van het college is duidelijk geweest en ik laat het oordeel over het amendement aan de raad.

 

Mevrouw BOLTEN (GroenLinks): Ik verzoek u tot een schorsing.

 

De vergadering wordt van 21.00 uur tot 21.15 uur geschorst.

 

De VOORZITTER: Wij waren toe aan het afleggen van stemverklaringen over het amendement en het voorstel. Ik kijk naar de fractie van GroenLinks om te zien of zij behoefte heeft aan het afleggen van een stemverklaring.

 

Mevrouw BOLTEN (GroenLinks): Voorzitter. Wij hebben lang beraadslaagd en besloten om tegen het aannemen van het amendement te stemmen.

 

De VOORZITTER: Ik geef gelegenheid tot het afleggen van verdere stemverklaringen.

 

De heer DE WIT (FRIS): Voorzitter. Wij zijn verdeeld over het amendement. Het ene deel van mijn fractie vindt het een verbetering en het andere deel vindt dat het gaat om een bestaande situatie die jarenlang gedoogd is; nu wordt het opeens aangepast aan de overtreder die daarmee zijn zin krijgt. Dat deel is dus tegen het aannemen van het amendement.

 

De heer VAN DEN DOEL (ChristenUnie/SGP): Voorzitter. Ik zal voor het aannemen van het amendement stemmen. De hoogte van 3.60 meter was op zich al arbitrair en de argumenten van de CDA-fractie hebben mij overtuigd.

 

In stemming komt amendement A-I.

 

Het amendement wordt bij handopsteken verworpen.

 

 

 

De VOORZITTER: Ik constateer dat de fracties van Stadsbelangen, het CDA, de ChristenUnie/SGP, Leefbaar Delft, de heer Fruyt Van Hertog en mevrouw Koning voor dit amendement hebben gestemd.

 

In stemming komt het voorstel.

 

Het voorstel wordt bij handopsteken aangenomen.

 

De VOORZITTER: Ik constateer dat de fractie van FRIS tegen het voorstel heeft gestemd.

 

100. Voorstel inzake keuze voorkeursvariant Spoorzone “Kort versus Lang”.

(Stuk 81 – 03/013874)

Wethouder Grashoff wordt uitgenodigd bij de behandeling van dit punt aanwezig te zijn.

 

De heer VONDELING (STIP): Voorzitter. Dit is eigenlijk meer een stemverklaring dan een termijn. Wij willen toch nog even onze grote tevredenheid en ons geluk uitspreken dat dit voorstel bij ons teweeg heeft gebracht. Eindelijk is er een definitieve keuze gemaakt. Wij hopen dan ook dat de raad unaniem voor de lange tunnel zal stemmen.

 

Mevrouw KONING (PvdA): Voorzitter. Ik denk dat u dit fenomeen nog beter kent dan ik: een raad is goed in staat om over tienduizenden euro’s heel lang te praten en over honderdduizenden euro’s kort. Die valkuil is onze fractie bekend. Wij willen de in de notitie gepresenteerde cijfers dus serieus bekijken om te bepalen of die cijfers niet onterecht opgeschreven zijn. Omdat het niet mogelijk was om dit voor de commissievergadering echt goed in de fractie te bespreken, heb ik het stuk mee teruggenomen. Dat maakte het mij makkelijk om een aantal uitleggen die de wethouder heeft gegeven, bijvoorbeeld over de verschillende soorten risico’s, mee te nemen naar de fractie. Dat kwam eigenlijk wel goed uit. Onze conclusie is dat wij niet het gevoel hebben dat de gepresenteerde bedragen heel erg ondoordacht of onverantwoord zijn. Het is natuurlijk ook heel moeilijk om te zeggen dat het bedrag echt geen eurocent meer zal worden, maar dat is bij dergelijke bedragen altijd het geval. Wij steunen het voorstel dus.

 

Mevrouw GEURSEN (VVD): Voorzitter. Ook wij steunen de keuze voor de lange tunnel, maar wij hechten tevens belang aan een unaniem besluit van de raad op dit punt. Het is van belang dat de wethouder met unanieme steun van de raad krachtig kan onderhandelen om de lange tunnel voor Delft gerealiseerd te krijgen. Onze fractie heeft er vertrouwen in dat de financiële middelen voor de tunnel in de onderhandelingen gevonden kunnen worden.

 

De heer VAN DEN DOEL (ChristenUnie/SGP): Voorzitter. Ik zal het kort houden: de tunnel zij lang!

 

De heer DE WIT (FRIS): Voorzitter. Vooruitlopend op vernieuwingen die de heer Vuijk van de VVD heeft voorgesteld, gaan wij vanavond de in de commissie ingebrachte zaken niet herhalen. In de tussentijd is er niets gewijzigd; wij zijn dus nog steeds tegen dit voorstel.

 

Wethouder GRASHOFF: Voorzitter. Mevrouw Geursen heeft goed verwoord dat brede steun nodig is voor deze keuze voor de variant van de lange tunnel. Die steun ervaar ik ook in de raad. Het is aan de ene kant een heel logische keuze; aan de andere kant beheerst zij op een vreemde manier de gemoederen. Niet voor niets heb ik vanavond de bijgestelde beslispunten van de externe stuurgroep doen uitreiken, omdat de afgelopen week in ieder geval Verkeer en Waterstaat toch nog niet aan deze keuze voor de lange tunnel toe was.

 

Dat is niet zeer dramatisch, heel ingewikkeld of wat dan ook, maar het is natuurlijk wel een punt waarvan ik vond dat u dat moest weten. Er was geen mogelijkheid om dat anders te doen. Daarbij is het des te meer van belang dat wij vanuit Delft helder, duidelijk en stevig blijven vasthouden aan een hele tunnel en niet een halve.

 

De heer DE WIT (FRIS): Voorzitter. Tijdens de commissievergadering heeft FRIS gezegd “Doe eens rustig aan, mijnheer Grashoff, want u loopt weer voor de troepen uit”. Dat wordt vanavond gewoon bevestigd. Wij weten immers nog niet hoe het nieuwe kabinet staat tegenover geld voor knooppunten in het openbaar vervoer versus asfalt. Vanavond wordt ons keihard meegedeeld dat Verkeer en Waterstaat …

 

Mevrouw KONING (PvdA): Ik dacht dat u niet deed aan herhaling van zetten.

 

De heer DE WIT (FRIS): Nee, maar er komt vanavond een nieuw feit naar boven, wat ons behoorlijk angst inboezemt dat wij straks toch op een korte tunnel zullen uitkomen.

 

Wethouder GRASHOFF: Voorzitter. Ik zou wensen dat het inzicht bij FRIS hiermee zou zijn toegenomen om dit voorstel te steunen in plaats van af te wijzen.

 

De heer DE WIT (FRIS): Dat is allemaal wel leuk, maar u moet eigenlijk gewoon afwachten; dan pas moeten wij als Delft met een duidelijk standpunt komen.

 

De VOORZITTER: Er zijn verschillende methoden van onderhandeling.

 

De heer DE WIT (FRIS): Net als bij die boten.

 

De VOORZITTER: Zeker. Ik geef gelegenheid voor het afleggen van stemverklaringen.

 

De heer MEULEMAN (Stadsbelangen): Voorzitter. Onze fractie heeft dit jaar al twee keer “ja” gezegd tegen de lange variant. Ik hoop dat, wanneer wij voor de derde keer “ja” zeggen, u dat gelooft.

 

Mevrouw BOLTEN (GroenLinks): Voorzitter. Ook voor ons geldt: “driemaal is scheepsrecht”.

 

De heer STOELINGA (Leefbaar Delft): Voorzitter. Wij wensen de wethouder veel succes met het langere graven, want wij zijn voor de lange zone.

 

In stemming komt het voorstel.

 

Het voorstel wordt bij handopsteken aangenomen.

 

De VOORZITTER: Ik constateer dat de FRIS-fractie tegen het voorstel heeft gestemd.

 

101. Voorstel tot instemming met de uitvoeringsregeling stimuleringssubsidie straatfeesten en -festijnen.

(Stuk 68 – 03/011302)

Wethouder Torenstra wordt uitgenodigd bij de behandeling van dit punt aanwezig te zijn.

 

De heer MEULEMAN (Stadsbelangen): Voorzitter. Ik wil het bij een stemverklaring houden. Bij de behandeling van de Zomernota van vorig jaar heeft onze fractie de motie van de fractie van GroenLinks niet gesteund, hoewel wij die wel sympathiek vonden.

 

Wij vonden immers dat met dit voorstel sprake is van een vorm van rechtsongelijkheid. Aan de ene kant hebben wij in Delft straten met twaalf huishoudens; die kunnen dus nooit aanspraak maken op deze vorm van “stratensubsidie”. Aan de andere kant zijn er straten met bijvoorbeeld 160 woningen, die het met hetzelfde bedrag moeten doen als straten met 20 woningen. Wij vinden dat een vorm van rechtsongelijkheid. Daarom zullen wij dit voorstel niet steunen.

 

De heer VAN TONGEREN (CDA): Voorzitter. Indertijd, bij de behandeling van de Zomernota, heeft de CDA-fractie tegen de motie gestemd die achter dit voorstel ligt. Wij zullen ook vanavond tegen dit voorstel stemmen. Onze argumentatie daarvoor is eigenlijk heel eenvoudig. Kennelijk ligt achter dit voorstel de aanname dat Delftenaren subsidie nodig hebben om een feestje te kunnen vieren. Wij vinden dat een verkeerde benadering. Onze inwoners zijn mans genoeg om zonder subsidie van de gemeente een feestje te kunnen organiseren. Wij vinden dat dit vooral zo moet blijven.

 

Wethouder TORENSTRA: Voorzitter. Ik heb geen behoefte om te reageren, want dit waren twee stemverklaringen.

 

In stemming komt het voorstel.

 

Het voorstel wordt bij handopsteken aangenomen.

 

De VOORZITTER: Ik constateer dat de fracties van Stadsbelangen en het CDA tegen het voorstel hebben gestemd.

 

102. Voorstel inzake de heropzet van het programma integraal Jeugd- en Jongerenbeleid.

(Stuk 88 – 03/013265)

Wethouders Oosten en Rensen worden uitgenodigd bij de behandeling van dit punt aanwezig te zijn.

 

De VOORZITTER: Er is vanavond iets bij u op tafel gelegd wat niet in orde is. Misschien is het handig als de wethouder dat corrigeert, want anders rolt u daar allemaal terecht overheen.

 

Wethouder OOSTEN: Voorzitter. Het is niet wereldschokkend, maar in de memo over de toelichting van de tijdelijke uitbreiding van het jongeren- en tienerwerk wordt voorgerekend dat wij 60.000 euro gaan besteden aan deze tijdelijke maatregel, terwijl in het raadsbesluit nog het bedrag van 68.000 euro staat. Dat bedrag zou ik graag gewijzigd hebben in 60.000 euro. Dit betreft slechts een iets latere ingangsdatum: in het oorspronkelijke voorstel was uitgegaan van 1 mei, maar in het raadsbesluit wordt uitgegaan van 1 juni.

 

De heer MEULEMAN (STIP): Voorzitter. Wij hebben het jongerenbeleid al uitgebreid in de commissie besproken. Die discussie zal ik hier niet herhalen. Ik wil er echter nog wel een aantal voor onze fractie belangrijke punten uitlichten. Ten eerste benadruk ik dat de STIP-fractie verheugd is met het extra geld dat voor het jongerenopbouwwerk beschikbaar komt. Wij hopen en verwachten dat de 5 extra fte’s voldoende zullen zijn om de problemen binnen het jongerenopbouwwerk effectief aan te pakken. Het is een goede zaak dat de openingstijden van het jongeren- en tienerwerk verruimd kunnen worden om aan de behoefte tegemoet te komen. Wij hebben de afgelopen tijd vaak gehoord dat die behoefte bestaat.

 

 

Dat brengt mij bij mijn tweede punt: de waardering van de deelname aan het jongerenbeleid door jongeren. De STIP-fractie wil het belang van een positieve waardering van deelname door jongeren graag benadrukken. Wij spreken jegens de wethouder de verwachting uit dat wij hierover in de toekomst cijfermateriaal zullen krijgen.

 

Ons derde punt betreft de breedte van het jongerenbeleid. Het jongerenbeleid omvat namelijk veel meer dan de jongeren die hulp of zorg nodig hebben. Wij hebben in de commissie al onze aarzeling uitgesproken over het bij de Regiegroep Delfts Sociaal Beleid leggen van de regie over het uitwerken van de relatie tot de andere grote programma’s, maar wij zien ook zelf niet een, twee, drie een club die dit wel zou moeten doen. Wij zullen zelf waken over de regie door die regiegroep en wij zullen erop toezien dat er niet een te groot accent op de zorg ontstaat.

 

De heer EDUARD (Leefbaar Delft): Voorzitter. Zoals Leefbaar Delft in de commissievergadering al heeft aangegeven, staan wij positief tegenover het voorstel aangaande het jeugd- en jongerenbeleid. Net als in de commissievergadering van donderdag 16 mei willen wij in deze raadsvergadering een paar zaken nogmaals onder de aandacht brengen voordat zij in het vergeethoekje raken en voordat een andere partij later ineens denkt een geniaal idee te hebben. Vandaar dat wij deze punten alsnog in de raad willen vermelden, waar dat tenslotte thuishoort.

 

Allereerst ga ik in op de Melkertbanen binnen de welzijnsorganisatie. Sommige mensen met een Melkertbaan hebben een opleiding op MBO-niveau aangeboden gekregen en afgerond. Omdat momenteel op dit niveau enkele vacatures zijn uitgeschreven, wil de wethouder, zoals in de commissie aangegeven, laten onderzoeken of sommigen van deze mensen kunnen doorstromen naar een vaste baan in het tiener- of jongerenwerk. Leefbaar Delft is daar een groot voorstander van en hoopt dat de wethouder de daad bij het woord zal voegen. Wij zullen deze zaak met argusogen volgen, omdat het niet zo kan zijn dat mensen niet doorstromen omdat de wethouder dan enkele subsidiepotjes kwijtraakt, zoals hij liet doorschemeren in de commissie.

 

Leefbaar Delft wil graag van de wethouder weten of hij bereid is om de productoffertes om de twee jaar te bespreken. Dit is in steden om ons heen gebruikelijk. Dit betekent dat er voor twee jaar productafspraken met de welzijnsorganisatie worden gemaakt. De welzijnsorganisatie kan dan in een kwartaalrapportage aangeven hoe het met de door de gemeente ingekochte producten gaat. Het is een feit dat je veel beter in staat bent om te evalueren als het gaat om structurele activiteiten of projecten. Tevens voorkom je problemen zoals bij de kinderopvang Octopus, waar wij weer eens achter de feiten aan liepen.

 

Leefbaar Delft blijft bij het standpunt dat er in het jongerenwerk een fte extra moet komen, zodat een jongerenwerker kan worden ingezet bij calamiteiten of ziektevervanging. Als er nu 5 fte’s bij komen, zitten wij nog op het minimum. Ook naar aanleiding van het inspreken van een burger uit de binnenstad, die aangaf dat in de binnenstad op dit moment weinig of niets aan jongerenwerk wordt gedaan, lijken 6 fte’s ons beter.

 

Leefbaar Delft hoopt dat de gemeente ophoudt met pochen over de jongerenraad. In de commissie is immers duidelijk geworden dat de jongerenraad geen afspiegeling is van de bevolking en de wijken van Delft. Slechts een kleine groep jongeren heeft deze raad tot stand gebracht. Leefbaar Delft is zeker niet tegen een jongerenraad, maar liefst per wijk. De huidige jongerenraad is wel goed, maar heeft nog geen ideale constructie.

 

 

Ons advies is dan ook om met de huidige jongerenraad te bekijken hoe de jongerenraad een betere afspiegeling kan worden. De jongerenraad moet een structureel product worden bij de welzijnsorganisatie. Zoals ik in mijn inleiding al heb gezegd, adviseren wij positief.

 

De heer MEULEMAN (Stadsbelangen): Voorzitter. Ook wij hebben in de commissievergadering een positief geluid laten horen over dit voorstel, hoewel wij enigszins kritisch waren over de financiering. De wethouder heeft daar zojuist een opmerking over gemaakt, maar het in het stuk opgevoerde bruto-uurloon blijft vrij hoog. Maar goed, dat zij zo; wij zullen het stuk niet om die reden blokkeren.

 

In de commissie hebben wij heel nadrukkelijk aangegeven dat de notitie “Het gaat steeds beter met jongeren in Delft” wat ons betreft “Er kan nog veel verbeterd worden voor de jongeren in Delft” zou moeten heten. Nog even in de categorie “kritiek leveren”: het is onze fractie inmiddels wel duidelijk dat, gelet op de huidige signalen van de jongeren en vanuit het veld, het jongerenwerk in de afgelopen jaren veel te traag op gang is gekomen. Dat mag de STIP-fractie zich aanrekenen, omdat in het vorige college STIP-wethouders hiervoor verantwoordelijk waren. Maar goed, STIP krijgt een herkansing in deze periode.

 

Wij waren overigens verbaasd over de opmerking van wethouder Oosten dat er meer jongerenwerkers nodig zijn omdat er nu meer jongerenhonken zijn. Dat had je natuurlijk van tevoren kunnen bedenken: als je gebouwen bouwt om het jongerenwerk uit te breiden, heb je extra jongerenwerkers nodig. De slogan van het vorige college was “van hard naar zacht”, maar volgens ons is het college blijven steken bij het woordje “hard”. In de krant staat daar ook een voorbeeld van: gebouwen staan 70% van de tijd leeg; daar bouwen wij die gebouwen niet voor. Daar kosten zij veel te veel geld voor.

 

Onze fractie is positief gestemd over de terechte aandacht die het integrale jeugd- en jongerenwerk nu wel van het college krijgt en niet alleen op papier. De wethouder heeft voorstellen aangekondigd bij de programmabegroting. Wij zien die met belangstelling tegemoet. In tegenstelling tot de fractie van Leefbaar Delft doen wij nog geen uitspraak over het aantal fte’s dat erbij zou moeten komen; dat zien wij dan wel bij het voorstel waar de wethouder mee komt.

 

Wij willen wel twee piketpaaltjes slaan. De fractie van Stadsbelangen heeft behoefte aan een discussie over de toekomstige rol van de BWD en over het onderwerp jeugdraad. Wij gaan akkoord met het voorstel.

 

De heer ENGELS (CDA): Voorzitter. Wij hebben het stuk mee teruggenomen naar de fractie om er nog even over te praten. Vooral het ontbreken van meetbare doelstellingen met harde cijfers en het niet goed vaststellen van vertrekpunten vinden wij heel moeilijk. Ik denk dat dit eerder zorg zal dragen voor een mislukking van het project dan voor een geslaagd project. De wijkcoördinator wordt genoemd als cruciaal voor de ontwikkeling, maar die is ook in de wijkplannen al meerdere malen genoemd. Daarbij werd gezegd dat hij erg zwaar belast was en dat hij steun nodig had van het wijkopbouwwerk. Wij vragen ons bij dit soort beleid – het wijkwerk, de sportvisie en de brede school – overigens af waar de precieze taakafbakeningen van de coördinatoren liggen: de wijkcoördinator, de wijkopbouwwerker, de wijkopzichter, de wijknetwerker, de wijkagent, de jeugdopbouwwerker, de zorgteams, de woningbouwcorporatie, de preventieadviseurs, de coördinator integraal veiligheidsbeleid enzovoort. Wij zien zo langzamerhand door de bomen het bos niet meer. In de evaluatie van het actieplan 2002 zijn te veel ontwikkelingen niet gelukt of blijven hangen.

 

 

Er zijn ook te weinig lijnen uitgezet om die ontwikkelingen door te zetten. Vandaar dat er gesproken wordt van een heropzet en niet van een continuering van het geheel, wat beter zou zijn geweest.

 

In de commissie hebben wij al gezegd dat wij het integraal plan liever zien met analyses van de beginsituatie, de doelstellingen, het tijdpad en een financiële paragraaf per onderwerp, waardoor het voor iedere betrokkene helder is; volgens ons is de kans van slagen dan het grootst. Uiteindelijk gaat het om een zeer belangrijke ontwikkeling en om zeer veel geld.

 

De heer DE WIT (FRIS): Voorzitter. Wegens het ontbreken van enige visie zijn wij tegen het voorstel.

 

De heer BOT (GroenLinks): Voorzitter. De fractie van GroenLinks is in de commissie akkoord gegaan. Ik heb weinig behoefte om vanavond veel te herhalen. Wij zijn heel blij dat de commissie de signalen uit de commissie Extern snel heeft opgepakt en de wens heeft uitgesproken om de formatie van het jongerenwerk structureel behoorlijk te vergroten. Wij zien de verdere voorstellen bij de Zomernota tegemoet, net als de discussie over de rol van de BWD en de precieze taakafbakening en de interessante discussie over de mogelijkheid van instroom/doorstroombanen, juist binnen de BWD. Verder hebben wij behoefte aan een verdere discussie over de jongerenraad, maar dan in het kader van de gehele participatie van jongeren in het jongerenbeleid; die discussie heeft de wethouder echter al toegezegd in de commissie.

 

Mevrouw STOLKER (PvdA): Voorzitter. Vorige week heeft de PvdA-fractie in de commissievergadering gepleit voor verbetering van het tiener- en jongerenwerk, niet alleen in kwantitatieve zin, maar ook in kwalitatieve zin. Wij zijn dan ook blij dat in de memo staat dat deze middelen besteed zullen worden aan het inzetten van HBO-opgeleid personeel. Het zal dus duidelijk zijn dat wij het voorstel nog steeds steunen.

 

Mevrouw VAN DER HOEK (VVD): Voorzitter. De VVD-fractie was al blij met de uitvoerige behandeling van dit belangrijke onderwerp in de commissie. Daar hebben wij onze instemming al betuigd, maar zoals elke fractie hechten wij eraan om dat ook in de raad uit te spreken. Ook wij zullen binnenkort, met name in commissieverband, graag terugkomen op de al door de heer Meuleman van de fractie van Stadsbelangen genoemde piketpaaltjes. Dat hoeft voor ons niet in de raad te gebeuren. Met de behandeling van de programmabegroting in de raad zal het onderwerp jeugd- en jongerenwerk uiteraard weer onze aandacht hebben.

 

Het moge duidelijk zijn: wij waren in de commissie al akkoord gegaan en ook nu gaan wij akkoord.

 

De heer VAN DEN DOEL (ChristenUnie/SGP): Voorzitter. Ik ben niet zo tevreden over de stukken die wij hebben ontvangen. In de eerste versie van stuk 88 II staat iets heel anders dan in de versie die vanavond op tafel ligt. Dat betreur ik, want dat had ons eerder gemeld kunnen worden, zodat in de fractie een standpunt ontwikkeld had kunnen worden over de ontwikkelingsrichting van het jeugd- en jongerenwerk. Daarover stond in de eerste versie van stuk 88 II in het geheel niets geschreven. Dit stuk 88 II is ook niet in overeenstemming met stuk 88 I. Dat is jammer. Ook van stuk 88 I had dus een nieuwe versie moeten worden geschreven, want daarin staat iets heel anders. Het is eigenlijk geen manier van doen om zo’n stuk met een zodanig gewijzigde inhoud zo laat op tafel te leggen, terwijl de commissievergadering de afgelopen week is geweest. Dit had dus op een eerder tijdstip bij ons op tafel kunnen liggen. Ik zal op dit moment niet instemmen met het voorliggende stuk.

 

Wethouder OOSTEN: Voorzitter. Ik dank de raad voor de uitvoerige steun voor dit stuk; ik denk dat het jongerenwerk dat ook verdient. Ten aanzien van de rol van de BWD heb ik in de commissie al gezegd dat de raad daar in het najaar op terug kan komen in het kader van het productenboek; reeds eerder, bij de programmabegroting, kan de raad terugkomen op het precieze aantal fte’s dat wij qua uitbreiding gaan voorstellen. Die discussie hoeven wij nu dus niet te voeren.

 

Het instromen in reguliere arbeidsplaatsen van mensen die nu via een Melkertbaan bij de BWD werkzaam zijn, wordt uiteraard door het college gesteund. Dat kost geen subsidiegeld. Integendeel, er vallen dan plekken vrij. Het is dus niet waar dat wij er om die reden tegen zouden zijn of dat wij dat willen tegenwerken. Wel is het uiteraard zo dat er gewoon geworven werd en dat de mensen aan de selectiecriteria moeten voldoen.

 

Ik ben mij er niet van bewust dat ik ooit gepocht zou hebben met de resultaten van de jongerenraad. Integendeel: ik heb in de commissie gezegd dat ik de jongerenraad als een voldongen feit accepteer, maar dat ik geconstateerd heb dat die nooit op verzoek van de raad is ingesteld. De jongerenraad is spontaan ontstaan en wordt gesteund door de BWD. Dat wil niet zeggen dat wij het werk van de jongerenraad niet naar waarde schatten, want ik heb ook gezegd dat wij, nu de jongerenraad er is, er dankbaar gebruik van zullen maken. Op de rol van de jongerenraad zullen wij, zoals ik ook al in de commissie heb gezegd, terugkomen wanneer wij gaan praten over participatie in het algemeen; dan zullen wij het immers ook hebben over de participatie van verschillende doelgroepen. In het kader van het laatste productenboek heeft de raad in het afgelopen najaar de steun aan de jongerenraad overigens zelf goedgekeurd; daar krijgt de raad komend najaar dus een nieuwe kans voor, want dan zullen wij weer de productafspraken met de BWD vaststellen. Dan zullen wij zien of daar wederom een bedrag in genoemd wordt voor ondersteuning van de jongerenraad. Het is dan aan de raad om daar iets van te vinden.

 

Ook de discussie over de vraag of wij productafspraken voor één jaar of voor twee jaar moeten maken, verwijs ik graag door naar dit najaar. Op het moment waarop het nieuwe productenboek aan de orde is, lijkt ook die discussie mij op haar plaats. Voorlopig werken wij op basis van jaarlijkse afspraken, maar als de raad vindt dat de afspraken twee jaar mee kunnen, hoor ik dat tegen die tijd wel. Dan kunnen wij daarover uiteraard van gedachten wisselen.

 

De genoemde 50 euro is gewoon een tarief dat de BWD rekent voor een uur jongerenwerk. Daar zit uiteraard meer in dan alleen het brutoloon. Er zit ook een stukje bureaukosten in, evenals andere kosten die de BWD moet maken om het jongerenwerk mogelijk te maken. Als er een organisatie in de stad zou zijn die dezelfde kwaliteit voor minder geld zou leveren, zou ik het ogenblikkelijk daar kopen, maar wij hebben helaas maar één organisatie in de stad die dit werk levert.

 

In de commissie ben ik ook al ingegaan op de opmerking van de CDA-fractie over meetbare doelstellingen. Je kunt uiteraard discussiëren over de vraag of je hier nu praat over input- of uitputdoelstellingen. Wij hebben onze doelstellingen ten aanzien van het jeugd- en jongerenwerk geformuleerd in termen van aantal uren per accommodatie, per wijk. Daar hebben wij geen nultelling voor nodig, want dat weten wij. Wij weten ook dat de nota “Knopen in de wijken” ons vertrekpunt was. Daar komt nu een aantal uren bij; ook dat aantal uren kennen wij. De doelstelling wordt dus in die zin gewijzigd dat het aantal uren wordt verhoogd.

 

 

Het is een stuk lastiger om doelen te gaan formuleren in de zin van hoe gelukkig de jongeren van al dat jongerenwerk worden en al helemaal om op dat punt dingen te gaan meten. Zoals in de stukken is vermeld, zijn wij wel van plan om in het najaar een monitor op te zetten om te bekijken welk gebruik er wordt gemaakt van de verschillende aangeboden faciliteiten en hoeveel jongeren op de verschillende activiteiten af komen. Op dat punt willen wij dus wel iets meer gaan meten.

 

Dan nog de opmerking van de heer Van den Doel over de gewijzigde pagina. Die wijziging heeft eigenlijk plaatsgevonden naar aanleiding van de behandeling in de commissie. Het spijt mij dat de heer Van den Doel daar niet van op de hoogte was, maar dit is de tekst die in het stuk stond dat in de commissie voorlag. In de commissie werd geconstateerd dat in het raadsvoorstel dat ik aan de raad wilde aanbieden, een iets andere formulering van het besluit stond. Toen hebben wij afgesproken om het besluit aan te passen aan de formulering die in het commissiestuk stond. Daarmee is de commissie ook akkoord gegaan.

 

De heer MEULEMAN (STIP): Voorzitter. Wij kunnen ons goed vinden in de beantwoording van de wethouder dat er meer gemeten wordt in het jongerenbeleid en dat wij meer kunnen zien wat de graad van participatie is. Ten aanzien van de jongerenraad willen wij benadrukken dat wij deze zien als een publiekmaatschappelijke actor die onafhankelijk van de politiek zijn stem aan de politiek laat horen. Wij willen de jongerenraad niet representatiever voorstellen dan zij is. De raad en het college moeten ervoor oppassen dat zij de mening van de jongerenraad niet automatisch niet vertalen naar de mening van alle Delftse jongeren. Het is echter een club die zeker gehoord moet worden. Laten wij de andere jongeren in Delft ook niet vergeten. Als wij de mening van de Delftse jongeren willen horen, dan moeten wij breder raadplegen dan slechts de jongerenraad.

 

De heer ENGELS (CDA): Voorzitter. Wij hebben niet veel meer nieuws gehoord van de wethouder dan hetgeen in de commissievergadering naar voren is gekomen.

 

Wethouder OOSTEN: U heeft ook niets nieuws gevraagd.

 

De heer ENGELS (CDA): Wij hebben later nog over deze zaak gesproken en ook toen heb ik niet veel nieuws gehoord, althans betrekking hebbende op de nulmeting enzovoorts. Wij waren in de commissie akkoord met de uitbreiding van het jongerenwerk met 5 fte’s. Ik begrijp echter dat het plan in totaliteit moet worden gezien en wij zullen daarom tegenstemmen vanwege het eerste bolletje over de ontwikkelingsrichting van het jeugd- en jongerenwerk. Ik weet niet of ik straks nog een stemverklaring mag afleggen?

 

De VOORZITTER: Ik wijs u erop dat u niet tegen een deel van het besluit kunt stemmen. Als u het besluit aanvaardt, dan aanvaardt u het gehele besluit. U kunt wel een aantekening laten maken maar u steunt het gehele besluit als u voorstemt.

 

De heer ENGELS (CDA): In dat geval zullen wij het besluit niet steunen, maar met bloedend hart ten aanzien van het tweede en derde bolletje. Die hebben onze sympathie. Omdat het echter om het totale stuk gaat, zullen wij het niet steunen.

 

De heer VAN DEN DOEL (ChristenUnie/SGP): Voorzitter. Ik zal het voorstel niet steunen omdat ik voorstander ben van slechts een gedeelte daarvan. Ik sta voor hetzelfde dilemma als de heer Engels.

 

 

 

Het eerste en laatste bolletje kunnen op mijn steun rekenen, maar het tweede en derde niet omdat met betrekking tot de ontwikkelingsrichting van jeugd- en jongerenwerk nauwelijks doelstellingen geformuleerd zijn. Op grond daarvan wijs ik dit punt en dus het hele stuk af.

 

In stemming komt het voorstel.

 

Het voorstel wordt bij handopsteken aangenomen.

 

De VOORZITTER: Ik constateer dat de fracties van de ChristenUnie/SGP, het CDA en FRIS tegen het voorstel hebben gestemd.

 

103. Voorstel tot vaststelling van de gedragscode voor het college van burgemeester en wethouders

(Stuk 64 – 03/010477)

De collegeleden worden uitgenodigd bij de behandeling van dit punt aanwezig te zijn.

 

De heer GABELER (Leefbaar Delft): Voorzitter. Wij hebben besloten om niet deel te nemen aan de discussie. De reden krijgt u zodadelijk op schrift rondgedeeld. Wij zullen nu de zaal verlaten.

 

De VOORZITTER: Als u niet aan de beraadslaging wilt deelnemen, hoeft u de zaal niet te verlaten. Alleen als u niet wilt deelnemen aan de stemming dient u de zaal te verlaten. Het staat u natuurlijk vrij om te pauzeren.

 

De heer VONDELING (STIP): Voorzitter. Met de komst van het aangepaste stuk ziet mijn fractie al haar wensen in vervulling gaan. Ik heb daar verder niets over te zeggen. Mijn fractie stemt voor het aannemen ervan.

 

Mevrouw BOLTEN (GroenLinks): Voorzitter. Wij stemmen in met het stuk.

 

In stemming komt het voorstel.

 

Het voorstel wordt bij handopsteken aangenomen.

 

De VOORZITTER: Ik constateer dat het voorstel met algemene stemmen aanvaard is.

 

104. Voorstel tot vaststelling van de gedragscode gemeenteraad.

(Stuk 61 – 03/005142)

 

De heer VONDELING (STIP): Voorzitter. Mijn fractie gaat akkoord met de voorgestelde gedragscode en ziet graag dat het stuk snel wordt aangenomen zodat de raad zich minder naar binnen gericht van haar taak kan kwijten. De raad dreigt het contact met en het respect van de burger te verliezen. Het wordt tijd dat de raad daar wat aan doet en meer aandacht aan de rest van de stad gaat besteden. Het aanvankelijke enthousiasme voor openheid en transparantie van na de verkiezingen begint te vervagen. Overigens wil ik de status van de gedragscode niet bagatelliseren: als iets goed is, is het wat de STIP-fractie betreft klaar.

 

Mevrouw VLEKKE (PvdA): Voorzitter. Ik wil allereerst een opmerking maken over het pamfletje dat zojuist is uitgereikt omdat het in relatie staat met het agendapunt dat nu ter tafel ligt. Het pamfletje komt van Leefbaar Delft en daarin staat: “Wij vinden dat met het instellen van gedragsregels ook een verandering merkbaar moet zijn bij de raad.

 

Daarvan hebben wij de laatste tijd niets gemerkt.” Wij hebben net het optreden gezien van de fractievoorzitter van Leefbaar Delft; dat stond haaks op de opmerking die zij zelf maken in dit pamflet. Ik vind het echt een koekje van eigen deeg dat zij hier hebben neergelegd. Naar mijn mening kan dit niet.

 

Ik kom op stuk 61, de eigen gedragscode. Het wordt helaas de hoogste tijd dat wij met elkaar gedragsregels afspreken. Het optreden van de heer Stoelinga daarnet heeft dat bewezen. Ik wijs in dit verband op punt 1.2: “Een raadslid onthoudt zich van al hetgeen het aanzien van de raad schaadt.” Het feit dat hier een fractie rondloopt met T-shirts aan om een andere fractie belachelijk te maken, is een goed voorbeeld van hoe het niet hoort.

 

De heer DE WIT (FRIS): Wilt u nu zo ver gaan dat u een kledingvoorschrift voorstelt? Van mij mag de heer Stoelinga aantrekken wat hij wil.

 

Mevrouw VLEKKE (PvdA): Van mij ook, maar als hij daarop letters draagt die verwijzen naar een andere fractie vind ik dat het niet kan, niet op deze wijze. Ik heb echter het idee dat de VVD-fractie daarop terugkomt.

 

De heer DE WIT (FRIS): In de gedragscode staat dat u de heer Stoelinga daarop vooraf moet aanspreken.

 

Mevrouw VLEKKE (PvdA): Ik weet toch niet wat hij gaat aantrekken?

 

De heer DE WIT (FRIS): Hij is aanwezig geweest bij de behandeling van de eerste agendapunten maar nu hij niet aanwezig is, gaat u hem zwart maken.

 

Mevrouw VLEKKE (PvdA): Ten eerste heb ik de heer Stoelinga niet gevraagd of hij de zaal wilde verlaten. Ten tweede is deze raadsvergadering nog niet voorbij.

 

Ik wil nu verder gaan met de artikelnummers van de gedragscode. Ik zoem daarbij met name in op de artikelen 5 en 10. De artikelen 5.1 en 5.2 zijn recentelijk aangepast. Sommige leden van mijn fractie vinden de eerdere versie een betere weergave van hetgeen wij beoogden. Wij zijn bang dat het handhaven van 5.1 tot gevolg heeft dat wij vaak bij elkaar moeten komen om ervoor te zorgen dat alles goed loopt. Dat is jammer, maar wij willen toch afwachten hoe dit punt in de komende periode zal uitwerken. Wij zullen dit punt daarom overnemen zoals het er staat, maar wij vragen de portefeuillehouder wel of hij bereid is om de gedragscode over een jaar tegen het licht te houden om te bezien of deze uitpakt zoals gewenst is.

 

Artikel 10 heeft geleid tot een uitgebreide discussie in mijn fractie. De leden van de PvdA-fractie denken zeer genuanceerd over dit onderdeel. In het verleden is afgesproken dat raadsleden in een beroep- en bezwaarcommissie zitting kunnen nemen met name omdat zij op die manier goed kunnen zien hoe vastgesteld beleid uitwerkt in de praktijk. Dat is een goede reden. Als je verbiedt dat raadsleden aan de andere kant zitten, dan moet je ook zeggen dat raadsleden niet aan de kant van de gemeente mogen zitten. Of alle twee wel of alle twee niet. Daarbij speelt ook de vraag: zitten wij met de bezwaarschriftencommissie in de heroverweging van een besluit of gaat het om het begin van een juridisch traject? Over dit punt wordt in ieder geval binnen mijn fractie verschillend gedacht. Ik laat het daar nu even bij.

 

 

 

De heer VAN TONGEREN (CDA): Voorzitter. De gedragscode waarover wij vanavond besluiten, ligt onze fractie minder zwaar op de maag dan de vorige versie, die naar ons idee van alle raadsleden brave grijze muizen leek te willen maken. Er lijkt nu wat meer ruimte te zijn voor een politiek profiel en voor een persoonlijke stijl. Toch zijn wij nog niet op alle punten even gelukkig. Onze kanttekeningen richten zich vooral op artikel 5 en 10 en op het sanctie-instrumentarium.

 

Artikel 5 gaat over meningsuitingen. In onze ogen is dat artikel ten opzichte van de vorige versie wel wat opgeknapt, maar toch nog tamelijk dirigistisch. Wij kunnen ons bijvoorbeeld bij artikel 5.4 weinig voorstellen. Daarin staat dat naderhand onjuist gebleken beweringen door het betrokken raadslid publiekelijk worden gerectificeerd. Dat is wel erg ruim en vaag want niet elke onjuist gebleken bewering is even relevant en komt voor deze behandeling in aanmerking. Wij hebben ook geen goed beeld van de uitvoering hiervan. Moeten wij ons voorstellen dat bij elke commissievergadering een nieuw vast punt "rectificatie van onjuistheden van de afgelopen weken” wordt ingevoerd waarbij iedereen publiekelijk te biecht gaat? Wij begrijpen en onderschrijven de intentie maar wij kunnen ons niets voorstellen bij de uitwerking van dit artikel.

 

In artikel 10 staat dat een raadslid inwoners niet meer mag helpen bij een procedure waar de commissie voor beroep en bezwaarschriften aan de orde is. Wij vinden dat een onnodige en ongewenste inperking…

 

De VOORZITTER: Er staat niet “niet helpen”.

 

De heer VAN TONGEREN (CDA): Nee, er staat “optreden”. Ik zal het even rectificeren.

 

De VOORZITTER: Dat hoeft nog niet.

 

De heer VAN TONGEREN (CDA): Ik heb al een idee van de wijze waarop de stemming zal verlopen. In artikel 10 staat dat een raadslid niet meer mag optreden bij een procedure in een commissie voor beroep of bezwaarschriften. Wij vinden dat een onnodige en ongewenste inperking van de rol van raadsleden. De eerste reden daarvoor ligt in de inhoud en strekking van de Algemene wet bestuursrecht, de tweede reden ligt in onze opvatting over de rol van raadsleden als volksvertegenwoordiger. De Algemene wet bestuursrecht zegt naar ons idee dat de fase waarin bezwaren worden ingediend nog steeds onderdeel vormt van het besluitvormingsproces. Een eerder genomen besluit wordt in dit geval door B&W heroverwogen en zij maken daarbij gebruik van het advies van een adviescommissie. Ook al ziet het in de vormgeving eruit als een rechtszaak, het is het niet. Het is het heroverwegen van een besluit door hetzelfde orgaan dat het besluit heeft genomen. Raadsleden kunnen daar een rol in blijven spelen. Er is geen sprake van strijdigheid met artikel 15 van de Gemeentewet. De CDA-fractie vindt het onverstandig om een verschil van mening tussen inwoner en gemeente, dat de vorm van een bezwaarschrift heeft gekregen, gelijk te stellen aan een juridische procedure en in lijn daarmee raadsleden te verbieden zich daarmee te bemoeien. Het bestuur wordt hiermee in de ogen van mijn fractie onnodig gejuridificeerd.

 

De tweede reden ligt in onze opvatting over de rol van raadsleden als volksvertegenwoordiger. Wij maken het allemaal mee: inwoners zijn het zo nu en dan niet eens met een beslissing van de gemeente. Een aantal van hen vraagt dan aan raadsleden de weg in het woud van de procedures. In sommige gevallen leidt een en ander tot een bezwaarschrift. Het kan zijn dat een raadslid een inwoner daarin bijstaat.

 

 

Naar onze mening gaat het de kloof tussen en inwoners en politiek onnodig vergroten als raadsleden met elkaar afspreken dat op dat soort verzoeken in de toekomst niet meer wordt ingegaan. Er kan daarmee de volgende situatie ontstaan: beste inwoner, wij weten dat wij door u gekozen heeft, dat u een probleem heeft en hoe dat moet worden aangepakt, maar wij zeggen het niet.

 

De VOORZITTER: Dat staat er niet.

 

De heer VAN TONGEREN (CDA): Nee, dat is de parafrase die ik eraan geef.

 

De VOORZITTER: Wij hebben expliciet in de commissie aangegeven dat het zo niet zou gaan.

 

De heer VAN TONGEREN (CDA): Misschien kunt u even voor mij herhalen hoe het wel bedoeld is?

 

De VOORZITTER: Er staat niet dat u een burger niet mag helpen. Er staat alleen dat u niet mag optreden voor de commissie beroep en bezwaarschriften, hetgeen overigens hoogstzelden gebeurt.

 

De heer VAN TONGEREN (CDA): Dat is duidelijk.

 

De heer DE WIT (FRIS): Het is mij niet helemaal duidelijk. Wat is “optreden”?

 

De VOORZITTER: Aanwezig zijn en het woord voeren.

 

De heer DE WIT (FRIS): Alleen het woord voeren?

 

De VOORZITTER: Ja.

 

De heer DE WIT (FRIS): Optreden en het woord voeren zitten onlosmakelijk aan elkaar vast?

 

De VOORZITTER: Ja, want zolang je het woord niet voert, treedt je niet op.

 

De heer DE WIT (FRIS): Dat is dan helder voor mij.

 

De heer BOT (GroenLinks): En je mag ook nog aantrekken wat je wilt.

 

De VOORZITTER: Nog wel.

 

De heer VAN TONGEREN (CDA): Zoals u begrijpt, menen wij dat een verbod op het optreden ten behoeve van een inwoner op grond van artikel 10 van deze verordening een te verregaande inperking van de rol van raadsleden. Wij stellen daarom voor om artikel 10 van de gedragscode te laten vervallen. Wij zullen daarvoor een amendement indienen.

 

Een volgend punt betreft het sanctie-instrumentarium. Lezend wat daarover staat, hoop ik dat wij daar nooit aan toe hoeven te komen want ook hier is het vaagheid troef met een risico op willekeur. Aan het hanteren van sancties moet een procedure voor de toepassing ervan worden verbonden. Als wij die niet kunnen organiseren, moeten wij het hoofdstuk sancties laten vervallen.

 

De heer DE WIT (FRIS): Voorzitter. De raad weet hoe wij over de gedragscode denken: er zit weinig goeds in. Een van de belangrijkste zaken waar wij tegen zijn, is dat in artikel 5 over het uiten van meningsuitingen een beperking wordt gelegd. Ten aanzien van het uiten van een mening wordt gezegd: je moet het zus en zo doen. Dat is een beperking, hetgeen in onze ogen in strijd is met de Grondwet. De meerderheid in de raad gaat straks aan de minderheid, die wij zijn, voorschrijven wat al dan niet als mening geuit mag worden.

 

De heer VAN DEN DOEL (ChristenUnie/SGP): Nee, nee, nee, u mag wel uw mening geven. U mag ronduit voor uw mening uitkomen. U moet niet zeggen dat u uw mening niet mag uiten.

 

De heer DE WIT (FRIS): Ik zeg dat er beperkingen worden gelegd op het uiten van een mening. Mijn toonzetting mag niet meer persoonlijk grievend zijn.

 

De heer VAN DEN DOEL (ChristenUnie/SGP): Dat is heel logisch hoor.

 

De heer DE WIT (FRIS): Dat vindt u.

 

De VOORZITTER: Dat heeft in ieder geval niets met de Grondwet te maken.

 

De heer DE WIT (FRIS): Jawel, dat heeft het dus wel. Ook onjuiste beweringen. Wat is juist? Een mening is iets wat je vindt. Je kunt zeggen: dat is onjuist. Wij kunnen echter niet alles feitelijk onderbouwen. Dat staat hier ook: het moet feitelijk onderbouwd zijn. Het gaat er in ieder geval om dat wij menen dat wij best woorden als “asociaal” en “onleefbaar” kunnen gebruiken. “Communist” en “doordrammer” mogen ook. Iedereen weet wie wij daarmee bedoelen, maar dat geeft niet. Over artikel 1 kun je heel kort zijn: het aanzien ophouden van de raad. Als ik de krant opensla en ik lees in een grote kop dat de heer Vuijk zegt dat de raad een zinkend schip is, dan denk ik ook niet: “goh, mijnheer Vuijk houdt het aanzien van de raad op”. Dat mag van mij ook. De heer Vuijk mag dat van mij gewoon zeggen, sterker nog, wij zijn er blij mee dat hij het zegt. Met andere woorden, wij hebben hier niets aan. Wij hadden veel liever gezien dat er een gedragscode was neergelegd die fraude en corruptie tegengaat en die de transparantie verhoogt zoals bij de gedragscode van B&W. Deze code is op het lijf geschreven van een aantal mensen in deze raad. Dat wordt niet gezegd maar wel zo bedoeld. Wij vinden dat ondemocratisch want de mensen die hier zitten, zijn door de burgers van Delft gekozen. Het is niet anders.

 

De heer BOT (GroenLinks): U gaat nu wel heel ver. Wat had u op het gebied van fraude en corruptie in de gedragsregels gewild?

 

De heer DE WIT (FRIS): U heeft daar vanavond al een kleine demonstratie van gehad. Mensen komen hier zo nu en dan voor hun eigen belang op. Wij moeten dat kunnen controleren. Nevenfuncties is een begin maar transparantie van fracties een volgende stap. De FRIS-fractie heeft haar gehele financiële boekhouding op de site staan. Ik heb dat bij andere fracties nog niet ontdekt.

 

De heer VUIJK (VVD): Voorzitter. Over dit voorstel is reeds een hoop gezegd in de commissie, ook door ons. Ik wil nog kort ingaan op drie punten. Ik kan mij herinneren dat in het vorige voorstel een interessante bepaling stond die nu niet meer erin staat namelijk dat het debat op het scherpst van de snede gevoerd moet worden hier. Als die bepaling wordt bezien in het licht van de mogelijkheid tot sanctie, had het ertoe kunnen leiden dat iemand een sanctie aan zijn broek kreeg als hij een slap verhaal ophing.

 

Ik ben dus blij dat die bepaling geschrapt is. Met hetgeen nu is opgenomen over meningsuiting kan de VVD-fractie prima leven.

 

Op pagina 2 van de toelichting staat: geheim is geheim. Als geheimhouding is opgelegd, moeten raadsleden daarnaar handelen. Het is wel mogelijk dat de raad om moverende redenen geheime informatie weigert; dit kan gelden voor de raad als geheel, voor fracties en voor individuele raads- en commissieleden. Mijn vraag aan het college is: stel dat een denkbeeldige fractie in deze raad in haar betoog geheime informatie, al dan niet verkapt, gebruikt om haar standpunten toe te lichten, valt dit dan onder deze gedragscode?

 

Het volgende punt dat ik aan de orde wil stellen, betreft artikel 10. Daarvan meende ik aanvankelijk dat de lijn gevolgd moet worden dat de behandeling van bezwaren en beroepen valt onder de besluitvorming van de gemeente en als het ware te beschouwen is als een correctie daarop. In die optiek is er niet veel op tegen dat een raadslid meegaat in die behandeling. Uit het advies van de deskundigen blijkt echter dat naar modernere maatstaven gesteld moet worden dat de beroep- en bezwaarschriftenbehandeling een toeleiding is naar de rechterlijke macht.

 

De heer VAN TONGEREN (CDA): Waarom moeten wij er vanuit gaan dat elk verschil in de kern een juridisch verschil is. Wij zijn er toch voor om gewoon met elkaar zaken op te lossen en niet om elkaar weer te zien bij de rechter? Dat lijkt mij een verkeerd uitgangspunt.

 

Mevrouw VLEKKE (PvdA): Een bezwaarschriftenprocedure is echter een “noodzakelijk kwaad”, een soort voorliggende voorziening op een beroepsgang voor de rechter. Een en ander kan wel degelijk op die manier geïnterpreteerd worden.

 

De heer VAN TONGEREN (CDA): Ik mag toch hopen dat niet ieder bezwaarschrift tot een beroepschrift leidt?

 

Mevrouw VLEKKE (PvdA): Maar zonder bezwaarschrift ook geen beroepschrift.

 

De VOORZITTER: Daarom is het ook een goede voorliggende voorziening. Het woord is aan de heer Vuijk.

 

De heer VUIJK (VVD): Mijn achtergrond is zowel juridisch als bestuurskundig. Als bestuurskundige ben ik het eens met de heer Van Tongeren en als jurist meen ik dat het om een toegang naar de rechterlijke macht gaat. Als zodanig hebben wij als fractie gemeend dat de bepaling in artikel 10.1 een goede is.

 

De heer MEULEMAN (Stadsbelangen): Voorzitter. In de commissievergadering heeft mijn fractie zich al akkoord verklaard met het voorstel. Toch hebben wij behoefte aan het ingaan op het opnemen van artikel 10 van de gedragscode. Wij zijn het daarmee eens. In het advies ten aanzien van artikel 15 van de Gemeentewet gaf prof. Van der Vlies aan dat het optreden als adviseur of gemachtigde bij de bezwaarcommissie mede afhankelijk is van de visie op de bezwaarprocedure en, en nu komt het, dat dit in hoge mate door de jurisprudentie wordt bepaald. Stadsbelangen meent dat door het regelen in deze gedragscode dat een raadslid niet optreedt ten behoeve van een beroep- of bezwaarmaker in de commissie, beroep en bezwaar onnodige discussies in de toekomst worden voorkomen. Als de raad deze gedragscode aanneemt, is het voor iedereen helder en duidelijk en kan de raad zich met echte zaken bezig houden.

 

 

Bovendien beoordeelt de commissie beroep en bezwaar in feite aan de hand van het ingediende bezwaar en beroep of de uitvoering van besluiten die de raad heeft genomen door de gemeentelijke organisatie op de juiste wijze wordt gedaan. Als blijkt dat er sprake is van hiaten, want de commissie rapporteert ook aan de raad, dan staat het de raad vrij om wijzigingen aan te brengen, voortvloeiend uit de verkregen informatie. Op basis daarvan menen wij dat artikel 10 terecht in de gedragscode is opgenomen.

 

Ik wil nog een opmerking maken in reactie op de woorden van de heer De Wit dat het om een beperking van de vrijheid van meningsuiting gaat. Die opvatting delen wij niet. Wij vinden dat deze bepaling gezien moet worden in het licht van het discussiëren met elkaar binnen de grenzen van de fatsoensnormen.

 

Mevrouw BOLTEN (GroenLinks): Voorzitter. Kortheidshalve verwijs ik naar mijn bijdrage in de commissie over artikel 10. Wij staan daar achter. Naar aanleiding van artikel 4.2 verzoek ik om een schorsing. Voor het overige gaan wij akkoord met de gedragscode.

 

De vergadering wordt van 22.16 uur tot 22.39 uur geschorst.

 

Mevrouw BOLTEN (GroenLinks): Voorzitter. Voor de fractie van GroenLinks is het belangrijk om helder te krijgen hoe hetgeen vanavond gebeurd is zich verhoudt tot de gedragscode die wij straks aannemen. Aan het begin van de avond heeft de heer Stoelinga willens en wetens de geheimhouding geschonden van een stuk waarin financiële informatie staat. Daarmee heeft hij de onderhandelingspositie van het college geschaad. Wij gaan nu een gedragscode aannemen waarin staat dat wij zorgvuldig zullen omgaan met informatie waarover wij uit hoofde van ons ambt beschikken en wij geen informatie verstrekken waaromtrent geheimhouding is opgelegd. Als wij deze gedragscode aannemen, en ik zou dat toejuichen, dan moeten wij ook onszelf serieus nemen. Als wij aan het begin van de avond met zijn allen zeggen dat er geheimhouding ligt op een stuk, met twee stemmen tegen, en die informatie vervolgens toch door iemand naar buiten wordt gebracht, dan getuigt dat niet van respect voor de raad. Ik heb om een schorsing gevraagd omdat ik mijn gedachten daarover lang moest laten gaan en ook anderen die daar verstand van hebben wilde raadplegen. Ik ben gekomen tot een motie die zodadelijk wordt rondgedeeld. Als deze motie wordt verworpen, heb ik geen zin meer om een gedragscode aan te nemen want dan nemen wij onszelf niet serieus. Dat is echter mijn persoonlijke mening. Ik dien de motie in namens alle coalitiepartijen.

 

De VOORZITTER: Namens de fracties van GroenLinks, STIP, de PvdA, de VVD en D66 wordt de volgende motie (M-I) voorgesteld:

 

“De gemeenteraad van Delft, in vergadering bijeen op 22 mei 2003,

 

overwegende:

- dat de gemeenteraad besloten heeft, de vermoedelijke kosten van een eventuele

   aankoop van een woonboot te blijven geheimhouden;

 

- dat de heer Stoelinga deze geheimhouding willens en wetens geschonden heeft;

 

- dat de heer Stoelinga hiermee een raadsbesluit naast zich heeft neergelegd;

 

draagt het college op, te onderzoeken welke maatregelen passend zijn en zo mogelijk stappen te ondernemen tegen de heer Stoelinga,

 

en gaat over tot de orde van de dag.”

 

De VOORZITTER: Ik zal de opmerkingen die gemaakt zijn langslopen in mijn beantwoording. De heer De Wit meent dat deze gedragscode het hem onmogelijk maakt om als raadslid te functioneren. Hij betrok daarbij zelfs de stelling dat deze gedragscode daarmee in strijd is met de Grondwet. Ik moet hem daarin ernstig ongelijk geven. Opvattingen over de wijze waarop zaken in elkaar steken en het in normaal spraakgebruik aankijken tegen het gedrag van collega-raadsleden wordt door deze gedragscode absoluut niet gehinderd. Met de gedragscode worden zaken omtrent belangenverstrengeling, het niet-transparant zijn van nevenfuncties, het aannemen van geschenken, het gebruiken van voorzieningen van de gemeente, uitgaven en declaraties en reizen en werkbezoeken geregeld. Ik kan niet anders dan de opmerking van de heer De Wit beperken tot hetgeen met name staat in artikel 5. Daarin staat dat iemand gewoon zijn fatsoen moet houden. Dat wil niet zeggen dat hij zijn opvattingen achter zijn lippen moet houden, maar dat die opvattingen in ieder geval niet worden geuit in beledigende, lasterende of leugenachtige bewoordingen. Als de heer De Wit denkt dat de Grondwet dat soort gedrag beschermt, heeft hij weinig van de Grondwet begrepen.

 

Mevrouw Vlekke heeft gevraagd of deze gedragscode over een jaar zou kunnen worden geëvalueerd. Gelet op de discussie die wij hier in het afgelopen halfjaar over hebben gehad, lijkt het mij verstandig om de gedragscode in ieder geval in 2004 eens tegen het licht te houden. Mijn voorstel zou zijn om de gedragscode na een jaar te gaan evalueren. Als de gedragscode na een jaar al geëvalueerd moet zijn, is zij immers slechts een halfjaar in werking geweest. Iedereen die zich veel zorgen over dit stuk maakt, wijs ik er ook nog maar eens op dat in een normaal functionerende raad een beroep op deze gedragscode in het algemeen niet aan de orde is. Ik ben nog niet zo heel lang burgemeester van Delft, maar ik ben wel langer werkzaam in gemeentelijk Nederland. In die tijd heb ik nog niet meegemaakt dat men langs dit soort lijnen hoefde in te grijpen. Ik moet echter zeggen dat ik ook een aantal andere dingen die ik in het afgelopen jaar heb meegemaakt, in de afgelopen twintig jaar niet had meegemaakt. Wat dat betreft, keert het tij misschien; dat weet ik niet zeker.

 

De heer Van Tongeren heeft aangegeven dat de procedure hoe te handelen als de raad tot een sanctie zou willen komen, niet in het stuk beschreven wordt. Daar heeft hij gelijk in. Dat heeft te maken met het feit dat een dergelijke sanctie op nogal verschillende manieren tot stand zou kunnen worden gebracht. De sanctie wordt namelijk opgelegd door de raad en vergt dus een meerderheidsstandpunt van de raad. Dat betekent dat er een raadsvoorstel moet worden gedaan alvorens de sanctie kan worden opgelegd. Dat betekent dat al degenen die een voorstel aan de raad kunnen doen, de raad in beginsel kunnen voorstellen om een sanctie op te leggen. Eén raadslid kan daartoe een initiatiefvoorstel doen; meerdere raadsleden kunnen dat samen doen; het kan ook door het college of de burgemeester worden gedaan. Dat zijn de mensen en organen die voorstellen aan de raad kunnen doen. Als tot een dergelijk voorstel wordt gekomen, neem ik aan dat daar een proces aan voorafgaat waarin bekeken wordt of een dergelijk voorstel in de raad op een meerderheid kan rekenen. Als dat niet zo is, zou men immers meer schade dan goeds bewerkstelligen. Daarom is het heel moeilijk om deze procedure vast te leggen, afgezien van de normale procedure voor het indienen van voorstellen in deze raad. Wat de sancties betreft: uiteindelijk zal de afweging altijd in het concrete geval door de gemeenteraad plaatsvinden. Als daarvoor in deze verordening regels zouden staan, zou de heer Van Tongeren volgens mij helemaal problemen hebben met wat hij zo’n beetje het “keurslijfkarakter” van deze verordening noemde.

 

 

Het spreekt volgens mij voor zich dat het openbaar maken van informatie die kennelijk geheim is, onder het bereik van de bepalingen van deze gedragscode valt; mevrouw Bolten heeft het daarop van toepassing zijnde artikel voorgelezen. Schending van de geheimhouding kan overigens ook op grond van de Gemeentewet worden vervolgd.

 

Veel raadsleden hebben aandacht besteed aan artikel 10. Artikel 10 is het gevolg van het advies van een hooggeleerde rondom de interpretatie van artikel 15 Gemeentewet en is ook een gevolg van een debat dat in de commissie over dit voorstel heeft plaatsgevonden. De reden waarom dit artikel er uiteindelijk in is beland, is dat een meerderheid van de raadscommissie er prijs op stelde om dit te regelen. De reden die daarbij volgens mij de doorslag gaf, was dat wij ons met de commissie Beroep- en Bezwaarschriften met opzet hebben voorzien van een onafhankelijke commissie. Daarin kan weliswaar door raadsleden geparticipeerd worden, maar deze commissie is overwegend door onszelf onafhankelijk gemaakt. Wij hebben die commissie gevraagd om ons te adviseren. Het is merkwaardig om in dat adviseringsproces, waarin wij advies vragen aan die onafhankelijke commissie, de commissie zelf te vertellen wat zij ons zou moeten adviseren; dat zou je nu precies doen als je daar het woord zou voeren namens iemand die een beroep- of bezwaarprocedure is gestart. Als in de commissie op enigerlei wijze een vertegenwoordiging van de raad zou zitten, zou bovendien de situatie ontstaan dat je als het ware over de klager of bezwaarmaker heen in een bezwaarprocedure een politiek debat gaat voeren. Ook dat zou naar de burger een allermerkwaardigste figuur zijn. Ik ben het dus niet eens met de conclusie dat je, als je aan de ene kant zit, ook aan de andere kant moet zitten. Het omgekeerde is waar: als wij aan de ene kant de bereidheid hebben om in zo’n onafhankelijke commissie raadsleden of plaatsvervangende raadsleden een rol te laten spelen, kan het natuurlijk niet zo zijn dat je “dus” ook aan de andere kant mag zitten. Die conclusie kan ik niet delen.

 

Mevrouw VLEKKE (PvdA): Voorzitter. Ik wil een opmerking maken in de richting van de CDA-fractie. Deze gedragscode zou je kunnen zien als een soort vastlegging van de normen die wij binnen deze gemeenteraad willen hanteren voor ons gedrag ten opzichte van elkaar en ten opzichte van de samenleving. Volgens mij is het CDA een partij van normen en waarden. Als je de afgelopen tijd althans een beetje goed hebt geluisterd, is het CDA de “normen en waarden”-partij.

 

De heer VAN TONGEREN (CDA): Wij zeggen dat wij op dat punt niet de enige partij zijn, omdat ook andere partijen hun waarden en normen hebben. U maakt het nu zeer absoluut.

 

Mevrouw VLEKKE (PvdA): Ik heb niet gezegd dat het CDA op dat punt de enige partij is. Fatsoen maakt een belangrijk deel uit van die normen en waarden. Dit leggen wij hier ook vast.

 

De heer DE WIT (FRIS): U hebt het over fatsoen, normen en waarden. CDA-leden hanteren de normen die voorgeschreven zijn door hun geloof; daar kan ik mij iets bij voorstellen, maar FRIS heeft bijvoorbeeld de normen en waarden van de straat. Kunt u zich daar iets bij voorstellen? Volgens mij kent u die immers niet.

 

Mevrouw VLEKKE (PvdA): Juist omdat iedereen er verschillende normen en waarden op nahoudt, is het zo belangrijk dat wij hier met elkaar afspreken hoe wij die in dit huis interpreteren. U hoort mij dus niet zeggen dat ik vind dat de normen en waarden van het CDA hierin moeten worden opgenomen. Ik wijs erop dat het CDA het heeft over een “keurslijf”, terwijl het gaat om het vastleggen van normen.

 

Wij hebben deze avond een voorbeeld in de praktijk meegemaakt, maar het CDA krijgt dan koudwatervrees en slappe knieën en ondertekent een motie niet. Dat vind ik een zwaktebod van zo’n grote fractie.

 

Wat het amendement van de CDA-fractie op artikel 10 betreft: de PvdA-fractie zal over dat amendement verdeeld stemmen.

 

De heer VAN TONGEREN (CDA): Voorzitter. Ik wil reageren op een paar punten uit de tweede termijn van mevrouw Vlekke. Kennelijk weet zij al hoe wij over de motie zullen stemmen, maar daar hebben wij nog helemaal niets over gezegd. Ik vind het knap dat zij denkt in onze hoofden te kunnen kijken.

 

Mevrouw VLEKKE (PvdA): Daar hebt u volkomen gelijk in, maar u kunt toch niet ontkennen dat een gezamenlijke ondertekening van een motie sterker overkomt dan wanneer je nog twijfelt of je wel of niet dit signaal zou willen afgeven? Dat bedoelde ik, want ik hoop nog steeds dat iedereen in dit huis deze motie zal ondertekenen.

 

De heer VAN TONGEREN (CDA): Dat hopen wij ook wel eens bij een bepaalde motie, maar dat gebeurt dan toch niet. Mogen wij daar alstublieft onze eigen afweging in maken?

 

Mevrouw VLEKKE (PvdA): Natuurlijk mag u een eigen afweging maken. Het enige wat ik zeg, is dat dit contrair is aan wat u altijd beweerd hebt.

 

De heer VAN TONGEREN (CDA): Ik heb nooit beweerd dat alle moties altijd unaniem moeten worden ingediend. Het gaat nu overigens niet zozeer om het wel of niet ondertekenen van een motie en hoe wij daarover zullen stemmen. Volgens mij gaat het meer om de vraag hoe wij inhoudelijk tegen deze zaak aan kijken; ik denk dat dat voor u veel interessanter is. Ik zal dus een poging wagen om dat op een rijtje te zetten. De gemeenteraad heeft bij een bepaald agendapunt besloten om de geheimhouding van bepaalde vertrouwelijk verstrekte informatie in stand te houden; vervolgens zou je kunnen constateren – maar vanaf dat moment wordt het heel erg ingewikkeld – dat de heer Stoelinga mogelijk mogelijke toespelingen heeft gemaakt op dingen die mogelijk in dat stuk staan, maar dat weet ik allemaal niet precies.

 

De heer BOT (GroenLinks): Dan moet u mogelijk beter leren luisteren, mijnheer Van Tongeren.

 

De heer VAN TONGEREN (CDA): Ik voel er weinig voor om nu precies te zeggen: “In dit stuk staat dat en dat en precies die punten en komma’s heeft de heer Stoelinga daaruit geciteerd”.

 

Mevrouw VLEKKE (PvdA): De manier waarop de CDA-fractie de discussie nu voert, is nou juist de reden waarom ik gevraagd heb om de gedragscode over een jaar te evalueren. Ik ben bang dat je telkens wanneer personen de gedragscode schenden – het gaat immers om de heer Stoelinga en niet om de fractie van Leefbaar Delft – dit soort discussies van “slappe knieën” krijgt.

 

De heer VAN TONGEREN (CDA): U hoeft zich over mijn knieën geen zorgen te maken; die zijn heel goed in orde. U kent mij in de raad ook als iemand die beslist geen slappe knieën heeft. Dat merkt u ook nu weer, want anders had ik gezegd: mevrouw Vlekke wil graag dat wij meestemmen; laten wij dat dan maar doen. Zo ligt het niet.

 

Laat ik nou gewoon verder gaan met wat wij ervan vinden. Er is een stuk waar geheimhouding op ligt. Je zou eventueel, misschien kunnen zeggen dat er mogelijk door een lid van deze raad eventueel toespelingen zijn gemaakt op dingen die mogelijk – maar misschien ook niet – in die brief staan. Dat weet ik niet zeker. Ik weet niet of hier een zaak in zit. Als je niet zeker weet dat je een zaak hebt, lijkt het mij heel onverstandig om de zaak zo stellig neer te zetten. Dat laat onverlet dat wij het onhandig vinden om op z’n minst de schijn te wekken dat er misschien iets gedaan wordt met geheime informatie; dat betreuren wij ook, maar wij vinden het niet nodig om daarvoor een motie met deze strekking in te dienen.

 

Mevrouw VLEKKE (PvdA): Gaat u de motie nou wel of niet steunen? Dat had u immers nog in het midden gelaten.

 

De heer VAN TONGEREN (CDA): Zoals de motie nu geformuleerd is, zullen wij haar niet steunen, maar dat wil niet zeggen dat wij niet …

 

Mevrouw VLEKKE (PvdA): Dus toch slappe knieën!

 

De heer VAN TONGEREN (CDA): Ik vind mijn knieën vrij stevig, want u doet een dringend beroep op ons, maar niettemin steun ik de motie niet.

 

Mevrouw VLEKKE (PvdA): Zo kun je het interpreteren, maar je kunt het ook zo interpreteren dat u de heer Stoelinga gewoon niet durft aan te pakken.

 

De heer VAN TONGEREN (CDA): Ik vind het heel dapper dat u dat wilt doen. Dat moet u dan vooral doen, maar ik denk dat er niemand bij gebaat is om hier op hoge toon de kop van de heer Stoelinga te gaan eisen. Ik denk dat dat contraproductief is, maar wij hebben in onze fractie wel afgesproken dat wij de heer Stoelinga ertoe oproepen om veel verstandiger met dit soort dingen om te gaan. Daar is niet alleen hijzelf, maar iedereen bij gebaat.

 

De heer MEULEMAN (Stadsbelangen): Ik vind het vrij slap dat hier een discussie over een persoon wordt gehouden op een moment waarop hij niet in deze raadszaal is.

 

Mevrouw VLEKKE (PvdA): Ik heb hem niet gevraagd om de zaal te verlaten!

 

De heer MEULEMAN (Stadsbelangen): Hij kon niet weten dat deze motie bij dit agendapunt ingediend zou worden.

 

Mevrouw VLEKKE (PvdA): De heer Stoelinga hoort ons nu praten. Als hij zou willen, kan hij dus elk ogenblik binnenkomen.

 

De heer VAN TONGEREN (CDA): Ik heb ook een formeel argument waarom de verwijzing van mevrouw Vlekke naar de gedragscode op dit punt niet juist is. Die gedragscode is nog niet vastgesteld. Het eventuele vergrijp waaraan gerefereerd wordt, heeft dus plaatsgevonden voor het vaststellen van de gedragscode. Alleen al in de volgorde der dingen lijkt het mij dus niet juist om nu te verwijzen naar de gedragscode, omdat die op dit moment nog niet is vastgesteld.

 

De heer DE WIT (FRIS): Voorzitter. U geeft mij ernstig ongelijk. Natuurlijk had ik het hoofdzakelijk over punt 5. U zegt dat leden van de raad hun fatsoen moeten houden. Ik garandeer u dat dit ook gebeurt, maar ieder heeft zijn eigen fatsoensnormen.

 

 

De VOORZITTER: Wat is dan uw bezwaar tegen de tekst van dat artikel? Vindt u dat u wel mag lasteren, liegen en beledigen?

 

De heer DE WIT (FRIS): U vindt bijvoorbeeld iets een leugen of een belediging wat wij niet als zodanig beschouwen. Dat is uw persoonlijke opvatting.

 

De VOORZITTER: Nee, het is niet mijn persoonlijke opvatting, want uiteindelijk zal de raad daarover een besluit moeten nemen.

 

De heer DE WIT (FRIS): Nou, dan is het een opvatting van de raad. Je kunt dat vinden, maar wij gebruiken bijvoorbeeld krachttermen. U kunt een krachtterm opvatten als een belediging, zoals u in het verleden hebt gedaan met het woord “verdomd”; met dat woord is echter helemaal niets mis.

 

De VOORZITTER: Nee, ik heb gezegd dat dat woord niet in de raad mag worden gebruikt.

 

De heer DE WIT (FRIS): Van ons mag dat dus wel.

 

De VOORZITTER: In de Gemeentewet staat dat u geen termen mag gebruiken die op grond van de normale woordenboeken niet in dat kader mogen worden gebruikt.

 

De heer DE WIT (FRIS): Welk woordenboek is dat dan?

 

De VOORZITTER: Bijvoorbeeld Van Dale of Koenen.

 

De heer DE WIT (FRIS): Daarin staat nergens dat je die woorden niet mag gebruiken.

 

De VOORZITTER: Daar staat “bargoens” achter en daarover gaat het.

 

De heer DE WIT (FRIS): Ik ken geen bargoens.

 

De heer BOT (GroenLinks): Volgens mij kent u dat heel goed.

 

De heer DE WIT (FRIS): Ik hoor er voor het eerst van. Ik zoek nooit iets op in het woordenboek voordat ik iets zeg. Dat is ter beoordeling van de mensen die hier zitten. Als de burgers van Delft vinden dat iets niet kan, hebben zij één middel: die mensen wegstemmen. Met andere woorden: wij hebben de indruk dat nu een politiek gereedschap wordt gemaakt om straks mogelijk fracties te gaan beschadigen met procedures om die daarmee in een kwaad daglicht te stellen. Het is dus ernstig wat hier gebeurt. De voorzitter kan wel zeggen dat ik ongelijk heb, maar wij vermoeden dat wij of andere partijen die in krachttermen en recht voor zijn raap praten, beschadigd gaan worden. Wij zullen geen ambtelijke taal uitslaan.

 

Mevrouw VLEKKE (PvdA): Bent u bang dat u een koekje van eigen deeg zult krijgen? Als ik de website van FRIS bezoek, zie ik een aantal dingen die gewoon niet waar zijn en waarmee u mensen beschadigt. U wilt niet het risico lopen om beschadigd te worden, terwijl wij dus allemaal voluit het risico lopen om door u beschadigd te worden.

 

 

 

 

 

De heer DE WIT (FRIS): Als u dat vindt, stapt u gewoon naar de rechter en kaart u dat gewoon aan via de normale wetten over smaad, leugens en laster. De raad moet zich niet met dit soort tribunaalachtige feiten gaan bezighouden. Daar hebben wij regels en wetten voor. Wij leven in een rechtstaat en niet in een raadstaat.

 

Ik moet nog iets zeggen over het amendement van de CDA-fractie; de motie heb ik nog niet gekregen. Het amendement gaat over artikel 10. Ik ga de CDA-fractie steunen, want in de memorie van toelichting van het wetsartikel staat dat je niet als professional mag optreden. Als een raadslid dus gewoon in zijn hoedanigheid van …

 

De VOORZITTER: Dit gaat niet om artikel 15.

 

De heer DE WIT (FRIS): Nee, maar dat wordt uiteindelijk wel bedoeld, want dat wordt hier aangevoerd.

 

De VOORZITTER: Nee, wij hebben vastgesteld dat dit niet onder artikel 15 valt en daarom staat het hier.

 

De heer DE WIT (FRIS): O. Wij vinden het in ieder geval overbodig, want het staat in andere wetten, zoals de Gemeentewet.

 

De VOORZITTER: Nee, daar staat dit niet.

 

De heer DE WIT (FRIS): O. Als het er niet in staat, is het dus niet nodig. Wij steunen het dus wel.

 

De heer VUIJK (VVD): Voorzitter. Voor ons ligt een door de coalitiepartijen ondertekende motie over het gedrag van de heer Stoelinga. Het verhaal had wat ons betreft nog wel wat sterker mogen zijn want ook los van de gedragscode is het duidelijk dat hetgeen vanavond gebeurd is, gewoon niet kan. De heer Stoelinga heeft vanavond wat gedaan wat hij niet had mogen doen. Voor ons is dat vrij helder. Of dat met allerlei sancties aan te pakken is, is vraag twee, maar voor ons is vrij helder dat hetgeen hij hetgeen hij gedaan heeft, niet had mogen doen. Wij stemmen in met de gedragscode.

 

De heer MEULEMAN (Stadsbelangen): Voorzitter. Ik heb in eerste termijn al gezegd wat wij van de gedragscode vinden. Het amendement van de CDA-fractie zullen wij niet steunen; ik heb uitgebreid aangegeven wat wij van artikel 10 vinden.

 

Ik blijf er grote moeite mee hebben dat wij de zaak van de heer Stoelinga bespreken in de raad zonder dat hij zich kan verdedigen. Wij zijn van mening dat je zorgvuldig moet omgaan met informatie zeker als deze geheim is. De heer Stoelinga heeft zich vanavond mogelijk ongelukkig uitgelaten. Puur feitelijk heb ik twee getallen gehoord die ik in de stukken niet heb aangetroffen. In hoeverre dat een harde zaak is, weet ik niet. Ik constateer verder dat de voorzitter onder die twee getallen een dikke streep zette. Dat de heer Stoelinga willens en wetens, zoals in de motie staat, de geheimhouding heeft geschonden durf ik niet keihard te zeggen. Ik betreur het wel dat de heer Stoelinga onvoldoende heeft nagedacht toen hij aan het woord was. Raadsleden mogen elkaar daarop aanspreken en mijn fractie wil dat ook. Hierbij hebben wij dat uitgesproken. Wij zullen de motie in deze vorm echter niet steunen.

 

 

 

 

Mevrouw BOLTEN (GroenLinks): Voorzitter. Uiteraard steunen wij de motie wel; wij hebben aan de wieg ervan gestaan. Wij dienden deze niet graag vandaag in. Welk ander raadslid dit vanavond gedaan zou hebben, zou dezelfde motie aan zijn broek gehad. De motie hangt niet op de persoon die het gedaan heeft en die nu afwezig is, maar op het doorbreken van geheimhouding die wij nog geen tien minuten daarvoor met zijn allen hadden vastgelegd.

 

De heer VUIJK (VVD): Ik wil graag vastgesteld zien dat de heer Stoelinga vrijwillig afwezig is, niet om welke andere reden dan ook. Hij heeft daar zelf voor gekozen.

 

De VOORZITTER: Ik kan voor de gemoedsrust van allen hieraan toevoegen dat hij in de commissiekamer zit te luisteren naar dit debat.

 

Mevrouw BOLTEN (GroenLinks): Ik benadruk dat ook het schenden van de geheimhouding na tien minuten of een kwartier door een ander raadslid gevolgd zou zijn door dezelfde motie. Het gaat er namelijk om dat bij het bekend maken van gegevens waarvan het voor de onderhandelingen nodig is dat ze geheim blijven, de gemeente en het publieke belang worden geschaad. Om die reden is deze motie ingediend.

 

In de commissie hebben wij reeds gezegd dat wij voor artikel 10 zijn. Ik vind het prettig dat het college voor de vergadering aan de raad een brief heeft gestuurd waarin afstand werd genomen van het eerdere standpunt ten aanzien van artikel 15 van de Gemeentewet.

 

Ten slotte verzoek ik u om de motie vóór het voorstel over de gedragscode in stemming te brengen. Ik verzoek u verder tot een hoofdelijke stemming.

 

De VOORZITTER: Ik geloof niet dat er nog veel nieuwe zaken aan de orde zijn geweest. Ik zal daarom volstaan met de reactie van het college op het amendement en de motie. Met betrekking tot het amendement heb ik reeds eerder aangegeven waarom het college het passend vond om het voorstel te doen. Ik kom daar niet weer op terug.

 

In de motie wordt het college een opdracht gegeven. Ik stel het op prijs als de indieners de regel waarin staat “te onderzoeken welke maatregelen passend zijn en zo mogelijk” te veranderen in “te onderzoeken welke maatregelen passend zijn en zo nodig”. Met de huidige tekst wordt verondersteld dat het college hoe dan ook op jacht moet gaan naar een mogelijkheid om stappen te zetten terwijl het onderzoek nog verricht moet worden. Ik wil de resultaten van het onderzoek graag een rol laten spelen bij de beslissing tot het al dan niet zetten van stappen. Het college zal informatie daarover natuurlijk terugkoppelen naar de raad. Het lijkt mij dat met de tekstwijziging een teneur uit de motie wordt gehaald.

 

Mevrouw BOLTEN (GroenLinks): Naar mijn mening voldoet uw wens aan de strekking van de motie.

 

De VOORZITTER: Het woord “mogelijk” wordt dan veranderd in “nodig”. Om het risico van een procedurele fout te vermijden, zal de stemming over de motie in beslotenheid plaatsvinden.

 

In stemming komt amendement A-II.

 

Het amendement wordt bij handopsteken verworpen.

 

 

 

De VOORZITTER: Ik constateer dat de fracties van het CDA en FRIS en mevrouw Koning voor het amendement hebben gestemd.

 

De VOORZITTER: Ik geef gelegenheid tot het afleggen van stemverklaringen over motie M-I.

 

De heer DE WIT (FRIS): Kunnen wij die in openbaarheid afleggen?

 

De VOORZITTER: Dat lijkt mij niet handig want dan kunnen wij net zo goed in openbaarheid stemmen. Als u stemverklaringen in openbaarheid wilt afleggen, moet u daarvoor een ordevoorstel doen.

 

De heer DE WIT (FRIS): Ik wil in het openbaar kunnen aangeven hoe FRIS over de motie denkt.

 

De VOORZITTER: Dat begrijp ik.

 

De heer VAN DEN DOEL (ChristenUnie/SGP): Een aantal fracties heeft natuurlijk al in openbaarheid zijn mening over de motie gegeven. In de lijn daarvan past het dat de fracties die daarvoor geen gelegenheid hebben gehad, alsnog hun mening in openbaarheid aangeven. De uiteindelijke stemming kan achter gesloten deuren plaatsvinden.

 

De VOORZITTER: Dat is een aanvaardbare route. De heer De Wit krijgt dus zijn zin zonder het ordevoorstel in stemming te brengen. De stemverklaringen zullen publiekelijk worden afgelegd.

 

De heer DE WIT (FRIS): Voorzitter. Wij zullen de motie niet steunen omdat wij haar overbodig vinden. Het is de taak van de voorzitter om de orde te bewaken. Dit punt valt onder de orde. Het is uw taak om te bepalen wat u met de zaak doet. Het is niet aan de raad om als politiek tribunaal de toon te zetten van uw handelen.

 

De heer VAN DEN DOEL (ChristenUnie/SGP): Voorzitter. Ik zal deze motie ook niet steunen. Ik volg de argumentatie van de heer Meuleman van Stadsbelangen. Ik betwijfel daarbij de juridische hardheid van het tweede en derde bolletje. Ook op grond van die twijfels wijs ik die motie af.

 

Mevrouw KONING (PvdA): Voorzitter. Ik zal de motie steunen. Ik heb net als anderen wel gedacht: kan dit woord niet anders of is die zin wel zo handig? Ik begrijp echter heel goed dat deze motie geschreven is voor het draagvlak. Het gaat niet om draagvlak in juridische zin, om alles op een heel correcte manier, zodat aan iedereen tegemoetgekomen wordt, dicht te timmeren, maar om draagvlak in de zin dat als wij een afspraak met elkaar maken, wij elkaar ook durven aan te spreken op het schenden van die afspraak. Om die reden zal ik voor het aannemen van de motie stemmen.

 

De VOORZITTER: Het wordt een beetje een papieren actie maar wij gaan toch in beslotenheid stemmen. Ik verklaar de vergadering voor besloten en verzoek het publiek en de pers om de zaal te verlaten. Ambtenaren kunnen blijven want die zijn aan geheimhouding gebonden, maar niet-ambtenaren moeten eruit.

 

 

BESLOTEN GEDEELTE

 

 

In stemming komt het voorstel.

 

De VOORZITTER: Ik geef gelegenheid tot het afleggen van stemverklaringen.

 

Mevrouw KONING (PvdA): Voorzitter. Ik erken dat wat de een als spotprent bedoelt door de ander als belediging kan worden opgevat en er om die reden nogal wat discussie kan ontstaan rond de gedragscode. Toch stem ik voor het voorstel omdat ik meen dat wij beter deze code kunnen hebben dan geen gedragscode.

 

Mevrouw BOLTEN (GroenLinks): Voorzitter. Naar aanleiding van de stemmingsuitslag van de motie stemt mijn fractie unaniem voor het aannemen van de gedragscode.

 

De VOORZITTER: In de richting van de fractie van Leefbaar Delft geef ik aan dat als zij niet over de gedragscode wil stemmen, zij de zaal nu moet verlaten.

 

De heer VUIJK (VVD): Voorzitter. Wij zien nu toch dat het besturen van een stad moeilijker is dan het lijkt. Om te besturen moet je ja of nee durven te zeggen tegen een voorstel.

 

Het voorstel wordt bij handopsteken aangenomen.

 

De VOORZITTER: Ik constateer dat de fractie van FRIS tegen het voorstel heeft gestemd.

 

105. Voorstel tot vaststelling van de wijziging in de Algemene subsidieverordening gemeente Delft 2002.

(Stuk 75 – 03/011346)

 

De heer GABELER (Leefbaar Delft): Voorzitter. Het is eigenlijk een stemverklaring. De reden dat ik hierover het woord neem is om aan het college en de raad mee te geven niet te zuinig te zijn met het verstrekken van subsidies voor een langere periode. Zoals bij de behandeling van het programma Integraal jeugd- en jongerenbeleid reeds aangegeven, zou het iedereen ten goede komen als niet elk jaar alle subsidieprocedures opnieuw doorlopen zouden worden. Biedt organisaties de mogelijkheid om zelf een plan op te stellen. De gemeente kan hen daar vervolgens aan houden. Meer meting van daadwerkelijke prestaties en alleen kijken wat een organisatie volgend jaar kan krijgen. Tot nu toe moeten alle organisaties elk jaar weer bedelen en methodes verzinnen om hun stuivers bijeen te schrapen. Dit betoog was ook in de commissie Extern te horen van de Stichting Maatzorg en hetzelfde hebben wij vernomen van de OGD. Wij zullen hierop zeker terugkomen in de volgende commissievergadering.

 

Het voorstel wordt zonder stemming aangenomen.

 

106. Afscheid mevrouw Koop

 

De VOORZITTER: Manita Koop is sinds september 1988 lid van deze raad en behoort dus tot de oude garde in deze raad, althans wat de anciënniteit van het raadslidmaatschap betreft, want niet zelden heeft zij vanwege haar presentatie van velen complimenten voor haar verzorgde en jeugdige uitstraling gekregen. Zij heeft in die vijftien jaar raadslidmaatschap veel zaken gedaan die andere raadsleden in een groot aantal gevallen pas sinds kort doen, maar die zij al vijftien jaar heeft gedaan als bijdrage aan het bestuur van deze stad.

 

 

Zij is lid geweest van de commissie Veiligheid en Wonen, een subcommissie Wonen, de commissie Middelen en Bestuur, de commissie Duurzaamheid, de commissie CKE en de commissie Extern. Zij was lid van het algemeen bestuur van het stadsgewest Haaglanden, lid van het algemeen bestuur Midden-Delfland, lid van de Klachtencommissie Woonruimteverdeling, lid van de commissie voor de Beroep- en Bezwaarschriften Kamer I. Behalve deze aan het raadslidmaatschap verbonden functies heeft zij zich ook in de stad altijd zeer actief betoond in allerlei gremia, organisaties en besturen. Zij was lid van de raad van toezicht van de VVV, voorzitter van het dagelijks bestuur van de Nederlandse Maatschappij voor Nijverheid en Handel, adviseur van het dagelijks bestuur van het CDAV, plaatsvervangend lid van de partijraad van haar partij, lid van het bestuur van de Business Club van Theater De Veste en lid van het dagelijks bestuur van de Willem Felsstichting. Kortom, zij is iemand die haar sporen in de stad heeft verdiend en haar bijdrage heeft geleverd.

 

Na die bijna vijftien jaar gaat zij nu weg. Zij voelt zich geroepen om statenlid te worden. Daarvan wil ik wel iets zeggen. Ik snap eerlijk gezegd niet hoe iemand die stap kan ambiëren als je in het lokale bestuur mag functioneren, want dat is natuurlijk veel leuker. Je hebt dat ook vijftien jaar volgehouden; je vond het ook zelf dus heel leuk. Aan de andere kant moeten wij erkennen dat, als je dat vijftien jaar gedaan hebt, het natuurlijk goed is om je kwaliteiten op andere bestuurlijke niveaus te laten zien. Als je dan toch naar de provincie Zuid-Holland gaat, kunnen wij daar tegelijkertijd als gemeentelijke organisatie en als bestuur van deze stad blij mee zijn, want wij kunnen daar, in dat voor ons soms moeilijk te doorgronden orgaan, nauwelijks voldoende support hebben. Ik hoop dus van harte, Manita, dat wij – het college, maar naar ik aanneem ook ieder raadslid – een beroep op jou mogen doen als dat nodig is voor het welzijn van deze stad. Jou kennende als iemand die midden in de samenleving staat, kan dat ook haast niet anders. Ik ben ervan overtuigd dat jij voldoende Delfts bent om ons dan van dienst te zijn.

 

Als je vijftien jaar raadslid bent en dan weggaat, is het gebruikelijk dat dat wordt bedacht met een koninklijke onderscheiding. Dat gebeurt vanavond desalniettemin niet. Ik moet die regel uitleggen, want anders wekt dit misschien verwarring. Als iemand in een volksvertegenwoordigende functie blijft – en Manita Koop doet dat – is het toekennen van een dergelijke onderscheiding pas aan de orde wanneer het volksvertegenwoordigingschap volledig ten einde is gekomen. Wij zullen er zorg voor dragen dat men bij de provincie weet hoe lang je hier goed bezig was, zodat op dit punt niets wordt vergeten wanneer je daar weggaat. De koningin wil dus blijkbaar nog niet, maar wij wel, want:

 

“De raad van de gemeente Delft;

 

gezien het voorstel van burgemeester en wethouders;

 

overwegende dat mevrouw M.E.H. Koop sinds 1 september 1988 lid van de gemeenteraad is;

 

dat zij met ingang van 26 juni 2003 het raadslidmaatschap neerlegt;

 

dat zij steeds met grote toewijding en deskundigheid de belangen van de gemeente en haar inwoners heeft behartigd en zich daardoor zeer verdienstelijk heeft gemaakt voor de stad Delft;

 

 

 

dat er daarom alle aanleiding bestaat om haar van de grote waardering en erkentelijkheid voor hetgeen zij in het belang van de stad en haar inwoners heeft verricht, te laten blijken;

 

gelet op de bepalingen van de Verordening betreffende het toekennen van erepenningen der gemeente Delft en van gemeentepenningen:

 

besluit:

 

aan mevrouw M.E.H. Koop bij de beëindiging van haar raadslidmaatschap de erepenning van de gemeente Delft toe te kennen”.

 

Manita, ik vraag je om naar voren te komen, zodat ik je de erepenning kan opspelden.

 

APPLAUS

 

De VOORZITTER: Daarbij hoort een oorkonde, een mooi doosje, een houdertje en natuurlijk het bord, ons vaste aandenken in Delfts blauw.

 

APPLAUS

 

Mevrouw KOOP: Mijnheer de voorzitter, geachte aanwezigen, vrienden en vriendinnen in de raad, zo’n mooie onderscheiding is natuurlijk veel eervoller en leuker dan een decoratie die eigenlijk automatisch op je revers belandt. Ik ben er dan ook erg trots op en ik dank u allen voor het feit dat u mij deze oorkonde heeft gegund. Die is echt heel mooi, dank u wel.

 

Meestal komt bedanken aan het eind van een verhaal, maar ik wil ermee beginnen. Ik dank alle mensen in Delft en omstreken die mij hebben voorzien van informatie, steun, advies en inzet. Heel veel mensen hebben mij de laatste tijd gebeld, geschreven en gemaild. Ik dank vooral de mensen die zich inzetten voor de stad; ik vind de manier waarop zij inhoud geven aan betrokkenheid geweldig. Ik dank verder veel CDA-leden voor hun uitdagende discussies en inzet - een aantal zit op de publieke tribune en één is zelfs bekend als oud-raadslid - de bodes, die ons bij nacht en ontij hebben bijgestaan en misschien wel eens hebben gedacht: wanneer houdt dat geleuter op? Ik dank de ambtenaren, in het bijzonder degenen voor wie ik enorm veel respect heb gekregen vanwege loyaliteit, kennis, inzet, eerlijkheid en werklust, de pers die altijd contentieus hoor en wederhoor toepaste - mocht u nog geen abonnement hebben op de Delftsche Courant, dan kan ik dat van harte aanbevelen - de leden van de raad, de kiezer, de oud-raadsleden, familie, vrienden van binnen en buiten op de publieke tribune en de voorzitter, die ook buiten zijn wettelijke taken heel veel voor Delft en de raad betekent.

 

“Er hoeft helemaal geen weg te komen door Midden-Delfland” hoorde ik vanaf de publieke tribune halverwege de jaren tachtig wethouder Ton Jacobs zeggen, “want als ik op de kaart kijk, loopt er al een weg van De Lier naar Delft.” Ik was verbaasd. Zo bedrijf je toch geen politiek! Op papier rijden geen auto’s dwars door dorpskernen, hoor je geen lawaai en de uitlaatgassen blijven voor de kaartlezer verborgen. Je behoort ter plekke te kijken en geen genoegen te nemen met een dossier alleen. Ik besloot mij ermee te gaan bemoeien, actief te worden binnen het CDA en kreeg een reserveplek op de kandidatenlijst voor de verkiezingen van 1986. Nummer twaalf was op een fractie van toen nog tien mensen niet slecht. Het was een leerzame periode. Ik was veruit de jongste en kreeg de schijnbaar fraaie functie van fractiesecretaris, maar die naam was te veel eer; fractieslaaf was beter op zijn plaats.

 

 

Er is overigens niets mis mee om in die rol kopietjes te draaien, notulen te maken, vergaderingen bij te wonen zonder echt iets te mogen zeggen, enveloppen in te steken, postzegels te plakken en brievenbussen na te lopen. Dat hoorde en hoort er gewoon bij. Politiek is immers een dienend ambt. Plotseling leek het tij te keren in de zomer van 1988; de toenmalige vergrijzing betekende dat er opeens vrij vlot doorstroming was in de fractie en na het afscheid van wijlen Jan van Winden en wijlen Jan van der Velde mocht ik echt aan de slag. Het leek mij wel wat, want ik kon eindelijk wat doen, dacht ik.

 

Op de hoek van de Broerhuisstraat en de Beestenmarkt botste ik die zomer tegen Jan Valkenburg op. “Hai” zei de slager en priemde zowel met zijn blik als zijn wijsvinger bijna dwars door mij heen. “Leuk dat je de raad in gaat. En jij gaat zorgen dat die parkeergarage onder de Markt er komt.” Dat leek mij nou eens een mooie uitdaging. Het zou goed zijn voor de historische binnenstad, de bewoners, de werkers en de bezoekers. Ik vond dat ik er iets aan moest gaan doen. Het moest toch lukken, dacht ik, want de raad van toen beschikte over aimabele mensen met respect, humor en betrokkenheid. Goede dingen realiseren, met elkaar, want iedereen ging toch voor de stad Delft. In de krant stonden zaken over een autoluwe binnenstad, het wel of niet naar Delft komen van IKEA en de bezwaren van de ondernemers, de migrantenraad en de verplaatsing van Ring Pass, De Hoornse Kwadrant, de grondruil met Schipluiden, de exploitatie van het Waagtheater, wel of geen airco in het nieuwe stadskantoor, het Jazzfestival, het verdwijnen van de antiekbeurs uit Delft, de restauratie van de kerktoren op de Markt, de privatisering van Centraal Woningbeheer, de verhuizing van voetbalclubs naar het Tanthof, de Vak en tramlijn 1. Ik mocht mij vanaf dat moment bezighouden met volkshuisvesting en sport en later met stadsontwikkeling. Wij werkten toen met Jan Bart Mandos - let op: u zult binnenkort nog veel van hem horen - en Edith Bijleveldt aan een nieuw model voor de woonruimteverdeling: van aanbod- naar vraaggestuurd, een model dat nu inmiddels haast overal is overgenomen.

 

Veel andere onderwerpen passeerden de agenda’s: Samen naar school, Onderwijs in Allochtone Levende Talen - toen al - Zuidpoort, de profielschets van de nieuwe burgemeester, 750 jaar Delft, de bouw van een nieuw theater, de bouw van de parkeergarage aan de Phoenixstraat die door procedures na de ING werd neergezet, zodat alle materialen met een kraan over de bank heen getild moesten worden. Een garage die overigens dankzij de inzet van betrokken omwonende geheel ondergronds is, de keuze voor partners in een stadsregio - had wat mij betreft best Westland en Oostland mogen zijn, met Delft als centrum van het Zuid-Hollands glasdistrict - de redding van het Kruithuis dankzij de inzet van vele betrokken vrijwilligers, de omvorming van gemeentepolitie naar regiopolitie, de afronding van de reconstructie Midden-Delfland, de verbetering van de relatie met Schipluiden, de ontwikkeling van het TU-gebied, de Harnaschpolder, opvang dak- en thuislozen, de sociale dienst, het RIS - in sommige kringen Raadsinformatiesysteem, in andere Runderinformatiesysteem - kortom, er is heel veel gebeurd.

 

Raadswerk, hoe lang je er ook in zit, blijft steeds verrassend omdat de onderwerpen wisselen en de mensen binnen, maar vooral buiten het stadhuis het boeiend houden. Opvallend is dat in al deze heftige discussies de sfeer buiten de vergaderingen om goed was. Er was ruimte voor persoonlijk contact, dwars door de politieke partijen heen, maar ook in de discussie in het café werd aandachtig naar elkaar geluisterd. Er ontstonden ideeën, bijvoorbeeld om de toeristenbussen van de Markt te halen.

 

 

 

 

 

Na de verkiezingen veranderde de raad steeds en het bleef elke keer weer een uitdaging. Ik hoorde veel in de stad, sprak vrijwel dagelijks met bewoners en werkers en door mijn werk en nevenfuncties had ik het genoegen ook met de andere kant van het beleid geconfronteerd te worden. Daarom vind ik nevenfuncties belangrijk. Ik vind dat als iemand volksvertegenwoordiger is, hij of zij toch een aantal zaken naast het raadswerk moet doen om actief en passief op de hoogte te blijven van wat er leeft. Dan geef je ook inhoud aan je betrokkenheid en ben je gedwongen je niet uitsluitend te laten leiden door dossiers en je eveneens steeds te verantwoorden voor je keuzes. Want, met alle respect voor de opstellers van de stukken: de echte dilemma’s worden pas zichtbaar en voelbaar in gesprekken met mensen. Als je het dan hebt over hoogtepunten uit de politieke loopbaan, dan zit hem dat vooral in het contact met de mensen. Per slot van rekening hoor je, althans dat geldt voor mij persoonlijk, als volksvertegenwoordiger daaruit je inspiratie te halen. Dan merk je ook dat heel veel Delftenaren betrokken zijn bij hun omgeving: Corine Schot bij de Olofsbuurt en Westerkwartier, Lex Haak bij de kerk, het Kruithuis en het ondergronds parkeren, Leo Roos bij zijn buren, Ans van Leur bij Vluchtelingen, Ton Boon bij de ontwikkeling van Zuidpoort, Ted van den Akker bij de Delftse sport, Leo Vijverberg bij vrijwel alles, Kees van der Meer bij de ouderen, Jan van Daalen bij de ondernemers, Reinout Roemer bij de Kerk, Len achter de bar van de atletiekvereniging, Hans Ligtenberg bij kinderen en drugs, en nog honderden mensen die ik hier niet noem maar die ons raadsleden inspireerden, van informatie voorzagen en zich inzetten voor de belangen van anderen.

 

Als raadslid moet je openstaan voor de deskundigheid van deze mensen en deze toetsen aan de eigen uitgangspunten en die van de partij. Met deze uitspraak kom ik op de werkwijze van de raad en haar leden; ik kan er natuurlijk niet omheen. Wil heeft daar ook het nodige over gezegd bij haar afscheid op 3 oktober 2002. De laatste tijd valt er veel te lezen en te horen over het functioneren van de gemeenteraad. Vanavond hebben wij weer het nodige gezien. Bovendien ben ik veel benaderd door mensen van binnen en buiten Delft die schamperden over alles wat zich hier in dit huis afspeelt. Ik zal niet alle kwalificaties hier citeren omdat ik dat niet gepast vind, maar de opmerking “Het gaat daar aan de ZuidHollandlaan vast minder provinciaals dan in Delft” wil ik u niet onthouden. Het bestuurlijk imago van Delft, beste mensen, is beneden peil. Ik schaam mij er eigenlijk voor en dat wil ik niet. Delft verdient meer en u eveneens. Ik ben het dan ook niet eens met de opmerking van Ronald Vuijk dat de Delftse gemeenteraad een zinkend schip is; meer een schip dat averij heeft opgelopen met een kapot kompas, maar dat met wat goede wil weer op koers kan komen. Overigens wel goed dat je er aandacht voor vraagt en de discussie aangaat Ronald, want die moet je niet uit de weg gaan.

 

Wij hebben natuurlijk aan elkaar moeten wennen, met geheel nieuwe partijen en dat rare dualisme met alle interne discussies als gevolg. Maar wij moeten nu maar eens uitscheiden met elkaar de maat te nemen en op alle slakken zout te leggen. Dat leidt nergens toe want wij vergeten het schip, waar Ronald het over heeft, op koers te houden. En dat doe je vooral door je doel voor ogen te hebben en daar hard, heel hard aan te werken, met antennes en een open houding in de stad. Dat kost weliswaar tijd en inspanning, maar dat hoort erbij. Besturen blijft mensenwerk en mensen maken fouten, maar doen ook veel dingen goed. Wie stil zit, zal ook geen fouten maken. Niveau van de raad heeft niets te maken met intellect; niveau van de raad heeft alles te maken met de intentie waarmee en de manier waarop je je rol als volksvertegenwoordiger vorm en inhoud geeft. Dat heeft ook niets te maken met pluche, maar met het rubber en leer van je schoenzolen. Wie voor pluche gaat, hoort niet in het stadsbestuur. Je positie is een middel, geen doel.

 

 

 

Wij hebben elkaar hard nodig, want de magere jaren komen er weer aan. De broekriem zal na deze periode van ongekende welvaart moeten worden aangehaald. Ook in onze stad zullen wij dat merken. Er is in Delft heel veel te doen en daar moeten wij onze schouders onder zetten, met elkaar. Dat kan, want verbondenheid bestaat ook hier, dwars door politieke partijen heen. Ik zie het terugkomen binnen de delegatie Haaglanden, in informele contacten met raadsleden, maar vooral in ons mysterieuze heksengenootschap. Ik kan er natuurlijk niet te veel over kwijt, dat begrijpt u, maar ik kan u wel zeggen dat daar in open sfeer met elkaar wordt gesproken, ook over problemen van en kansen voor Delft. Daar hebben de witte heksen respect voor elkaars uitgangspunten en wisselen zij argumenten uit, zonder voortdurend in herhalingen te vallen. Probeer dat ook eens in een commissievergadering. Vanuit onze verschillende grondbeginselen kijken wij naar wat ons bindt en niet naar wat ons scheidt. Wij heksen leggen eveneens met elkaar bezoeken af aan Delftse organisaties om te horen wat er leeft onder de mensen, want als raadslid heb je de wijsheid niet in pacht en je kunt natuurlijk als heks ook niet alles te weten komen via je glazen bol. Beurtelings neemt een van ons de organisatie op zich, dus lusten en lasten zijn evenredig verdeeld, evenals de successen. Elkaar de successen gunnen is de basis van samenwerking. Het gaat dus weer om inhoud. Ik zou haast concluderen dat het stadsbestuur gebaat is met dezelfde samenstelling als het heksengenootschap. Ik doe een aanbeveling: als binnen een jaar de situatie niet verbeterd is, dan lijkt het mij verstandig dat de vrouwen de zaak hier overnemen. Een milde vorm van onthanen, dacht ik zo.

 

Mijnheer de voorzitter, geachte aanwezigen, leden van de raad, wij hebben elkaar harder nodig dan wij denken. Wij staan voor zware tijden en er moet in Delft veel gebeuren, waarvoor ook politiek draagvlak nodig is. Wij hebben goede mensen in de raad met het hart op de goede plaats. Mensen die principes belangrijker vinden dan pluche en mensen voor wie pluche niet bestaat. Wie niet mee wil doen, stapt uit, maar als u bereid bent te gaan voor de inhoud, het belang van Delft, de bewoners, hun kinderen en kleinkinderen, vanuit uw eigen waarden, christen-democratie, liberalisme, stratisme, stadsbelang, socialisme, ecologie of leefbaarheid, dan ben ik er heilig van overtuigd dat het goed komt met het stadsbestuur. Maar het is uw verantwoordelijkheid, niet alleen die van de voorzitter of het presidium. Het zal offers vragen en u zult een ander soms de credits van uw eigen inspanningen moeten gunnen. Als u dat kunt opbrengen, door meer te zwijgen, te horen en te zien, dan zal het bestuurlijk imago van Delft langzaam maar zeker weer herstellen. Werk hard aan de stad, ga uit het stadhuis, vergader korter en minder en zoek de inwoners op. Het gaat niet om macht, het gaat om inhoud, om de participatie, de emancipatie, het geluk en het welzijn van alle mensen, ook al denkt u dat zij niet tot uw eigen achterban behoren. Er ligt een uitdaging: pak die op. Zorg dat de inwoners u kennen en weten te vinden. Jan Valkenburg zult u wat minder op uw weg vinden want die woont nu in Den Hoorn, een mooi dorp overigens, waar ik geboren ben. Maar ik zal u vanuit de provincie in de gaten houden, reken daar maar op. U bent gewaarschuwd. Ik heb gezegd. Dank u wel.

 

APPLAUS

 

De VOORZITTER: Dames en heren, ik verzoek u om na het sluiten van de vergadering nog één tel te blijven zitten. Ik ontbind het stembureau.

 

 

 

 

 

 

 

107. De vergadering wordt om 23.41 uur gesloten.

 

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 2 oktober 2003.

 

 

 

 

                                                                                                                                  , voorzitter.

 

 

 

                                                                                                                                        ,griffier.