V I J F D E V E R G A D E R I N
G
op donderdag 22 mei 2003 om 20.00 uur in het stadhuis.
Overzicht van de
verhandelde punten.
Stuknr. Pagnr.
89. Opening en mededelingen 2
90. Notulen 2
91. Van anderen ingekomen stukken 4
92. Tevens ter inzage gelegde stukken 4
93. Instelling van een commissie
geloofsbrieven ten behoeve van het
onderzoek van de geloofsbrieven met
bijbehorende stukken van
het nieuw te benoemen raadslid in de
vacature van mevrouw
M.E.H. Koop 90 5
94. Voorstel tot vaststelling van een
voorbereidingsbesluit:
a. Bieslandhof 76 5
b. bustracé Reinier de Graafweg 79 5
95. Voorstel inzake technisch beheer openbare
verlichting (OV) 73 5
96. Voorstel tot instemming met de
beleidsnota BTW-Compensatie-
fonds deel II 74 5
97.
Voorstel tot het beschikbaar stellen van een krediet ad € 395.000,--
t.b.v. start lesplaats vso-zmok in
Delft 67 5
98.
Voorstel tot vaststelling van de wijziging van de Subsidieverordening
ateliers beeldend kunstenaars 72 5
99.
Voorstel tot vaststelling van de wijziging Verordening openbaar
gemeentewater Delft 1996 71 6
100. Voorstel inzake
keuze voorkeursvariant Spoorzone “Kort versus Lang” 81 18
101. Voorstel tot
instemming met de uitvoeringsregeling stimulerings-
subsidie straatfeesten en –festijnen 68 19
102. Voorstel inzake
de heropzet van het programma integraal Jeugd- en
Jongerenbeleid 88 20
103. Voorstel tot
vaststelling van de gedragscode voor het college van
burgemeester en wethouders 64 26
104. Voorstel tot
vaststelling van de gedragscode gemeenteraad 61 26
105. Voorstel tot
vaststelling van de wijziging in de Algemene subsidie-
verordening gemeente Delft 2002 75 41
106. Afscheid mevrouw
Koop 41
107. Sluiting 47
Voorzitter: de heer
mr. H.M.C.M. van Oorschot, burgemeester.
Aanwezig zijn: de heren Aközbek, mevrouw Bolten, de heren
Bot, Van den Doel, Van Doeveren, Eduard, Engels, Fruyt van Hertog, Gabeler,
mevrouw Geursen, mevrouw Van der Hoek, mevrouw Jähnichen, mevrouw M.D.Th.M. de
Jong, de heren J.Ph. de Jong, Kiela, mevrouw Koning, mevrouw Koop, de heer Van
Leeuwen, mevrouw Lourens, mevrouw Manggaprow, de heren A. Meuleman, D.A.
Meuleman, Schoenmakers, Stoelinga, mevrouw Stolker, de heren Tas, Van Tongeren,
mevrouw Vlekke, de heren Vondeling, Vuijk, mevrouw Welle Donker, de heer De Wit
en mevrouw Zweekhorst.
Raadsgriffier: de
heer R. de Groot
89. De VOORZITTER: Ik open de vergadering. Eventuele
hoofdelijke stemmingen beginnen vanavond bij nr. 12, mevrouw Koop. Er zijn
berichten van verhindering ontvangen van de heren De Koning en De Prez.
Mevrouw VLEKKE
(PvdA): Voorzitter. De heer Blinker wil zich bij dezen laten afmelden.
De heer BOT
(GroenLinks): Voorzitter. De heer Tas zal iets later arriveren.
De VOORZITTER: Dit is de laatste vergadering van mevrouw
Koop. Daaraan zullen wij aan het eind van de vergadering aandacht besteden.
Hedenavond zijn uitgereikt een eerste aanvullende lijst van
ingekomen stukken, een gewijzigde pagina 2 van stuk 88 (heropzet van het
programma integraal jeugd- en jongerenbeleid), een nieuw stuk 64 III (behorend
bij de aangepaste gedragscode voor het college van B&W aan de hand van de
gewijzigde gedragscode voor de gemeenteraad), een memo tijdelijke uitbreiding
jongeren- en tienerwerk, toegezegd in de vergadering van de commissie
Leefbaarheid/WZO van 15 mei 2003, een ligplaatsenkaart, behorend bij stuk 71
(wijziging Verordening openbaar gemeentewater Delft 1996) en een vertrouwelijke
mededeling over de Verordening openbaar gemeentewater. Nu wordt nog uitgedeeld
een aangepaste notitie beslispunten van de stuurgroep Spoor. Bij de
commissiebehandeling beschikte u al over een beslispuntenlijstje, maar
inmiddels heeft het werk van de stuurgroep tot enkele aanpassingen geleid. Dat
leidt overigens niet tot wijziging van het voorstel van het college aan de
raad.
Ik benoem tot leden van het stembureau de heer Bot
(voorzitter) en de heren D.A. Meuleman, Gabeler en Kiela.
90. Handelingen van
de besloten gemeenteraadsvergadering van 27 februari 2003.
Op bladzijde 13 wordt
“De heer DE WIT (PvdA)” vervangen door ”De heer DE WIT (FRIS)”.
Met deze wijziging
worden de Handelingen vastgesteld.
De heer MEULEMAN (Stadsbelangen): Voorzitter. Is het
toegestaan om een opmerking naar aanleiding van de Handelingen te maken?
De VOORZITTER: Wij stellen de Handelingen hier eigenlijk
alleen maar vast. Het lijkt mij dus dat u die opmerking in de commissie moet
maken, want anders beginnen wij een debat over onderwerpen die wij al behandeld
hebben. Ik voer liever niet een bespreking “naar aanleiding van” in, want dan
kan het nog leuk worden.
De heer MEULEMAN (Stadsbelangen): Het gaat mij niet om het
voeren van een debat, maar om een tegenstelling die wij in de Handelingen
hebben aangetroffen. De wethouder spreekt zichzelf in de Handelingen tegen over
Combiwerk; daar wil ik duidelijkheid over hebben.
De VOORZITTER: Leidt dat tot een aanpassing van het besluit?
Zo niet, dan zou ik hem daarover maar een vraag stellen in de rondvraag van de
commissie.
De heer MEULEMAN (Stadsbelangen): Wij behandelen de
Handelingen toch hier, in de raad?
De VOORZITTER: Nee, wij stellen hier de Handelingen vast;
wij behandelen de Handelingen hier niet. Als de Handelingen correct zijn, zijn
zij correct. Als u daarover bij nader inzien een nieuw debat wil, moet u dat
debat maar starten via de rondvraag van de commissie. Volgens mij zou uw route
ons in de problemen brengen, tenzij u er zeker van bent dat de wethouder iets
over het hoofd heeft gezien en daarom nu de tekst van de Handelingen zou wensen
te wijzigen.
De heer MEULEMAN (Stadsbelangen): Het gaat ons erom dat de
wethouder duidelijk aangeeft wat hij bedoelt.
De VOORZITTER: Voor deze keer dan, want anders kost dit
debat misschien meer tijd dan het beantwoorden van uw vraag.
De heer MEULEMAN (Stadsbelangen): Op bladzijde 29 deelt
wethouder Rensen de raad met betrekking tot Combiwerk mee dat de voorliggende
stukken beschouwd kunnen worden als de meest recente kwartaalrapportage. Op
bladzijde 33 stelt mijn collega De Koning dat wij het er niet mee eens zijn dat
het voorliggende stuk beschouwd kan worden als een kwartaalrapportage. De
wethouder zegt dan dat hij dat niet heeft gezegd – terwijl dat wel in de
Handelingen genoteerd staat – en dat de raad het voorstel kan beschouwen als
een voorstel voor een nieuwe koers. Wij willen nu graag weten of het een
voorstel voor een nieuwe koers was of een kwartaalrapportage.
Wethouder RENSEN: Ik heb beide bedoeld. Het is in ieder
geval een nota over de nieuwe koers en wij hadden in de commissie WZO met
elkaar afgesproken dat wij per kwartaal zouden rapporteren over de stand van
zaken bij Combiwerk. In de nota inzake de nieuwe koers, met de achterliggende
stukken, zat alle informatie die wij de komende tijd kwartaalsgewijs aan de
commissie WZO zullen aanbieden ter informatie over de stand van zaken bij
Combiwerk. In die zin was de nota als zodanig ook de eerste kwartaalrapportage.
Ik heb dus beide gezegd.
De VOORZITTER: Dit
leidt dus niet tot een wijziging van de Handelingen.
Vaststelling van de
wijze van afdoening van ingekomen stukken.
91. Ingekomen van
anderen:
46. Bezwaren van
Belangenvereniging Van Leeuwenhoek inzake het niet behouden van de woningen
langs de Van Leeuwenhoeksingel.
Voorstel: Het
stuk voor advies in handen stellen van de commissie beroep- en
bezwaarschriften, Kamer I.
47. Bezwaar van
de heer B. Kolen tegen het voorbereidingsbesluit bestemmingsplan noordelijk TU
gebied.
Voorstel: Het
stuk voor advies in handen stellen van de commissie beroep- en
bezwaarschriften, Kamer I.
48. Zienswijze
van belangenvereniging Zuidpoort Delft inzake aanvraag kapvergunning bomen
Zuiderstraat.
Voorstel: Het
stuk in handen stellen van burgemeester en wethouders ter afdoening, met
kennisgeving aan de commissie duurzaamheid.
49. Ontslagbrief van mevrouw M.E.H. Koop,
raadslid van de fractie CDA.
Voorstel:
Het stuk voor kennisgeving
aannemen.
50. Brief van de Gemeentelijke Ombudscommissie
inzake klacht van de heer J.P. de Wit.
Voorstel: Het
stuk in handen stellen van de griffier ter voorbereiding van een
afhandelingsvoorstel.
51. Verzoek van
milieudefensie om een motie aan te nemen waarin de gemeente haar zorgen kenbaar
maakt aan de staatssecretaris van EZ inzake GATS.
Voorstel: Het
stuk in handen stellen van burgemeester en wethouders ter afdoening, met
kennisgeving aan de commissie duurzaamheid.
92. Tevens zijn in
een aparte portefeuille ter inzage gelegd:
a. Korpskrant Politie Haaglanden. April
2003, nummer 09.
b. SZW-Gids, webwijzer voor gemeenteloket
szw.nl. April 2003, nummer 4.
c. Midden-Delflandkrant. Nr. 109, 27e
jaargang. Nr. 1, april 2003.
d. Regionieuws. Tiende jaargang, nr. 7, 25
april 2003.
e. Journaal voor de gemeente van de
Vereniging van Zuid-Hollandse Gemeenten.
f. Duaal debatteren, april
2003 – 01.
g. Korpskrant Politie Haaglanden. Mei 2003,
nummer 10.
h. Bijeenkomst
“Ost West Thuis Best # 3 west” van Architectuur Lokaal op donderdag 12 juni
2003 in het raadhuis van de gemeente Haarlemmermeer met als thema vormgeving en
infrastructuur.
Overeenkomstig de
voorstellen van burgemeester en wethouders wordt besloten.
93. Instelling van een commissie geloofsbrieven ten behoeve
van het onderzoek van de geloofsbrieven met bijbehorende stukken van het nieuw
te benoemen raadslid in de vacature van mevrouw M.E.H. Koop.
(Stuk 90)
De vergadering wordt
van 20.10 uur tot 20.15 uur geschorst.
Uitgereikt zijn 32 stembiljetten die alle correct zijn
ingevuld en ingeleverd. Tot leden van de commissie geloofsbrieven zijn benoemd:
de heer De Prez, mevrouw Van der Hoek en de heer Vondeling, allen met 32
stemmen.
94. Voorstel tot
vaststelling van een voorbereidingsbesluit:
a. Bieslandhof
(Stuk 76 – 034/012318)
b. bustracé Reinier de Graafweg.
(Stuk 79 – 03/012949)
Wethouder Grashoff wordt
uitgenodigd bij de behandeling van dit punt aanwezig te zijn.
95. Voorstel inzake technisch beheer openbare verlichting
(OV).
(Stuk 73 – 03/007416)
Wethouder Grashoff wordt
uitgenodigd bij de behandeling van dit punt aanwezig te zijn.
96. Voorstel tot instemming met de beleidsnota
BTW-Compensatiefonds deel II.
(Stuk 74 – 03/012988)
Wethouder Oosten wordt
uitgenodigd bij de behandeling van dit punt aanwezig te zijn.
97. Voorstel tot het beschikbaar stellen van een krediet ad
€ 395.000,-- t.b.v. start lesplaats vso-zmok in Delft.
(Stuk 67 – 03/011462)
Wethouder Rensen wordt
uitgenodigd bij de behandeling van dit punt aanwezig te zijn.
98. Voorstel tot vaststelling van de wijziging van de
Subsidieverordening ateliers beeldend kunstenaars.
(Stuk 72 – 03/010939)
Wethouder Oosten wordt
uitgenodigd bij de behandeling van dit punt aanwezig te zijn.
Deze voorstellen worden achtereenvolgens zonder
beraadslaging en zonder hoofdelijke stemming aangenomen.
De heer GABELER (Leefbaar Delft): Voorzitter. Mag ik een
ordevoorstel doen? Ik wil graag dat de voorstellen inzake de gedragscode voor
het college van B&W en de gedragscode voor de gemeenteraad van de agenda
worden gehaald, omdat wij vinden dat zij nog niet rijp zijn om hier behandeld
te worden.
De VOORZITTER: Wat het college betreft, zijn die voorstellen
wel rijp voor behandeling. Wij hebben die stukken uitgebreid commissoriaal
behandeld. Ik zie dus geen aanleiding om uw voorstel over te nemen, maar ik
kijk even of andere raadsleden hierover het woord wensen te voeren. Ik
constateer dat dat niet het geval is.
In stemming komt het ordevoorstel van de heer Gabeler om de
gedragscodes voor het college van B&W en voor de gemeenteraad van de agenda
af te voeren.
Het ordevoorstel
wordt bij handopsteken verworpen.
De VOORZITTER: Ik constateer dat de fractie van Leefbaar
Delft voor het ordevoorstel heeft gestemd.
De heer GABELER
(Leefbaar Delft): Voorzitter. Kunnen wij een verzoek indienen bij u?
De VOORZITTER:
Waarover?
De heer GABELER (Leefbaar Delft): Of wij bij de behandeling
van de gedragscode voor het college van B&W als eerste fractie aan het
woord mogen komen.
De VOORZITTER: Ik
begin vanavond bij de STIP-fractie; dat doe ik wisselend.
De heer GABELER (Leefbaar Delft): Mogen wij dan na de
behandeling van het daaraan voorafgaande agendapunt een verklaring afleggen?
De VOORZITTER: Als u straks aangeeft dat u over die onderwerpen
het woord wilt voeren, krijgt u …
De heer GABELER (Leefbaar Delft): Dit is een heel
vriendelijk verzoek of wij het woord mogen krijgen voordat de gedragscode voor
het college van B&W behandeld gaat worden.
De VOORZITTER: Dat
snap ik, maar ik begin vanavond bij de STIP-fractie te inventariseren.
99. Voorstel tot vaststelling van de wijziging Verordening
openbaar gemeentewater Delft 1996.
(Stuk 71 – 03/011421)
Wethouder Grashoff wordt
uitgenodigd bij de behandeling van dit agendapunt aanwezig te zijn.
De heer VONDELING (STIP): Voorzitter. Wij zien geen reden om
iets te veranderen aan het collegevoorstel. Wij zullen dus voor stemmen. De ten
opzichte van de huidige verordening aangepaste maximale hoogte, lengte en
breedte achten wij zeer redelijk. Zij liggen in de lijn van de noodzakelijke
gemaakte afspraken. De hoogte van 3.60 meter past bij de functie en uitstraling
van de woonboten. De mogelijkheid voor een plaatselijke verhoging over een
lengte van vijf meter vergroot de visuele diversiteit en past prima bij de
uitstraling van de woonboten in de Zuidergracht. Net als velen hier wil de
STIP-fractie de treurwilg bij de Oostpoort behouden. Dit kost ruimte. Wij zien
twee mogelijkheden om die ruimte te creëren; het verkleinen van de tussenruimte
tussen de woonboten is daarvan de slechtste. Als wij de wethouder mogen geloven
– dat doen wij – ontraadt de brandweer, de meest bekwame instantie op het
gebied van de brandveiligheid, dit ten zeerste, tenzij er brandwerend materiaal
tussen de boten wordt aangebracht.
Mijn fractie zit niet te wachten op deze anti-vuurmuren,
want zij zouden de authentieke uitstraling van de Zuidergracht tot op de bodem
afbreken. De conclusie is dan ook dat wij een poging van de gemeente Delft om
een woonboot op te kopen, als beste keuze zien. Wij gaan ervan uit dat de
wethouder daarbij zijn uiterste best zal doen om dit tegen een zo laag
mogelijke prijs te doen. Wij vragen de wethouder verder om ons tijdig, indien
nodig opnieuw in vertrouwelijkheid, over dit proces en de kosten te informeren.
De heer MEULEMAN (Stadsbelangen): Voorzitter. Het voorstel
is, wat onze fractie betreft, puur een Verordening openbaar gemeentewater en
niets anders. De verordening gaat ook niet over de treurwilg in de
Zuidergracht, maar over het openbaar gemeentewater in heel Delft. De twee meter
tussenruimte blijkt geen nieuwe regel te zijn, maar een bestaande regel die in
het verleden kennelijk onvoldoende is gehandhaafd. Bij de noodzakelijke
aanpassing van deze verordening adviseert de brandweer wederom dat twee meter
tussenruimte noodzakelijk is. Onze fractie sluit zich hierbij aan. Wij zijn het
met de wethouder eens dat een dergelijk advies niet genegeerd moet worden. Wij
hebben in Nederland in de afgelopen jaren al genoeg voorbeelden gehad van
rampen waarbij nalatigheid van overheden in het geding was. Dat zouden wij niet
op onze hals moeten halen. Wij gaan er wel van uit dat deze regel nu ook wordt
gehandhaafd.
Wij zien nog onvoldoende in waarom het bezwaarlijk is om de
hoogte van de woonboten te verhogen naar 3.80 meter. Wij hebben daar niet de
juiste argumentatie voor gehoord. Het voorstel staat een verhoging toe van 3.40
meter naar 3.60 meter. Wij hebben van bewoners begrepen dat zij graag naar 3.80
meter willen. Waarom zou dat niet kunnen?
Het is treurig dat wij al uren gesproken hebben over een
treurwilg, maar ook onze fractie ontkomt er niet aan om daar vanavond iets over
te zeggen. Wij hadden oorspronkelijk het idee geopperd om de treurwilg te
verplaatsen naar deze raadszaal, want dan staat die in ieder geval nog bij een
schip, zij het dat dit volgens de VVD-fractie een zinkend schip is.
Als deze verordening wordt aangenomen, betekent dat het
kappen van de treurwilg. Wij hebben de wethouder in de commissie gevraagd welke
kosten het behoud van deze treurwilg met zich meebrengt en wat de
levensverwachting van deze boom is. Dat zijn twee belangrijke elementen om te
kunnen beoordelen of het zinvol is om een extra woonboot op te kopen. Onze
fractie heeft er grote moeite mee dat een woonboot voor de sloop opgekocht
wordt. Wij kunnen het niet helemaal steunen dat gemeenschapsgeld wordt
uitgegeven voor de prullenbak. Misschien lijkt het bedrag op “peanuts”, maar
wij moeten gewoon zuinig met ons geld omgaan. Als de treurwilg behouden kan
blijven, vinden wij dat mooi, maar wij stellen de wethouder wel voor om met een
voorstelletje naar de commissie te komen, zodat wij daar een oordeel over
kunnen geven.
Mevrouw GEURSEN (VVD): Voorzitter. Onze fractie is tevreden
met de voorliggende wijziging van de verordening en was in de commissie ook al
tevreden met de daarin geregelde afmetingen van de woonboten. Op de
ligplaatsenkaart is nu ook de ligplaats van de woonboten ter hoogte van de
treurwilg naast de Oostpoort geschrapt. Op deze wijze blijft de veelbesproken treurwilg
behouden. Wat ons betreft, is belangrijker dat het zicht op de historische
Oostpoort bij het binnenrijden van Delft niet belemmerd zal worden door een
grote woonboot. Ook daar zijn wij dus blij mee. De consequentie hiervan is dat
in de Zuidergracht slechts plaats overblijft voor dertien boten. De VVD-fractie
is, net als de fracties van STIP en Stadsbelangen, geen voorstander van het
schenden van brandweervoorschriften.
Mevrouw VLEKKE
(PvdA): Waar heeft de brandweer voorschriften opgelegd?
Mevrouw GEURSEN (VVD): Deze voorschriften zijn aan mij
bekend gemaakt door de wethouder.
Mevrouw VLEKKE
(PvdA): Dat zijn geen voorschriften; dat is een advies.
Mevrouw GEURSEN (VVD): Dan nog. De wethouder kan daar straks
misschien meer over vertellen. Ik ben geen expert op dat gebied.
Voor een veertiende boot is dan in ieder geval geen ruimte.
De conclusie is dat wij instemmen met het gewijzigde voorstel. Wel vragen wij
de wethouder om te kijken naar een alternatieve locatie voor de veertiende
woonboot. Een boot is naar zijn aard immers verplaatsbaar. Als daar echt geen
mogelijkheden voor blijken te zijn, vinden wij het opkopen van de boot de beste
oplossing om de Zuidpoort-ontwikkelingen alle ruimte te geven.
Mevrouw DE JONG (CDA): Voorzitter. De verordening levert na
de door de wethouder aan ons voorgestelde wijzigingen nog slechts twee
opmerkingen op, want verder gaan wij ermee akkoord. De eerste opmerking betreft
de wens om de hoogte van de woonboten 3.80 meter te laten zijn, zoals wij ook
al in de commissie hebben gevraagd; ook de heer Meuleman heeft dat al gevraagd.
Wij zijn van plan om hier in tweede termijn zo nodig een motie over in te
dienen. Bovendien vindt de CDA-fractie dat Delft officiële aanlegplaatsen zou
moeten kunnen bieden aan bootpassanten in plaats van de huidige gedoogsituatie,
want watertoerisme kan naast het gewone toerisme voor Delft een speerpunt zijn.
Voor zover wij tussen beide vergaderingen in hebben kunnen nagaan, lijkt de
provincie Zuid-Holland bereid om in Delft in de Kolk officiële voorzieningen
voor recreanten te accepteren, mits daartoe een officieel verzoek door de
gemeente Delft wordt ingediend. De vraag is dus of de wethouder bereid is om
een dergelijk verzoek bij de provincie in te dienen.
De heer DE WIT (FRIS): Voorzitter. Wij gaan natuurlijk niet
eindeloos herhalen wat wij in de commissie gezegd hebben. In de
commissievergadering hebben wij gezegd dat wij tegen het voorstel waren, omdat
wij vonden dat wethouder Grashoff zijn huiswerk goed moest doen: eerst moest
duidelijk zijn waar alle boten terechtkwamen en wat er nou eigenlijk in dat
hele gebied gaat gebeuren. Wij hebben wel een notitie ontvangen van de
wethouder, maar ook daar worden wij eigenlijk niets wijzer van. Er is dus niets
veranderd in de oplossing van het plaatsen van alle boten aan de Zuidergracht.
Ik snap niet dat wij vanavond deze verordening moeten aannemen, want zij is
absoluut geen oplossing voor het probleem. Wij blijven dus bij ons standpunt:
wij zijn tegen het aannemen van deze verordening.
Mevrouw VLEKKE (PvdA): Voorzitter. In de commissie hebben
wij een aantal aspecten van de voorliggende verordening besproken. Wij hebben
daarbij met name aangehaakt op de afstand tussen de boten. De wethouder
vertelde ons dat de boten in de praktijk op ongeveer één meter afstand van
elkaar liggen. Op advies van de brandweer zou dat twee meter moeten zijn. De
inspreker refereerde er in de commissievergadering aan dat de brandweer ook
heeft gesproken van vijf meter. De wethouder zei toen tegen de commissie: “Als
jullie twee meter niet handhaven en als er dan iets gebeurt, is dat jullie
verantwoordelijkheid”. Dat is erg bij mij blijven hangen, temeer omdat ik ook
dat verhaal van die vijf meter heb gehoord. Ik heb bij een aantal andere
brandweerkorpsen nagevraagd hoe zij hierover denken. De meeste korpsen geven
inderdaad het advies van twee meter, maar als je echt veilig wilt zitten, moet
je op vijf meter gaan zitten, want likkende vlammen overbruggen ook twee meter.
Als de wethouder zegt dat het de schuld van de gemeenteraad
is als er iets gebeurt nadat de gemeenteraad de afstand van twee meter niet
heeft gehandhaafd, denk ik dus: als wij het als raad daadwerkelijk veilig
willen laten zijn voor de woonbotenbewoners, moet je de boten op vijf meter
leggen zodat de situatie daadwerkelijk brandveilig is óf moet je kiezen voor
het tussenvoegen van brandwerend materiaal. Zoveel water hebben wij immers
niet, zeker niet aan de Zuidergracht. Met die optie is het zelfs mogelijk om de
boten tegen elkaar aan te leggen en toch 60 minuten de tijd te hebben om te
ontvluchten. Dit mag erg technisch en gedetailleerd klinken, maar wij moeten
wel een keuze maken. De gemeenteraad is immers inderdaad verantwoordelijk. Deze
notitie biedt die keuze niet, want wij hebben geen zicht op die mogelijkheden.
De heer DE WIT (FRIS): U hebt het over brandwerendheid alsof
u op dat gebied een deskundige bent, maar ik heb vandaag in de krant gelezen
dat er een mogelijkheid is van sprinklerinstallaties die in werking treden
wanneer er brand uitbreekt. Ook die installaties zouden daar dus misschien
aangebracht kunnen worden. Je kunt natuurlijk veel meer oplossingen verzinnen
voor een probleem. Een afstand van vijf meter is niet de enige oplossing.
Mevrouw VLEKKE (PvdA): Precies. Mijn stelling is dus dat er
meer oplossingen denkbaar zijn om dit aantal boten te behouden zonder dat je
direct een boot moet opkopen. Om in de termen van de fractie van Stadsbelangen
te spreken: wij moeten zuinig zijn met onze algemene middelen. Wij willen graag
dat die boom blijft bestaan en tegelijkertijd willen wij zuinig zijn op onze
middelen. Er zijn wat ons betreft dus meer opties. Daarom vraag ik de wethouder
juist op dit punt om een reactie.
Mevrouw LOURENS (D66): Voorzitter. De fractie van D66 gaat
op het punt van de afmetingen van de boten akkoord met de verordening. Ik heb
in de commissievergadering ook al iets gezegd over de treurwilg; eigenlijk gaat
het, wat ons betreft, om de Oostpoort, want die verdient het om de ruimte te
hebben. Wij willen zuinig zijn op die Oostpoort. Het dicht bij de Oostpoort
plaatsen van woonboten zou afbreuk doen aan de schoonheid van deze entree van
de binnenstad. De consequentie van dit standpunt is dat het aantal ligplaatsen
niet veertien kan zijn, maar terug moet naar dertien. Afwijken van het brandweeradvies
is voor ons geen reëel alternatief met het oog op de veiligheid van de
woonbootbewoners. De D66-fractie gaat dan ook akkoord met het inzetten van een
traject voor het aankopen van een woonboot of voor het verplaatsen van een
boot. Als dit laatste alternatief op niet al te lange termijn uitvoerbaar is,
zou dat een reële optie zijn. Dat moet dus niet op de lange termijn geschoven
worden, want de woonbootbewoners hebben recht op daadwerkelijke uitvoering van
het plan; wij moeten hier dus niet over blijven praten, want dit is voor alle
woonbootbewoners een onzekere positie.
Mevrouw BOLTEN (GroenLinks):
Voorzitter. De fractie van GroenLinks is gelukkig en feliciteert de mensen die
een handtekening opgehaald hebben voor het behoud van de treurwilg; deze lijkt
behouden te worden. In de richting van de heer Meuleman geef ik aan dat mijn
fractie meent dat zelfs als de treurwilg niet lang levensvatbaar is, op die
plaats een boom moet blijven staan. Dat punt is een markering van een
belangrijke toegangsweg naar het Zuidpoortgebied. Als wij eindeloos vergaderen
over markante punten in het Zuidpoortgebied en daaraan een prijskaartje willen
hangen, dan moeten wij ook bereid zijn om dat te doen met betrekking tot de
toegangswegen. De Oostpoort en de omgeving behoren daarbij.
Wij zijn dus blij met het
resultaat dat bereikt is door de Delftse bevolking in de afgelopen weken. Wij
stemmen in met de verordening, inclusief het advies van de brandweer. Wij
willen dat niet ondermijnen omdat wij bang zijn dat wij bij eventuele
gebeurtenissen een verantwoordelijkheid moeten dragen die wij niet kunnen
dragen. Bovendien is de brandweer er toch om advies uit te brengen.
De heer STOELINGA (Leefbaar
Delft): Hoe lang is het u bekend dat daar een treurwilg staat en hoe lang is
het u bekend dat daar een woonboot weg moet?
Mevrouw BOLTEN (GroenLinks):
Ik weet al sinds ik kan lopen dat daar een treurwilg staat. Dat de woonboot
voor de treurwilg weg moet, weet ik sinds enkele maanden.
De heer STOELINGA (Leefbaar
Delft): Dat is triest want vijf jaar geleden heb ik met mijn vriend een
woonboot daar verkocht. Ik kreeg een helaas geheim stuk en ik weet niet of ik
daaruit mag voorlezen…
De VOORZITTER: Nee, dat mag
nooit bij geheime stukken.
Mevrouw BOLTEN (GroenLinks):
Waarschijnlijk was het voor mij toen ook geheim.
De heer STOELINGA (Leefbaar
Delft): Voor een aanzienlijk minder hoog bedrag had toentertijd de voorzitter…
De VOORZITTER: Wilt u een
termijn, want dit is geen interruptie meer? Wilt u gewoon het woord?
De heer STOELINGA (Leefbaar
Delft): Ja, graag.
De VOORZITTER: Dan krijgt u
het woord. Ik zet u op het lijstje.
De heer STOELINGA (Leefbaar
Delft): Mag ik dan doorgaan?
De VOORZITTER: Jazeker.
De heer STOELINGA (Leefbaar
Delft): Na een jaar leer ik het nog niet zo snel. Mijn vraag is: was vijf jaar
geleden nog niet bekend dat er een woonboot weg moest, toen een aanvang werd
gemaakt met het halen van de woonboten uit de Zuidergracht? Ik weet helaas niet
wie de toenmalige wethouder was, maar was toen nog niet bekend dat die
woonboten daar weg konden voor een heel schappelijke prijs? Wij hebben daar
namelijk een woonboot weggedaan. Dat scheelt aanmerkelijk met hetgeen ik nu per
ongeluk in de geheime stukken heb gezien. Wij moeten natuurlijk beleid maken en
wij hebben ook wel eens gezegd: wie dan zorgt, wie dan leeft.
Mevrouw VLEKKE (PvdA): Gaat
het u nu om het verschil tussen hetgeen u heeft gekregen en hetgeen deze mensen
krijgen?
De heer STOELINGA (Leefbaar
Delft): Nee, ik was heel tevreden, maar het had de gemeente zomaar 100.000 euro
kunnen schelen als de boten toen waren gekocht.
Mevrouw BOLTEN (GroenLinks):
U reageert op mijn betoog toch?
De VOORZITTER: Inmiddels is
de heer Stoelinga gewoon aan een termijn begonnen. U mag hem interrumperen maar
hij reageert niet meer op uw betoog.
Mevrouw BOLTEN (GroenLinks):
Mijn betoog was voor hem reden om aan zijn termijn te beginnen. Hij reageert
alsof ik meen dat er een extra boot weg moet en daaraan een speciaal hoge prijs
verbonden is. De fractie van GroenLinks meent echter dat de boom moet blijven
staan. Vijf jaar geleden, als het zo lang geleden was, overzagen wij niet, dat
wil ik best toegeven, dat de boom als belangrijk markant punt moest verdwijnen.
De heer STOELINGA (Leefbaar
Delft): Daarom zijn wij zo bang voor een een-tweetje, want wij doen ook aan
voetballen. Als er een voetbalspel gespeeld moet worden, willen wij daaraan
meedoen. Als u het voorstel in uw achterhoofd houdt, kunnen wij een voetbalspel
regelen voor die boom en de boot.
Mevrouw BOLTEN (GroenLinks):
Wat bedoelt u met “een-tweetje” want ik volg u niet meer.
De heer BOT (GroenLinks): Ik
snap hier niets meer van.
De VOORZITTER: De heer
Stoelinga is in ieder geval klaar met zijn betoog?
De heer STOELINGA (Leefbaar
Delft): Ik ben klaar.
Mevrouw VLEKKE (PvdA): Ik
wil toch nog een vraag stellen aan de heer Stoelinga. Wat is het standpunt van
Leefbaar Delft?
De heer STOELINGA (Leefbaar
Delft): Dat hoort u zo!
De VOORZITTER: De heer
Stoelinga heeft één vraag gesteld aan de wethouder, namelijk: had het college
die boten niet eerder kunnen kopen want ze zijn goedkoper geweest in het
verleden.
De heer STOELINGA (Leefbaar
Delft): Dank u wel.
De VOORZITTER: Graag gedaan.
De heer DE WIT (FRIS): Ik
wil graag een ordevoorstel doen. Wij hebben vanavond onaangekondigd een geheim
stuk gekregen. Ik stel de raad voor om dat stuk openbaar te verklaren.
De VOORZITTER: Wil het
college zijn opvatting over dat ordevoorstel geven?
Wethouder GRASHOFF:
Voorzitter. Het lijkt mij erg onverstandig. Het gaat om getallen die onze
onderhandelingspositie in de richting van eventuele verkopende partijen
beïnvloeden. Het lijkt mij dan ook zeer onverstandig.
De VOORZITTER: Ik constateer
dat er geen anderen zijn die het ordevoorstel van de heer De Wit wensen te
becommentariëren.
In stemming komt het
ordevoorstel.
Het ordevoorstel wordt bij
handopsteken verworpen.
De VOORZITTER: Ik constateer
dat de fractie van FRIS voor het voorstel heeft gestemd.
Wethouder GRASHOFF:
Voorzitter. Twee aspecten van het voorstel behoeven enige toelichting. Deze
komen neer op het kort aangeven van het verloop van het proces. Lang geleden,
eerder tien dan vijf jaar geleden, is uitgesproken dat de gemeente Delft in het
kader van de Zuidpoortontwikkelingen bij voorkeur de woonboten niet meer aan
twee kanten maar aan een kant van het water wil hebben. De directe achtergrond
daarvan was dat de zichtbaarheid en aantrekkelijkheid van dat stukje stad en
water aanzienlijk kon verbeteren. Bovendien was er een directe relatie met het
bouwvoornemen op veld 9, het huidige parkeerterrein aan de Ezelsveldlaan. Dat
was buitengewoon moeilijk te combineren met de ligplaatsen van de woonboten aan
de zuidkant van de Zuidergracht. Die operatie is lange tijd slapende geweest in
die zin dat de gemeente geleidelijk boten opkocht als eigenaren wilden
verhuizen. Dat is dus niet gegaan van: “wij willen uw boot dus wilt u die even
verkopen”. Zo werkt het niet. Er heeft zich een min of meer willekeurig patroon
van aankoop van boten voorgedaan.
In het kader van de
uitvoering van het Zuidpoortplan moet ertoe worden overgegaan om de
desbetreffende actie in gang te zetten. Bij het precieze nameten en
voorbereiden van de voorstellen zijn wij op twee zaken gestuit. Ten eerste moet
de afstand tussen de woonboten vergroot worden om de verordening te volgen die
wij zelf hebben opgesteld. Ik kom straks nog even terug op de vraag hoe dat
heeft kunnen ontstaan. Ten tweede is het aantal opgekochte boten, een zuiver
historisch gegeven, net niet genoeg om alles in te passen. Op die manier kwam
het college voor een dilemma te staan: of er moest iets verder naar achteren
worden doorgeschoven waardoor met het huidige aantal aangekochte boten de
herschikking gerealiseerd kon worden of er moest aanvullende actie ondernomen
worden. Het eerste voorstel van het college is duidelijk geweest. Dat stuitte
op veel weerstand in de stad. Bij het nader bezien van de situatie en de
gevolgen daarvan voor de toekomst ben ook ik tot de conclusie gekomen dat de
woonboten op die manier wel heel dicht bij de Oostpoort gelegen zouden zijn,
los van het feit dat een mooie boom zou worden omgehakt. Dat kan nog wel eens
een keer als het niet anders kan. De achterkant van de woonboot, mogelijk met
twee lagen, dus hoger dan nu het geval is, zou dichter bij de Oostpoort komen
en niet meer worden afgeschermd door het bladerdak van de bestaande boom. Die
optelsom maakt het zonneklaar dat de beeldkwaliteit op die plaats fors
achteruit zou gaan.
Aangezien de operatie in het
kader van de complete Zuidpoortontwikkeling is gestart om tot een
kwaliteitsverbetering van het zicht van dit deel van de stad te komen, is het
wrang om te constateren dat een verbetering van het zicht aan de ene kant leidt
tot een verslechtering aan de andere kant. Dat plaatst de eventuele uitgave aan
een extra boot in een ander daglicht. Het gaat niet om de boom versus de
aankoop van een boot. Het gaat om het onvoorziene slotstuk van de
totaaloperatie waarbij in het kader van de Zuidpoortontwikkeling natuurlijk
grote slagen worden gemaakt.
Mevrouw VLEKKE (PvdA): Zou
het probleem opgelost zijn als de boten op 1 meter blijven liggen? Ik heb het
nu even alleen over het probleem van de afstand tot de Oostpoort.
Wethouder GRASHOFF: Dat is
juist. Als de afstand terug zou worden gebracht tot 1 meter, dan passen ze er
wel in, met behoud van de boom.
Ik kwam op het punt van de
verordening. De verordening is veel later tot stand gekomen dan dat de boten er
lagen. Er was een historisch gegroeide situatie met dicht op elkaar liggende
boten en op enig moment, onder mijn voorganger wethouder Boelens, is een
verordening tot stand gebracht. Dat was terecht, want enige regelgeving op dit
punt was noodzakelijk. In die verordening is geconstateerd dat de situatie op
dat moment onwenselijk was en er is een aantal regels gesteld. Met name de
ruimte tussen de boten kon op dat moment redelijkerwijs niet gerealiseerd
worden anders dan ten koste van een versnelde herinrichting van dat gebied met
onvoldoende zicht op hetgeen zich in het Zuidpoortgebied zou afspelen.
Uiteindelijk heeft de traagheid van de planvorming ertoe geleid dat een aantal
jaren sprake was van een situatie die niet wenselijk was conform de
brandweeradviezen vertaald in voorschriften in de VOGD.
De gemeente is nu genoopt om
de eigen verordening serieus te nemen. Als er nieuwe inzichten waren om die te
veranderen, dan kon de verordening gewijzigd worden. Die nieuwe inzichten zijn
er bij mijn weten echter niet. Over het specifieke aspect van de
brandweervoorschriften zal de burgemeester straks nog spreken; hij is de verantwoordelijk
portefeuillehouder voor de brandweer.
Wij staan ten opzichte van
de verordeningen een zekere toename van de hoogte van de boten voor. Dat is
arbitrair. In de discussie met de woonbooteigenaren zijn wij tot de conclusie
gekomen dat het wenselijk is om de boten zo min mogelijk te laten verhogen,
want hoe hoger de boot hoe massiever de uitstraling. Wij hebben elkaar
uiteindelijk gevonden op de 3.60 meter. Er is een significant verschil tussen
3.60 en 4.20; binnen 4.20 meter passen twee ruime verdiepingen en binnen 3.60
meter past de krapst mogelijke vorm van twee lagen.
Mevrouw DE JONG (CDA): De
wethouder geeft nu een “schoonheidsargument” terwijl de mensen zoveel langer
zijn geworden in de afgelopen eeuw, ongeveer 20 centimeter. Die lengtegroei
neemt nog steeds toe. Bij een hoogte van 3.60 kan een verdiepinghoogte van 2.04
meter gerealiseerd worden. Dat is voor de meeste mensen te laag. Zij stoten hun
hoofd tegen lichtarmaturen.
De VOORZITTER: Uw punt is
duidelijk.
Wethouder GRASHOFF: Mevrouw
De Jong heeft in zoverre gelijk dat het inderdaad gaat om een
schoonheidsargument. Er is een compromis gezocht tussen het optimaliseren van
de verdiepinghoogte – die is zo krap mogelijk gelaten — en de mogelijkheid om
twee bouwlagen te realiseren. Het is niet zo vreemd dat het schoonheidsaspect
daarbij betrokken wordt want het was de bedoeling om een gracht te hebben met
woonboten, niet een wand die toevallig in het water ligt. Wij hebben de grens
zo krap mogelijk gelegd, mede als uitkomst van een discussie met de Vereniging
van woonbooteigenaren. Ik houd staande dat wij met deze vereniging tot
overeenstemming op dit punt zijn gekomen. Ik weet dat enkelen zich met dat
compromis minder konden verenigen. Zij hebben zich tot u gericht.
Mevrouw DE JONG (CDA): Ik
heb nog gevraagd of u bereid bent om een brief aan de provincie Zuid-Holland te
sturen.
Wethouder GRASHOFF: Wij
behandelen een verordening die in feite een wijziging is op een reeds bestaande
verordening die gaat over al het gemeentewater in Delft. Dit neemt niet weg dat
wij dit voorstel specifiek inbrengen om de herschikking van de woonboten in de
Zuidergracht mogelijk te maken. Dat is de inhoud van het voorstel.
Ik doe niets af aan
discussies over andere aspecten van het beheer van het water en de
mogelijkheden daartoe. Dergelijke discussies moeten echter in commissieverband
plaatsvinden. Het is altijd mogelijk om de verordening op enig moment te
wijzigen. Als u mij vraagt of het mogelijk en verstandig is om het aantal
passantenplekken uit te breiden, dan kan ik daar eigenlijk geen zinnig antwoord
op geven. Ik heb mij daarop ook niet geprepareerd want dat punt heeft in de
beleidsvoorbereiding geen rol gespeeld. In de Kolk zijn wal- en
aanlegvoorzieningen aanwezig; ik weet niet of daar ruimte voor is. Ik stel voor
dat wij de discussie daarover niet in deze context voeren maar nader bezien of
er aanleiding is om deze in de raadscommissie aan te zwengelen.
De VOORZITTER: Ik zal kort
ingaan op de brandveiligheid. In de brandveiligheidsvoorschriften in de
bouwverordening zijn prestatie-eisen opgenomen met betrekking tot de overslag
van vuur. Verwezen wordt naar bepaalde NEN-normen. De NEN-normen voor de
brandoverslag zijn te vinden onder NEN-60/68. De NEN-norm houdt in dat in geval
van brand in ieder geval sprake moet zijn van een periode van 30 minuten
voordat door hitte of overslaand vuur de brand op het volgende perceel belandt.
Dat principe is niet keihard in meters uitgerekend voor woonboten. Destijds is
wel door een aantal brandveiligheidinstituten een berekening gemaakt voor
woonwagens; daarvoor geldt min of meer hetzelfde. Toen is geconcludeerd dat een
optimale veiligheidszone 5 meter bedraagt en 2 meter het minimum is. Daar moet
je echt niet onder gaan zitten. Die conclusie heeft geleid tot de bepaling van
2 meter. Dit wil niet zeggen dat bij het realiseren van bijzondere
voorschriften, zoals het tussenmetselen van muren of brandveiligheidswanden, de
boten niet tegen elkaar kunnen liggen. Het is mogelijk om de einden van de
boten te slopen en te herbouwen met niet-brandbaar materiaal, maar dat is een
operatie van een geheel andere orde.
De heer VONDELING (STIP):
Voorzitter. Ik heb geen behoefte aan een tweede termijn. De toelichting van het
college was goed. Dank u wel.
De heer MEULEMAN (Stadsbelangen):
Voorzitter. Ik kom kort terug op de hoogte. Mijn fractie ziet niet dat met een
hoogte van 3.80 meter een wand van woonboten ontstaat, zeker met het oog op
hetgeen gepland staat voor veld 9. Daarop komt bebouwing die aanmerkelijk hoger
is dan 3.80 meter. Het is een kwestie van vind je het wel of vind je het niet
mooi. Mijn fractie is er niet op tegen om tot 3.80 meter toe te staan.
Mijn fractie is verder niet
tegen de verordening zelf. Ten aanzien van het al dan niet kappen van de
treurwilg zie ik graag een voorstel tegemoet.
Mevrouw DE JONG (CDA):
Voorzitter. In de toekomst zal de welstandscommissie het uiterlijk van de boten
beoordelen. Een boot kan pas aangelegd worden als deze wat het uiterlijk
betreft voldoet aan de criteria die gesteld zijn ten aanzien van het gezicht
van Delft. De CDA-fractie meent dat het gezondheidsaspect in dezen een
belangrijke rol speelt; de hoogte van 3.80 meter is in dat verband van belang.
Om die reden dien ik namens mijn fractie een amendement in. Met de rest van de
verordening kan mijn fractie instemmen.
De VOORZITTER: Namens de
fractie van het CDA wordt het volgende amendement (A-I) voorgesteld:
“De gemeenteraad van Delft,
in vergadering bijeen op 22 mei 2003,
overwegende dat:
- in het voorstel tot
vaststelling Wijziging verordening openbare gemeentewater Delft 1996 een hoogte van de woonboten wordt
voorgesteld van maximaal 3.60 meter;
- dit net voldoende hoogte biedt voor mensen met ongeveer
een gemiddelde lengte;
- de gemiddelde lengte
van mensen in Nederland nog altijd langer wordt, zodat voor de toekomst
rekening kan worden gehouden met gemiddeld langere mensen;
besluit artikel 15 lid 1a II
te wijzigen in dier voege dat de daarin vermelde zinsnede “maximale hoogte
gemeten vanaf het wateroppervlak van 3.60 meter” wordt vervangen door “maximale
hoogte gemeten vanaf het wateroppervlak van 3.80 meter”,
en gaat over tot de orde van
de dag.”
De heer DE WIT (FRIS):
Voorzitter. Het is eigenlijk zo dat de boot die te veel is, wordt uitgekocht.
De vraag is wie dat gaat betalen. Is het vanwege de belofte aan de
projectontwikkelaar niet reëel dat een vorm van meebetalen wordt gevonden,
bijvoorbeeld door de reserve Zuidpoort in te zetten?
Mevrouw VLEKKE (PvdA):
Voorzitter. Ik reageer op de brandveiligheid waar wij in eerste termijn veel
aandacht aan hebben besteed. Ik vind het verhaal van het minimum van 2 meter,
NEN-normen en bouwvoorschriften heel mooi maar het gaat mij om de vraag of deze
raad echt brandveiligheid wil of afgaat op het minimum van 2 meter. Daarbij is
het overigens de vraag waarvan dat het minimum is. Als er wordt gesproken over
het aanbrengen van brandwerend materiaal, dan is het een operatie van een
geheel andere orde. Het stoort mijn fractie dat dit soort alternatieven niet is
uitgewerkt en is voorgelegd aan de raad. In dat geval had de raad op grond
daarvan andere keuzes kunnen maken. Wij hebben net dat envelopje ontvangen. Ik
vind het nu lastig om kosten tegen elkaar af te wegen omdat die niet goed
aangeboden worden. Dat is echt lastig. Mijn fractie zal wel met de verordening
instemmen maar ik meld voor de Handelingen dat de PvdA-fractie betwijfelt of
bij een afstand van 2 meter daadwerkelijk brandveiligheid wordt bereikt. Als er
wat mocht gebeuren, dan heeft mijn fractie dat in ieder geval gemeld.
De heer DE WIT (FRIS): Ik
constateer dat mevrouw Vlekke het eens is met FRIS dat de wethouder zijn
huiswerk niet goed gedaan heeft.
De VOORZITTER: Dit is geen
interruptie op het betoog van mevrouw Vlekke want u zegt niets tegen haar.
De heer DE WIT (FRIS): Ik
wil tegen haar zeggen dat ze zo fair moet zijn om te zeggen: wij steunen het
voorstel niet.
Mevrouw VLEKKE (PvdA): Dat
hebben wij wel overwogen maar het is prettig om te zien hoe de discussie in de
raad zich ontwikkelt. Als je iets wilt dat niet haalbaar is, moet je de beste
oplossing kiezen.
De heer DE WIT (FRIS):
Eigenlijk is er niets om over te discussiëren. Dat waterplan en het
ligplaatsenplan zijn zo vaag.
De VOORZITTER: Dat is echt
geen interruptie.
De heer VAN DEN DOEL
(ChristenUnie/SGP): Kan mevrouw Vlekke in navolging van de CDA-fractie niet een
amendement indienen zodat wij een afweging kunnen maken? Dat lijkt mij
eerlijker dan zich nu al politiek te verschonen. Dat is niet zo netjes.
Mevrouw VLEKKE (PvdA): Nee,
uit de bijdragen van de verschillende fracties maak ik op dat men akkoord gaat
met de 2 meter. Ik solliciteer niet naar een afwijzing.
De heer VAN DEN DOEL
(ChristenUnie/SGP): Als u gerede argumenten heeft, dan moet u die netjes
uitspreken. U kunt die ook uitspelen aan de hand van een amendement. Dat is ook
politiek een net spel.
De heer MEULEMAN
(Stadsbelangen): Ik wil mevrouw Vlekke toch even corrigeren. Ik heb
nadrukkelijk gezegd dat als de brandweer een advies geeft, de raad daar niet
aan moet tornen. Dat verschilt van hetgeen zij zojuist heeft gezegd.
De heer STOELINGA (Leefbaar
Delft): Voorzitter. Ik vond de discussie over bootje-boompje in de commissie al
vreemd. Ik vind nog steeds, dat is de enige houvast die wij hebben, dat het
verschil, ik zal het niet geheim houden, tussen 100 gulden en 160 gulden groot
is. Het is een verschil van 60%. Dat vinden wij een kwalijke zaak.
De VOORZITTER: Mijnheer
Stoelinga, u moet echt leren dat u over geheime informatie uw mond houdt.
De heer STOELINGA (Leefbaar
Delft): Ik zeg: 160 gulden, 160 euro.
De VOORZITTER: U kletst. U
weet precies wat u doet en dat moet u laten want anders krijgt u hier het woord
niet meer over dit soort zaken.
De heer STOELINGA (Leefbaar
Delft): Ik zeg toch 100 euro, 160 euro?
De VOORZITTER: U hebt goed
gehoord wat ik heb gezegd en ik weet ook heel goed wat u in eerste termijn hebt
gezegd. Toen hebt u ook al wat gezegd over dit punt.
De heer STOELINGA (Leefbaar
Delft): Dat is uw insinuatie.
De VOORZITTER: Dat is
helemaal geen insinuatie. Als u de band naluistert, kan ik exact zeggen wat u
in eerste termijn en wat u in deze termijn hebt gezegd. Je hoeft niet
intelligent te zijn op de tribune om precies te kunnen afleiden dat u nu de
geheime informatie gewoon op tafel hebt gelegd. Dat hebt u gedaan!
De heer STOELINGA (Leefbaar
Delft): Ik vind van niet.
De VOORZITTER: Daarvoor zijn
twee mogelijkheden. Het komt u politiek niet uit of u begrijpt zelf niet wat u
zegt.
De heer STOELINGA (Leefbaar
Delft): Dit meningsverschil hebben wij eerder gehad.
De VOORZITTER: Dat weet ik.
De heer STOELINGA (Leefbaar
DELFT): Oké. Dan laat ik het hierbij.
De VOORZITTER: Dat lijkt mij
op zijn minst verstandig.
De heer DE WIT (FRIS):
Voorzitter, ik zit nu te twijfelen over hetgeen nu gebeurt. Als raadslid van
een fractie die de geheimhouding wel handhaaft, heb ik natuurlijk wel een
probleem. Uw oplossing is ook niet de goede.
De VOORZITTER: Wat is
volgens u de oplossing?
De heer DE WIT (FRIS): Ik
denk dat de oplossing moet zijn dat u om geruchten te voorkomen, de middelen
moet gebruiken tegen de heer Stoelinga die daarvoor beschikbaar zijn. Ik wil
verder in de raad bespreken of de geheimhouding moet worden voortgezet.
De VOORZITTER: Die discussie
is gevoerd en daarover heeft de raad besloten.
Wethouder GRASHOFF: Voorzitter.
Volgens mij is alles gezegd.
De VOORZITTER: Op het
ingediende amendement is nog niet officieel door het college gereageerd.
Wethouder GRASHOFF:
Voorzitter. Ik heb de argumentatie als zodanig op tafel gelegd. Dit zijn geen
verschillen waar Delft mee instort. De afweging van het college is duidelijk
geweest en ik laat het oordeel over het amendement aan de raad.
Mevrouw BOLTEN (GroenLinks):
Ik verzoek u tot een schorsing.
De vergadering wordt van
21.00 uur tot 21.15 uur geschorst.
De VOORZITTER: Wij waren toe
aan het afleggen van stemverklaringen over het amendement en het voorstel. Ik
kijk naar de fractie van GroenLinks om te zien of zij behoefte heeft aan het
afleggen van een stemverklaring.
Mevrouw BOLTEN (GroenLinks):
Voorzitter. Wij hebben lang beraadslaagd en besloten om tegen het aannemen van
het amendement te stemmen.
De VOORZITTER: Ik geef
gelegenheid tot het afleggen van verdere stemverklaringen.
De heer DE WIT (FRIS):
Voorzitter. Wij zijn verdeeld over het amendement. Het ene deel van mijn
fractie vindt het een verbetering en het andere deel vindt dat het gaat om een
bestaande situatie die jarenlang gedoogd is; nu wordt het opeens aangepast aan
de overtreder die daarmee zijn zin krijgt. Dat deel is dus tegen het aannemen
van het amendement.
De heer VAN DEN DOEL
(ChristenUnie/SGP): Voorzitter. Ik zal voor het aannemen van het amendement
stemmen. De hoogte van 3.60 meter was op zich al arbitrair en de argumenten van
de CDA-fractie hebben mij overtuigd.
In stemming komt amendement
A-I.
Het amendement wordt bij
handopsteken verworpen.
De VOORZITTER: Ik constateer
dat de fracties van Stadsbelangen, het CDA, de ChristenUnie/SGP, Leefbaar
Delft, de heer Fruyt Van Hertog en mevrouw Koning voor dit amendement hebben
gestemd.
In stemming komt het
voorstel.
Het voorstel wordt bij
handopsteken aangenomen.
De VOORZITTER: Ik constateer
dat de fractie van FRIS tegen het voorstel heeft gestemd.
100. Voorstel inzake keuze voorkeursvariant Spoorzone “Kort
versus Lang”.
(Stuk 81 – 03/013874)
Wethouder Grashoff wordt uitgenodigd bij de behandeling van
dit punt aanwezig te zijn.
De heer VONDELING (STIP): Voorzitter. Dit is eigenlijk meer
een stemverklaring dan een termijn. Wij willen toch nog even onze grote
tevredenheid en ons geluk uitspreken dat dit voorstel bij ons teweeg heeft
gebracht. Eindelijk is er een definitieve keuze gemaakt. Wij hopen dan ook dat
de raad unaniem voor de lange tunnel zal stemmen.
Mevrouw KONING (PvdA): Voorzitter. Ik denk dat u dit
fenomeen nog beter kent dan ik: een raad is goed in staat om over tienduizenden
euro’s heel lang te praten en over honderdduizenden euro’s kort. Die valkuil is
onze fractie bekend. Wij willen de in de notitie gepresenteerde cijfers dus
serieus bekijken om te bepalen of die cijfers niet onterecht opgeschreven zijn.
Omdat het niet mogelijk was om dit voor de commissievergadering echt goed in de
fractie te bespreken, heb ik het stuk mee teruggenomen. Dat maakte het mij
makkelijk om een aantal uitleggen die de wethouder heeft gegeven, bijvoorbeeld
over de verschillende soorten risico’s, mee te nemen naar de fractie. Dat kwam
eigenlijk wel goed uit. Onze conclusie is dat wij niet het gevoel hebben dat de
gepresenteerde bedragen heel erg ondoordacht of onverantwoord zijn. Het is
natuurlijk ook heel moeilijk om te zeggen dat het bedrag echt geen eurocent
meer zal worden, maar dat is bij dergelijke bedragen altijd het geval. Wij
steunen het voorstel dus.
Mevrouw GEURSEN (VVD): Voorzitter. Ook wij steunen de keuze
voor de lange tunnel, maar wij hechten tevens belang aan een unaniem besluit
van de raad op dit punt. Het is van belang dat de wethouder met unanieme steun
van de raad krachtig kan onderhandelen om de lange tunnel voor Delft
gerealiseerd te krijgen. Onze fractie heeft er vertrouwen in dat de financiële
middelen voor de tunnel in de onderhandelingen gevonden kunnen worden.
De heer VAN DEN DOEL (ChristenUnie/SGP): Voorzitter. Ik zal
het kort houden: de tunnel zij lang!
De heer DE WIT (FRIS): Voorzitter. Vooruitlopend op
vernieuwingen die de heer Vuijk van de VVD heeft voorgesteld, gaan wij vanavond
de in de commissie ingebrachte zaken niet herhalen. In de tussentijd is er
niets gewijzigd; wij zijn dus nog steeds tegen dit voorstel.
Wethouder GRASHOFF: Voorzitter. Mevrouw Geursen heeft goed
verwoord dat brede steun nodig is voor deze keuze voor de variant van de lange
tunnel. Die steun ervaar ik ook in de raad. Het is aan de ene kant een heel
logische keuze; aan de andere kant beheerst zij op een vreemde manier de
gemoederen. Niet voor niets heb ik vanavond de bijgestelde beslispunten van de
externe stuurgroep doen uitreiken, omdat de afgelopen week in ieder geval
Verkeer en Waterstaat toch nog niet aan deze keuze voor de lange tunnel toe
was.
Dat is niet zeer dramatisch, heel ingewikkeld of wat dan
ook, maar het is natuurlijk wel een punt waarvan ik vond dat u dat moest weten.
Er was geen mogelijkheid om dat anders te doen. Daarbij is het des te meer van
belang dat wij vanuit Delft helder, duidelijk en stevig blijven vasthouden aan
een hele tunnel en niet een halve.
De heer DE WIT (FRIS): Voorzitter. Tijdens de
commissievergadering heeft FRIS gezegd “Doe eens rustig aan, mijnheer Grashoff,
want u loopt weer voor de troepen uit”. Dat wordt vanavond gewoon bevestigd.
Wij weten immers nog niet hoe het nieuwe kabinet staat tegenover geld voor
knooppunten in het openbaar vervoer versus asfalt. Vanavond wordt ons keihard
meegedeeld dat Verkeer en Waterstaat …
Mevrouw KONING
(PvdA): Ik dacht dat u niet deed aan herhaling van zetten.
De heer DE WIT (FRIS): Nee, maar er komt vanavond een nieuw
feit naar boven, wat ons behoorlijk angst inboezemt dat wij straks toch op een
korte tunnel zullen uitkomen.
Wethouder GRASHOFF: Voorzitter. Ik zou wensen dat het
inzicht bij FRIS hiermee zou zijn toegenomen om dit voorstel te steunen in
plaats van af te wijzen.
De heer DE WIT (FRIS): Dat is allemaal wel leuk, maar u moet
eigenlijk gewoon afwachten; dan pas moeten wij als Delft met een duidelijk
standpunt komen.
De VOORZITTER: Er
zijn verschillende methoden van onderhandeling.
De heer DE WIT
(FRIS): Net als bij die boten.
De VOORZITTER: Zeker.
Ik geef gelegenheid voor het afleggen van stemverklaringen.
De heer MEULEMAN (Stadsbelangen): Voorzitter. Onze fractie
heeft dit jaar al twee keer “ja” gezegd tegen de lange variant. Ik hoop dat,
wanneer wij voor de derde keer “ja” zeggen, u dat gelooft.
Mevrouw BOLTEN
(GroenLinks): Voorzitter. Ook voor ons geldt: “driemaal is scheepsrecht”.
De heer STOELINGA (Leefbaar Delft): Voorzitter. Wij wensen
de wethouder veel succes met het langere graven, want wij zijn voor de lange
zone.
In stemming komt het
voorstel.
Het voorstel wordt
bij handopsteken aangenomen.
De VOORZITTER: Ik
constateer dat de FRIS-fractie tegen het voorstel heeft gestemd.
101. Voorstel tot instemming met de uitvoeringsregeling
stimuleringssubsidie straatfeesten en -festijnen.
(Stuk 68 – 03/011302)
Wethouder
Torenstra wordt uitgenodigd bij de behandeling van dit punt aanwezig te zijn.
De heer MEULEMAN (Stadsbelangen): Voorzitter. Ik wil het bij
een stemverklaring houden. Bij de behandeling van de Zomernota van vorig jaar
heeft onze fractie de motie van de fractie van GroenLinks niet gesteund, hoewel
wij die wel sympathiek vonden.
Wij vonden immers dat met dit voorstel sprake is van een
vorm van rechtsongelijkheid. Aan de ene kant hebben wij in Delft straten met
twaalf huishoudens; die kunnen dus nooit aanspraak maken op deze vorm van
“stratensubsidie”. Aan de andere kant zijn er straten met bijvoorbeeld 160
woningen, die het met hetzelfde bedrag moeten doen als straten met 20 woningen.
Wij vinden dat een vorm van rechtsongelijkheid. Daarom zullen wij dit voorstel
niet steunen.
De heer VAN TONGEREN (CDA): Voorzitter. Indertijd, bij de
behandeling van de Zomernota, heeft de CDA-fractie tegen de motie gestemd die
achter dit voorstel ligt. Wij zullen ook vanavond tegen dit voorstel stemmen.
Onze argumentatie daarvoor is eigenlijk heel eenvoudig. Kennelijk ligt achter
dit voorstel de aanname dat Delftenaren subsidie nodig hebben om een feestje te
kunnen vieren. Wij vinden dat een verkeerde benadering. Onze inwoners zijn mans
genoeg om zonder subsidie van de gemeente een feestje te kunnen organiseren.
Wij vinden dat dit vooral zo moet blijven.
Wethouder TORENSTRA: Voorzitter. Ik heb geen behoefte om te
reageren, want dit waren twee stemverklaringen.
In stemming komt het
voorstel.
Het voorstel wordt
bij handopsteken aangenomen.
De VOORZITTER: Ik constateer dat de fracties van
Stadsbelangen en het CDA tegen het voorstel hebben gestemd.
102. Voorstel inzake de heropzet van het programma integraal
Jeugd- en Jongerenbeleid.
(Stuk 88 – 03/013265)
Wethouders Oosten en Rensen
worden uitgenodigd bij de behandeling van dit punt aanwezig te zijn.
De VOORZITTER: Er is vanavond iets bij u op tafel gelegd wat
niet in orde is. Misschien is het handig als de wethouder dat corrigeert, want
anders rolt u daar allemaal terecht overheen.
Wethouder OOSTEN: Voorzitter. Het is niet wereldschokkend,
maar in de memo over de toelichting van de tijdelijke uitbreiding van het
jongeren- en tienerwerk wordt voorgerekend dat wij 60.000 euro gaan besteden
aan deze tijdelijke maatregel, terwijl in het raadsbesluit nog het bedrag van
68.000 euro staat. Dat bedrag zou ik graag gewijzigd hebben in 60.000 euro. Dit
betreft slechts een iets latere ingangsdatum: in het oorspronkelijke voorstel
was uitgegaan van 1 mei, maar in het raadsbesluit wordt uitgegaan van 1 juni.
De heer MEULEMAN (STIP): Voorzitter. Wij hebben het
jongerenbeleid al uitgebreid in de commissie besproken. Die discussie zal ik hier
niet herhalen. Ik wil er echter nog wel een aantal voor onze fractie
belangrijke punten uitlichten. Ten eerste benadruk ik dat de STIP-fractie
verheugd is met het extra geld dat voor het jongerenopbouwwerk beschikbaar
komt. Wij hopen en verwachten dat de 5 extra fte’s voldoende zullen zijn om de
problemen binnen het jongerenopbouwwerk effectief aan te pakken. Het is een
goede zaak dat de openingstijden van het jongeren- en tienerwerk verruimd
kunnen worden om aan de behoefte tegemoet te komen. Wij hebben de afgelopen
tijd vaak gehoord dat die behoefte bestaat.
Dat brengt mij bij mijn tweede punt: de waardering van de
deelname aan het jongerenbeleid door jongeren. De STIP-fractie wil het belang
van een positieve waardering van deelname door jongeren graag benadrukken. Wij
spreken jegens de wethouder de verwachting uit dat wij hierover in de toekomst
cijfermateriaal zullen krijgen.
Ons derde punt betreft de breedte van het jongerenbeleid.
Het jongerenbeleid omvat namelijk veel meer dan de jongeren die hulp of zorg
nodig hebben. Wij hebben in de commissie al onze aarzeling uitgesproken over
het bij de Regiegroep Delfts Sociaal Beleid leggen van de regie over het
uitwerken van de relatie tot de andere grote programma’s, maar wij zien ook
zelf niet een, twee, drie een club die dit wel zou moeten doen. Wij zullen zelf
waken over de regie door die regiegroep en wij zullen erop toezien dat er niet
een te groot accent op de zorg ontstaat.
De heer EDUARD (Leefbaar Delft): Voorzitter. Zoals Leefbaar
Delft in de commissievergadering al heeft aangegeven, staan wij positief
tegenover het voorstel aangaande het jeugd- en jongerenbeleid. Net als in de
commissievergadering van donderdag 16 mei willen wij in deze raadsvergadering
een paar zaken nogmaals onder de aandacht brengen voordat zij in het
vergeethoekje raken en voordat een andere partij later ineens denkt een geniaal
idee te hebben. Vandaar dat wij deze punten alsnog in de raad willen vermelden,
waar dat tenslotte thuishoort.
Allereerst ga ik in op de Melkertbanen binnen de
welzijnsorganisatie. Sommige mensen met een Melkertbaan hebben een opleiding op
MBO-niveau aangeboden gekregen en afgerond. Omdat momenteel op dit niveau
enkele vacatures zijn uitgeschreven, wil de wethouder, zoals in de commissie
aangegeven, laten onderzoeken of sommigen van deze mensen kunnen doorstromen
naar een vaste baan in het tiener- of jongerenwerk. Leefbaar Delft is daar een
groot voorstander van en hoopt dat de wethouder de daad bij het woord zal
voegen. Wij zullen deze zaak met argusogen volgen, omdat het niet zo kan zijn
dat mensen niet doorstromen omdat de wethouder dan enkele subsidiepotjes
kwijtraakt, zoals hij liet doorschemeren in de commissie.
Leefbaar Delft wil graag van de wethouder weten of hij
bereid is om de productoffertes om de twee jaar te bespreken. Dit is in steden
om ons heen gebruikelijk. Dit betekent dat er voor twee jaar productafspraken
met de welzijnsorganisatie worden gemaakt. De welzijnsorganisatie kan dan in
een kwartaalrapportage aangeven hoe het met de door de gemeente ingekochte
producten gaat. Het is een feit dat je veel beter in staat bent om te evalueren
als het gaat om structurele activiteiten of projecten. Tevens voorkom je
problemen zoals bij de kinderopvang Octopus, waar wij weer eens achter de feiten
aan liepen.
Leefbaar Delft blijft bij het standpunt dat er in het
jongerenwerk een fte extra moet komen, zodat een jongerenwerker kan worden
ingezet bij calamiteiten of ziektevervanging. Als er nu 5 fte’s bij komen,
zitten wij nog op het minimum. Ook naar aanleiding van het inspreken van een
burger uit de binnenstad, die aangaf dat in de binnenstad op dit moment weinig
of niets aan jongerenwerk wordt gedaan, lijken 6 fte’s ons beter.
Leefbaar Delft hoopt dat de gemeente ophoudt met pochen over
de jongerenraad. In de commissie is immers duidelijk geworden dat de
jongerenraad geen afspiegeling is van de bevolking en de wijken van Delft.
Slechts een kleine groep jongeren heeft deze raad tot stand gebracht. Leefbaar
Delft is zeker niet tegen een jongerenraad, maar liefst per wijk. De huidige
jongerenraad is wel goed, maar heeft nog geen ideale constructie.
Ons advies is dan ook om met de huidige jongerenraad te
bekijken hoe de jongerenraad een betere afspiegeling kan worden. De
jongerenraad moet een structureel product worden bij de welzijnsorganisatie.
Zoals ik in mijn inleiding al heb gezegd, adviseren wij positief.
De heer MEULEMAN (Stadsbelangen): Voorzitter. Ook wij hebben
in de commissievergadering een positief geluid laten horen over dit voorstel, hoewel
wij enigszins kritisch waren over de financiering. De wethouder heeft daar
zojuist een opmerking over gemaakt, maar het in het stuk opgevoerde
bruto-uurloon blijft vrij hoog. Maar goed, dat zij zo; wij zullen het stuk niet
om die reden blokkeren.
In de commissie hebben wij heel nadrukkelijk aangegeven dat
de notitie “Het gaat steeds beter met jongeren in Delft” wat ons betreft “Er
kan nog veel verbeterd worden voor de jongeren in Delft” zou moeten heten. Nog
even in de categorie “kritiek leveren”: het is onze fractie inmiddels wel
duidelijk dat, gelet op de huidige signalen van de jongeren en vanuit het veld,
het jongerenwerk in de afgelopen jaren veel te traag op gang is gekomen. Dat
mag de STIP-fractie zich aanrekenen, omdat in het vorige college STIP-wethouders
hiervoor verantwoordelijk waren. Maar goed, STIP krijgt een herkansing in deze
periode.
Wij waren overigens verbaasd over de opmerking van wethouder
Oosten dat er meer jongerenwerkers nodig zijn omdat er nu meer jongerenhonken
zijn. Dat had je natuurlijk van tevoren kunnen bedenken: als je gebouwen bouwt
om het jongerenwerk uit te breiden, heb je extra jongerenwerkers nodig. De
slogan van het vorige college was “van hard naar zacht”, maar volgens ons is
het college blijven steken bij het woordje “hard”. In de krant staat daar ook
een voorbeeld van: gebouwen staan 70% van de tijd leeg; daar bouwen wij die
gebouwen niet voor. Daar kosten zij veel te veel geld voor.
Onze fractie is positief gestemd over de terechte aandacht
die het integrale jeugd- en jongerenwerk nu wel van het college krijgt en niet
alleen op papier. De wethouder heeft voorstellen aangekondigd bij de
programmabegroting. Wij zien die met belangstelling tegemoet. In tegenstelling
tot de fractie van Leefbaar Delft doen wij nog geen uitspraak over het aantal
fte’s dat erbij zou moeten komen; dat zien wij dan wel bij het voorstel waar de
wethouder mee komt.
Wij willen wel twee piketpaaltjes slaan. De fractie van
Stadsbelangen heeft behoefte aan een discussie over de toekomstige rol van de
BWD en over het onderwerp jeugdraad. Wij gaan akkoord met het voorstel.
De heer ENGELS (CDA): Voorzitter. Wij hebben het stuk mee
teruggenomen naar de fractie om er nog even over te praten. Vooral het
ontbreken van meetbare doelstellingen met harde cijfers en het niet goed
vaststellen van vertrekpunten vinden wij heel moeilijk. Ik denk dat dit eerder
zorg zal dragen voor een mislukking van het project dan voor een geslaagd
project. De wijkcoördinator wordt genoemd als cruciaal voor de ontwikkeling, maar
die is ook in de wijkplannen al meerdere malen genoemd. Daarbij werd gezegd dat
hij erg zwaar belast was en dat hij steun nodig had van het wijkopbouwwerk. Wij
vragen ons bij dit soort beleid – het wijkwerk, de sportvisie en de brede
school – overigens af waar de precieze taakafbakeningen van de coördinatoren
liggen: de wijkcoördinator, de wijkopbouwwerker, de wijkopzichter, de
wijknetwerker, de wijkagent, de jeugdopbouwwerker, de zorgteams, de
woningbouwcorporatie, de preventieadviseurs, de coördinator integraal
veiligheidsbeleid enzovoort. Wij zien zo langzamerhand door de bomen het bos
niet meer. In de evaluatie van het actieplan 2002 zijn te veel ontwikkelingen
niet gelukt of blijven hangen.
Er zijn ook te weinig lijnen uitgezet om die ontwikkelingen
door te zetten. Vandaar dat er gesproken wordt van een heropzet en niet van een
continuering van het geheel, wat beter zou zijn geweest.
In de commissie hebben wij al gezegd dat wij het integraal
plan liever zien met analyses van de beginsituatie, de doelstellingen, het
tijdpad en een financiële paragraaf per onderwerp, waardoor het voor iedere
betrokkene helder is; volgens ons is de kans van slagen dan het grootst.
Uiteindelijk gaat het om een zeer belangrijke ontwikkeling en om zeer veel
geld.
De heer DE WIT (FRIS): Voorzitter. Wegens het ontbreken van
enige visie zijn wij tegen het voorstel.
De heer BOT (GroenLinks): Voorzitter. De fractie van
GroenLinks is in de commissie akkoord gegaan. Ik heb weinig behoefte om
vanavond veel te herhalen. Wij zijn heel blij dat de commissie de signalen uit
de commissie Extern snel heeft opgepakt en de wens heeft uitgesproken om de
formatie van het jongerenwerk structureel behoorlijk te vergroten. Wij zien de
verdere voorstellen bij de Zomernota tegemoet, net als de discussie over de rol
van de BWD en de precieze taakafbakening en de interessante discussie over de
mogelijkheid van instroom/doorstroombanen, juist binnen de BWD. Verder hebben
wij behoefte aan een verdere discussie over de jongerenraad, maar dan in het
kader van de gehele participatie van jongeren in het jongerenbeleid; die
discussie heeft de wethouder echter al toegezegd in de commissie.
Mevrouw STOLKER (PvdA): Voorzitter. Vorige week heeft de
PvdA-fractie in de commissievergadering gepleit voor verbetering van het
tiener- en jongerenwerk, niet alleen in kwantitatieve zin, maar ook in
kwalitatieve zin. Wij zijn dan ook blij dat in de memo staat dat deze middelen
besteed zullen worden aan het inzetten van HBO-opgeleid personeel. Het zal dus
duidelijk zijn dat wij het voorstel nog steeds steunen.
Mevrouw VAN DER HOEK (VVD): Voorzitter. De VVD-fractie was
al blij met de uitvoerige behandeling van dit belangrijke onderwerp in de
commissie. Daar hebben wij onze instemming al betuigd, maar zoals elke fractie
hechten wij eraan om dat ook in de raad uit te spreken. Ook wij zullen
binnenkort, met name in commissieverband, graag terugkomen op de al door de
heer Meuleman van de fractie van Stadsbelangen genoemde piketpaaltjes. Dat
hoeft voor ons niet in de raad te gebeuren. Met de behandeling van de
programmabegroting in de raad zal het onderwerp jeugd- en jongerenwerk
uiteraard weer onze aandacht hebben.
Het moge duidelijk zijn: wij waren in de commissie al
akkoord gegaan en ook nu gaan wij akkoord.
De heer VAN DEN DOEL (ChristenUnie/SGP): Voorzitter. Ik ben
niet zo tevreden over de stukken die wij hebben ontvangen. In de eerste versie
van stuk 88 II staat iets heel anders dan in de versie die vanavond op tafel
ligt. Dat betreur ik, want dat had ons eerder gemeld kunnen worden, zodat in de
fractie een standpunt ontwikkeld had kunnen worden over de
ontwikkelingsrichting van het jeugd- en jongerenwerk. Daarover stond in de
eerste versie van stuk 88 II in het geheel niets geschreven. Dit stuk 88 II is
ook niet in overeenstemming met stuk 88 I. Dat is jammer. Ook van stuk 88 I had
dus een nieuwe versie moeten worden geschreven, want daarin staat iets heel
anders. Het is eigenlijk geen manier van doen om zo’n stuk met een zodanig
gewijzigde inhoud zo laat op tafel te leggen, terwijl de commissievergadering
de afgelopen week is geweest. Dit had dus op een eerder tijdstip bij ons op
tafel kunnen liggen. Ik zal op dit moment niet instemmen met het voorliggende
stuk.
Wethouder OOSTEN: Voorzitter. Ik dank de raad voor de uitvoerige
steun voor dit stuk; ik denk dat het jongerenwerk dat ook verdient. Ten aanzien
van de rol van de BWD heb ik in de commissie al gezegd dat de raad daar in het
najaar op terug kan komen in het kader van het productenboek; reeds eerder, bij
de programmabegroting, kan de raad terugkomen op het precieze aantal fte’s dat
wij qua uitbreiding gaan voorstellen. Die discussie hoeven wij nu dus niet te
voeren.
Het instromen in reguliere arbeidsplaatsen van mensen die nu
via een Melkertbaan bij de BWD werkzaam zijn, wordt uiteraard door het college
gesteund. Dat kost geen subsidiegeld. Integendeel, er vallen dan plekken vrij.
Het is dus niet waar dat wij er om die reden tegen zouden zijn of dat wij dat
willen tegenwerken. Wel is het uiteraard zo dat er gewoon geworven werd en dat
de mensen aan de selectiecriteria moeten voldoen.
Ik ben mij er niet van bewust dat ik ooit gepocht zou hebben
met de resultaten van de jongerenraad. Integendeel: ik heb in de commissie
gezegd dat ik de jongerenraad als een voldongen feit accepteer, maar dat ik
geconstateerd heb dat die nooit op verzoek van de raad is ingesteld. De
jongerenraad is spontaan ontstaan en wordt gesteund door de BWD. Dat wil niet
zeggen dat wij het werk van de jongerenraad niet naar waarde schatten, want ik
heb ook gezegd dat wij, nu de jongerenraad er is, er dankbaar gebruik van
zullen maken. Op de rol van de jongerenraad zullen wij, zoals ik ook al in de
commissie heb gezegd, terugkomen wanneer wij gaan praten over participatie in
het algemeen; dan zullen wij het immers ook hebben over de participatie van
verschillende doelgroepen. In het kader van het laatste productenboek heeft de
raad in het afgelopen najaar de steun aan de jongerenraad overigens zelf
goedgekeurd; daar krijgt de raad komend najaar dus een nieuwe kans voor, want
dan zullen wij weer de productafspraken met de BWD vaststellen. Dan zullen wij
zien of daar wederom een bedrag in genoemd wordt voor ondersteuning van de
jongerenraad. Het is dan aan de raad om daar iets van te vinden.
Ook de discussie over de vraag of wij productafspraken voor
één jaar of voor twee jaar moeten maken, verwijs ik graag door naar dit najaar.
Op het moment waarop het nieuwe productenboek aan de orde is, lijkt ook die
discussie mij op haar plaats. Voorlopig werken wij op basis van jaarlijkse
afspraken, maar als de raad vindt dat de afspraken twee jaar mee kunnen, hoor
ik dat tegen die tijd wel. Dan kunnen wij daarover uiteraard van gedachten
wisselen.
De genoemde 50 euro is gewoon een tarief dat de BWD rekent
voor een uur jongerenwerk. Daar zit uiteraard meer in dan alleen het brutoloon.
Er zit ook een stukje bureaukosten in, evenals andere kosten die de BWD moet
maken om het jongerenwerk mogelijk te maken. Als er een organisatie in de stad
zou zijn die dezelfde kwaliteit voor minder geld zou leveren, zou ik het
ogenblikkelijk daar kopen, maar wij hebben helaas maar één organisatie in de
stad die dit werk levert.
In de commissie ben ik ook al ingegaan op de opmerking van
de CDA-fractie over meetbare doelstellingen. Je kunt uiteraard discussiëren
over de vraag of je hier nu praat over input- of uitputdoelstellingen. Wij
hebben onze doelstellingen ten aanzien van het jeugd- en jongerenwerk
geformuleerd in termen van aantal uren per accommodatie, per wijk. Daar hebben
wij geen nultelling voor nodig, want dat weten wij. Wij weten ook dat de nota
“Knopen in de wijken” ons vertrekpunt was. Daar komt nu een aantal uren bij;
ook dat aantal uren kennen wij. De doelstelling wordt dus in die zin gewijzigd
dat het aantal uren wordt verhoogd.
Het is een stuk lastiger om doelen te gaan formuleren in de
zin van hoe gelukkig de jongeren van al dat jongerenwerk worden en al helemaal
om op dat punt dingen te gaan meten. Zoals in de stukken is vermeld, zijn wij
wel van plan om in het najaar een monitor op te zetten om te bekijken welk
gebruik er wordt gemaakt van de verschillende aangeboden faciliteiten en
hoeveel jongeren op de verschillende activiteiten af komen. Op dat punt willen
wij dus wel iets meer gaan meten.
Dan nog de opmerking van de heer Van den Doel over de
gewijzigde pagina. Die wijziging heeft eigenlijk plaatsgevonden naar aanleiding
van de behandeling in de commissie. Het spijt mij dat de heer Van den Doel daar
niet van op de hoogte was, maar dit is de tekst die in het stuk stond dat in de
commissie voorlag. In de commissie werd geconstateerd dat in het raadsvoorstel
dat ik aan de raad wilde aanbieden, een iets andere formulering van het besluit
stond. Toen hebben wij afgesproken om het besluit aan te passen aan de formulering
die in het commissiestuk stond. Daarmee is de commissie ook akkoord gegaan.
De heer MEULEMAN (STIP):
Voorzitter. Wij kunnen ons goed vinden in de beantwoording van de wethouder dat
er meer gemeten wordt in het jongerenbeleid en dat wij meer kunnen zien wat de
graad van participatie is. Ten aanzien van de jongerenraad willen wij
benadrukken dat wij deze zien als een publiekmaatschappelijke actor die
onafhankelijk van de politiek zijn stem aan de politiek laat horen. Wij willen
de jongerenraad niet representatiever voorstellen dan zij is. De raad en het
college moeten ervoor oppassen dat zij de mening van de jongerenraad niet
automatisch niet vertalen naar de mening van alle Delftse jongeren. Het is
echter een club die zeker gehoord moet worden. Laten wij de andere jongeren in
Delft ook niet vergeten. Als wij de mening van de Delftse jongeren willen
horen, dan moeten wij breder raadplegen dan slechts de jongerenraad.
De heer ENGELS (CDA):
Voorzitter. Wij hebben niet veel meer nieuws gehoord van de wethouder dan
hetgeen in de commissievergadering naar voren is gekomen.
Wethouder OOSTEN: U heeft
ook niets nieuws gevraagd.
De heer ENGELS (CDA): Wij
hebben later nog over deze zaak gesproken en ook toen heb ik niet veel nieuws
gehoord, althans betrekking hebbende op de nulmeting enzovoorts. Wij waren in
de commissie akkoord met de uitbreiding van het jongerenwerk met 5 fte’s. Ik
begrijp echter dat het plan in totaliteit moet worden gezien en wij zullen
daarom tegenstemmen vanwege het eerste bolletje over de ontwikkelingsrichting
van het jeugd- en jongerenwerk. Ik weet niet of ik straks nog een
stemverklaring mag afleggen?
De VOORZITTER: Ik wijs u
erop dat u niet tegen een deel van het besluit kunt stemmen. Als u het besluit
aanvaardt, dan aanvaardt u het gehele besluit. U kunt wel een aantekening laten
maken maar u steunt het gehele besluit als u voorstemt.
De heer ENGELS (CDA): In dat
geval zullen wij het besluit niet steunen, maar met bloedend hart ten aanzien
van het tweede en derde bolletje. Die hebben onze sympathie. Omdat het echter
om het totale stuk gaat, zullen wij het niet steunen.
De heer VAN DEN DOEL
(ChristenUnie/SGP): Voorzitter. Ik zal het voorstel niet steunen omdat ik
voorstander ben van slechts een gedeelte daarvan. Ik sta voor hetzelfde dilemma
als de heer Engels.
Het eerste en laatste
bolletje kunnen op mijn steun rekenen, maar het tweede en derde niet omdat met
betrekking tot de ontwikkelingsrichting van jeugd- en jongerenwerk nauwelijks
doelstellingen geformuleerd zijn. Op grond daarvan wijs ik dit punt en dus het
hele stuk af.
In stemming komt het
voorstel.
Het voorstel wordt bij
handopsteken aangenomen.
De VOORZITTER: Ik constateer
dat de fracties van de ChristenUnie/SGP, het CDA en FRIS tegen het voorstel
hebben gestemd.
103. Voorstel tot
vaststelling van de gedragscode voor het college van burgemeester en wethouders
(Stuk 64 – 03/010477)
De collegeleden worden
uitgenodigd bij de behandeling van dit punt aanwezig te zijn.
De heer GABELER (Leefbaar
Delft): Voorzitter. Wij hebben besloten om niet deel te nemen aan de discussie.
De reden krijgt u zodadelijk op schrift rondgedeeld. Wij zullen nu de zaal
verlaten.
De VOORZITTER: Als u niet
aan de beraadslaging wilt deelnemen, hoeft u de zaal niet te verlaten. Alleen
als u niet wilt deelnemen aan de stemming dient u de zaal te verlaten. Het
staat u natuurlijk vrij om te pauzeren.
De heer VONDELING (STIP):
Voorzitter. Met de komst van het aangepaste stuk ziet mijn fractie al haar
wensen in vervulling gaan. Ik heb daar verder niets over te zeggen. Mijn
fractie stemt voor het aannemen ervan.
Mevrouw BOLTEN (GroenLinks):
Voorzitter. Wij stemmen in met het stuk.
In stemming komt het
voorstel.
Het voorstel wordt bij
handopsteken aangenomen.
De VOORZITTER: Ik constateer
dat het voorstel met algemene stemmen aanvaard is.
104. Voorstel tot
vaststelling van de gedragscode gemeenteraad.
(Stuk 61 – 03/005142)
De heer VONDELING (STIP):
Voorzitter. Mijn fractie gaat akkoord met de voorgestelde gedragscode en ziet
graag dat het stuk snel wordt aangenomen zodat de raad zich minder naar binnen
gericht van haar taak kan kwijten. De raad dreigt het contact met en het
respect van de burger te verliezen. Het wordt tijd dat de raad daar wat aan
doet en meer aandacht aan de rest van de stad gaat besteden. Het aanvankelijke
enthousiasme voor openheid en transparantie van na de verkiezingen begint te
vervagen. Overigens wil ik de status van de gedragscode niet bagatelliseren:
als iets goed is, is het wat de STIP-fractie betreft klaar.
Mevrouw VLEKKE (PvdA):
Voorzitter. Ik wil allereerst een opmerking maken over het pamfletje dat
zojuist is uitgereikt omdat het in relatie staat met het agendapunt dat nu ter
tafel ligt. Het pamfletje komt van Leefbaar Delft en daarin staat: “Wij vinden
dat met het instellen van gedragsregels ook een verandering merkbaar moet zijn
bij de raad.
Daarvan hebben wij de
laatste tijd niets gemerkt.” Wij hebben net het optreden gezien van de
fractievoorzitter van Leefbaar Delft; dat stond haaks op de opmerking die zij
zelf maken in dit pamflet. Ik vind het echt een koekje van eigen deeg dat zij
hier hebben neergelegd. Naar mijn mening kan dit niet.
Ik kom op stuk 61, de eigen
gedragscode. Het wordt helaas de hoogste tijd dat wij met elkaar gedragsregels
afspreken. Het optreden van de heer Stoelinga daarnet heeft dat bewezen. Ik
wijs in dit verband op punt 1.2: “Een raadslid onthoudt zich van al hetgeen het
aanzien van de raad schaadt.” Het feit dat hier een fractie rondloopt met
T-shirts aan om een andere fractie belachelijk te maken, is een goed voorbeeld
van hoe het niet hoort.
De heer DE WIT (FRIS): Wilt
u nu zo ver gaan dat u een kledingvoorschrift voorstelt? Van mij mag de heer
Stoelinga aantrekken wat hij wil.
Mevrouw VLEKKE (PvdA): Van
mij ook, maar als hij daarop letters draagt die verwijzen naar een andere
fractie vind ik dat het niet kan, niet op deze wijze. Ik heb echter het idee
dat de VVD-fractie daarop terugkomt.
De heer DE WIT (FRIS): In de
gedragscode staat dat u de heer Stoelinga daarop vooraf moet aanspreken.
Mevrouw VLEKKE (PvdA): Ik
weet toch niet wat hij gaat aantrekken?
De heer DE WIT (FRIS): Hij
is aanwezig geweest bij de behandeling van de eerste agendapunten maar nu hij
niet aanwezig is, gaat u hem zwart maken.
Mevrouw VLEKKE (PvdA): Ten
eerste heb ik de heer Stoelinga niet gevraagd of hij de zaal wilde verlaten.
Ten tweede is deze raadsvergadering nog niet voorbij.
Ik wil nu verder gaan met de
artikelnummers van de gedragscode. Ik zoem daarbij met name in op de artikelen
5 en 10. De artikelen 5.1 en 5.2 zijn recentelijk aangepast. Sommige leden van
mijn fractie vinden de eerdere versie een betere weergave van hetgeen wij
beoogden. Wij zijn bang dat het handhaven van 5.1 tot gevolg heeft dat wij vaak
bij elkaar moeten komen om ervoor te zorgen dat alles goed loopt. Dat is
jammer, maar wij willen toch afwachten hoe dit punt in de komende periode zal
uitwerken. Wij zullen dit punt daarom overnemen zoals het er staat, maar wij
vragen de portefeuillehouder wel of hij bereid is om de gedragscode over een
jaar tegen het licht te houden om te bezien of deze uitpakt zoals gewenst is.
Artikel 10 heeft geleid tot
een uitgebreide discussie in mijn fractie. De leden van de PvdA-fractie denken
zeer genuanceerd over dit onderdeel. In het verleden is afgesproken dat raadsleden
in een beroep- en bezwaarcommissie zitting kunnen nemen met name omdat zij op
die manier goed kunnen zien hoe vastgesteld beleid uitwerkt in de praktijk. Dat
is een goede reden. Als je verbiedt dat raadsleden aan de andere kant zitten,
dan moet je ook zeggen dat raadsleden niet aan de kant van de gemeente mogen
zitten. Of alle twee wel of alle twee niet. Daarbij speelt ook de vraag: zitten
wij met de bezwaarschriftencommissie in de heroverweging van een besluit of
gaat het om het begin van een juridisch traject? Over dit punt wordt in ieder
geval binnen mijn fractie verschillend gedacht. Ik laat het daar nu even bij.
De heer VAN TONGEREN (CDA):
Voorzitter. De gedragscode waarover wij vanavond besluiten, ligt onze fractie
minder zwaar op de maag dan de vorige versie, die naar ons idee van alle
raadsleden brave grijze muizen leek te willen maken. Er lijkt nu wat meer
ruimte te zijn voor een politiek profiel en voor een persoonlijke stijl. Toch
zijn wij nog niet op alle punten even gelukkig. Onze kanttekeningen richten
zich vooral op artikel 5 en 10 en op het sanctie-instrumentarium.
Artikel 5 gaat over
meningsuitingen. In onze ogen is dat artikel ten opzichte van de vorige versie
wel wat opgeknapt, maar toch nog tamelijk dirigistisch. Wij kunnen ons bijvoorbeeld
bij artikel 5.4 weinig voorstellen. Daarin staat dat naderhand onjuist gebleken
beweringen door het betrokken raadslid publiekelijk worden gerectificeerd. Dat
is wel erg ruim en vaag want niet elke onjuist gebleken bewering is even
relevant en komt voor deze behandeling in aanmerking. Wij hebben ook geen goed
beeld van de uitvoering hiervan. Moeten wij ons voorstellen dat bij elke
commissievergadering een nieuw vast punt "rectificatie van onjuistheden
van de afgelopen weken” wordt ingevoerd waarbij iedereen publiekelijk te biecht
gaat? Wij begrijpen en onderschrijven de intentie maar wij kunnen ons niets
voorstellen bij de uitwerking van dit artikel.
In artikel 10 staat dat een
raadslid inwoners niet meer mag helpen bij een procedure waar de commissie voor
beroep en bezwaarschriften aan de orde is. Wij vinden dat een onnodige en
ongewenste inperking…
De VOORZITTER: Er staat niet
“niet helpen”.
De heer VAN TONGEREN (CDA):
Nee, er staat “optreden”. Ik zal het even rectificeren.
De VOORZITTER: Dat hoeft nog
niet.
De heer VAN TONGEREN (CDA):
Ik heb al een idee van de wijze waarop de stemming zal verlopen. In artikel 10
staat dat een raadslid niet meer mag optreden bij een procedure in een
commissie voor beroep of bezwaarschriften. Wij vinden dat een onnodige en
ongewenste inperking van de rol van raadsleden. De eerste reden daarvoor ligt
in de inhoud en strekking van de Algemene wet bestuursrecht, de tweede reden
ligt in onze opvatting over de rol van raadsleden als volksvertegenwoordiger.
De Algemene wet bestuursrecht zegt naar ons idee dat de fase waarin bezwaren
worden ingediend nog steeds onderdeel vormt van het besluitvormingsproces. Een
eerder genomen besluit wordt in dit geval door B&W heroverwogen en zij
maken daarbij gebruik van het advies van een adviescommissie. Ook al ziet het
in de vormgeving eruit als een rechtszaak, het is het niet. Het is het
heroverwegen van een besluit door hetzelfde orgaan dat het besluit heeft
genomen. Raadsleden kunnen daar een rol in blijven spelen. Er is geen sprake
van strijdigheid met artikel 15 van de Gemeentewet. De CDA-fractie vindt het
onverstandig om een verschil van mening tussen inwoner en gemeente, dat de vorm
van een bezwaarschrift heeft gekregen, gelijk te stellen aan een juridische
procedure en in lijn daarmee raadsleden te verbieden zich daarmee te bemoeien.
Het bestuur wordt hiermee in de ogen van mijn fractie onnodig gejuridificeerd.
De tweede reden ligt in onze
opvatting over de rol van raadsleden als volksvertegenwoordiger. Wij maken het
allemaal mee: inwoners zijn het zo nu en dan niet eens met een beslissing van
de gemeente. Een aantal van hen vraagt dan aan raadsleden de weg in het woud
van de procedures. In sommige gevallen leidt een en ander tot een
bezwaarschrift. Het kan zijn dat een raadslid een inwoner daarin bijstaat.
Naar onze mening gaat het de
kloof tussen en inwoners en politiek onnodig vergroten als raadsleden met
elkaar afspreken dat op dat soort verzoeken in de toekomst niet meer wordt
ingegaan. Er kan daarmee de volgende situatie ontstaan: beste inwoner, wij
weten dat wij door u gekozen heeft, dat u een probleem heeft en hoe dat moet
worden aangepakt, maar wij zeggen het niet.
De VOORZITTER: Dat staat er
niet.
De heer VAN TONGEREN (CDA):
Nee, dat is de parafrase die ik eraan geef.
De VOORZITTER: Wij hebben
expliciet in de commissie aangegeven dat het zo niet zou gaan.
De heer VAN TONGEREN (CDA):
Misschien kunt u even voor mij herhalen hoe het wel bedoeld is?
De VOORZITTER: Er staat niet
dat u een burger niet mag helpen. Er staat alleen dat u niet mag optreden voor
de commissie beroep en bezwaarschriften, hetgeen overigens hoogstzelden
gebeurt.
De heer VAN TONGEREN (CDA):
Dat is duidelijk.
De heer DE WIT (FRIS): Het
is mij niet helemaal duidelijk. Wat is “optreden”?
De VOORZITTER: Aanwezig zijn
en het woord voeren.
De heer DE WIT (FRIS):
Alleen het woord voeren?
De VOORZITTER: Ja.
De heer DE WIT (FRIS):
Optreden en het woord voeren zitten onlosmakelijk aan elkaar vast?
De VOORZITTER: Ja, want
zolang je het woord niet voert, treedt je niet op.
De heer DE WIT (FRIS): Dat
is dan helder voor mij.
De heer BOT (GroenLinks): En
je mag ook nog aantrekken wat je wilt.
De VOORZITTER: Nog wel.
De heer VAN TONGEREN (CDA):
Zoals u begrijpt, menen wij dat een verbod op het optreden ten behoeve van een
inwoner op grond van artikel 10 van deze verordening een te verregaande
inperking van de rol van raadsleden. Wij stellen daarom voor om artikel 10 van
de gedragscode te laten vervallen. Wij zullen daarvoor een amendement indienen.
Een volgend punt betreft het
sanctie-instrumentarium. Lezend wat daarover staat, hoop ik dat wij daar nooit
aan toe hoeven te komen want ook hier is het vaagheid troef met een risico op
willekeur. Aan het hanteren van sancties moet een procedure voor de toepassing
ervan worden verbonden. Als wij die niet kunnen organiseren, moeten wij het
hoofdstuk sancties laten vervallen.
De heer DE WIT (FRIS):
Voorzitter. De raad weet hoe wij over de gedragscode denken: er zit weinig
goeds in. Een van de belangrijkste zaken waar wij tegen zijn, is dat in artikel
5 over het uiten van meningsuitingen een beperking wordt gelegd. Ten aanzien
van het uiten van een mening wordt gezegd: je moet het zus en zo doen. Dat is
een beperking, hetgeen in onze ogen in strijd is met de Grondwet. De
meerderheid in de raad gaat straks aan de minderheid, die wij zijn,
voorschrijven wat al dan niet als mening geuit mag worden.
De heer VAN DEN DOEL
(ChristenUnie/SGP): Nee, nee, nee, u mag wel uw mening geven. U mag ronduit
voor uw mening uitkomen. U moet niet zeggen dat u uw mening niet mag uiten.
De heer DE WIT (FRIS): Ik
zeg dat er beperkingen worden gelegd op het uiten van een mening. Mijn
toonzetting mag niet meer persoonlijk grievend zijn.
De heer VAN DEN DOEL
(ChristenUnie/SGP): Dat is heel logisch hoor.
De heer DE WIT (FRIS): Dat
vindt u.
De VOORZITTER: Dat heeft in
ieder geval niets met de Grondwet te maken.
De heer DE WIT (FRIS):
Jawel, dat heeft het dus wel. Ook onjuiste beweringen. Wat is juist? Een mening
is iets wat je vindt. Je kunt zeggen: dat is onjuist. Wij kunnen echter niet
alles feitelijk onderbouwen. Dat staat hier ook: het moet feitelijk onderbouwd
zijn. Het gaat er in ieder geval om dat wij menen dat wij best woorden als
“asociaal” en “onleefbaar” kunnen gebruiken. “Communist” en “doordrammer” mogen
ook. Iedereen weet wie wij daarmee bedoelen, maar dat geeft niet. Over artikel
1 kun je heel kort zijn: het aanzien ophouden van de raad. Als ik de krant
opensla en ik lees in een grote kop dat de heer Vuijk zegt dat de raad een
zinkend schip is, dan denk ik ook niet: “goh, mijnheer Vuijk houdt het aanzien
van de raad op”. Dat mag van mij ook. De heer Vuijk mag dat van mij gewoon
zeggen, sterker nog, wij zijn er blij mee dat hij het zegt. Met andere woorden,
wij hebben hier niets aan. Wij hadden veel liever gezien dat er een gedragscode
was neergelegd die fraude en corruptie tegengaat en die de transparantie
verhoogt zoals bij de gedragscode van B&W. Deze code is op het lijf
geschreven van een aantal mensen in deze raad. Dat wordt niet gezegd maar wel
zo bedoeld. Wij vinden dat ondemocratisch want de mensen die hier zitten, zijn
door de burgers van Delft gekozen. Het is niet anders.
De heer BOT (GroenLinks): U
gaat nu wel heel ver. Wat had u op het gebied van fraude en corruptie in de
gedragsregels gewild?
De heer DE WIT (FRIS): U
heeft daar vanavond al een kleine demonstratie van gehad. Mensen komen hier zo
nu en dan voor hun eigen belang op. Wij moeten dat kunnen controleren.
Nevenfuncties is een begin maar transparantie van fracties een volgende stap.
De FRIS-fractie heeft haar gehele financiële boekhouding op de site staan. Ik
heb dat bij andere fracties nog niet ontdekt.
De heer VUIJK (VVD):
Voorzitter. Over dit voorstel is reeds een hoop gezegd in de commissie, ook door
ons. Ik wil nog kort ingaan op drie punten. Ik kan mij herinneren dat in het
vorige voorstel een interessante bepaling stond die nu niet meer erin staat
namelijk dat het debat op het scherpst van de snede gevoerd moet worden hier.
Als die bepaling wordt bezien in het licht van de mogelijkheid tot sanctie, had
het ertoe kunnen leiden dat iemand een sanctie aan zijn broek kreeg als hij een
slap verhaal ophing.
Ik ben dus blij dat die
bepaling geschrapt is. Met hetgeen nu is opgenomen over meningsuiting kan de
VVD-fractie prima leven.
Op pagina 2 van de
toelichting staat: geheim is geheim. Als geheimhouding is opgelegd, moeten
raadsleden daarnaar handelen. Het is wel mogelijk dat de raad om moverende
redenen geheime informatie weigert; dit kan gelden voor de raad als geheel,
voor fracties en voor individuele raads- en commissieleden. Mijn vraag aan het
college is: stel dat een denkbeeldige fractie in deze raad in haar betoog
geheime informatie, al dan niet verkapt, gebruikt om haar standpunten toe te lichten,
valt dit dan onder deze gedragscode?
Het volgende punt dat ik aan
de orde wil stellen, betreft artikel 10. Daarvan meende ik aanvankelijk dat de
lijn gevolgd moet worden dat de behandeling van bezwaren en beroepen valt onder
de besluitvorming van de gemeente en als het ware te beschouwen is als een
correctie daarop. In die optiek is er niet veel op tegen dat een raadslid
meegaat in die behandeling. Uit het advies van de deskundigen blijkt echter dat
naar modernere maatstaven gesteld moet worden dat de beroep- en
bezwaarschriftenbehandeling een toeleiding is naar de rechterlijke macht.
De heer VAN TONGEREN (CDA):
Waarom moeten wij er vanuit gaan dat elk verschil in de kern een juridisch
verschil is. Wij zijn er toch voor om gewoon met elkaar zaken op te lossen en
niet om elkaar weer te zien bij de rechter? Dat lijkt mij een verkeerd
uitgangspunt.
Mevrouw VLEKKE (PvdA): Een
bezwaarschriftenprocedure is echter een “noodzakelijk kwaad”, een soort
voorliggende voorziening op een beroepsgang voor de rechter. Een en ander kan
wel degelijk op die manier geïnterpreteerd worden.
De heer VAN TONGEREN (CDA):
Ik mag toch hopen dat niet ieder bezwaarschrift tot een beroepschrift leidt?
Mevrouw VLEKKE (PvdA): Maar
zonder bezwaarschrift ook geen beroepschrift.
De VOORZITTER: Daarom is het
ook een goede voorliggende voorziening. Het woord is aan de heer Vuijk.
De heer VUIJK (VVD): Mijn
achtergrond is zowel juridisch als bestuurskundig. Als bestuurskundige ben ik
het eens met de heer Van Tongeren en als jurist meen ik dat het om een toegang
naar de rechterlijke macht gaat. Als zodanig hebben wij als fractie gemeend dat
de bepaling in artikel 10.1 een goede is.
De heer MEULEMAN
(Stadsbelangen): Voorzitter. In de commissievergadering heeft mijn fractie zich
al akkoord verklaard met het voorstel. Toch hebben wij behoefte aan het ingaan
op het opnemen van artikel 10 van de gedragscode. Wij zijn het daarmee eens. In
het advies ten aanzien van artikel 15 van de Gemeentewet gaf prof. Van der
Vlies aan dat het optreden als adviseur of gemachtigde bij de bezwaarcommissie
mede afhankelijk is van de visie op de bezwaarprocedure en, en nu komt het, dat
dit in hoge mate door de jurisprudentie wordt bepaald. Stadsbelangen meent dat
door het regelen in deze gedragscode dat een raadslid niet optreedt ten behoeve
van een beroep- of bezwaarmaker in de commissie, beroep en bezwaar onnodige
discussies in de toekomst worden voorkomen. Als de raad deze gedragscode
aanneemt, is het voor iedereen helder en duidelijk en kan de raad zich met echte
zaken bezig houden.
Bovendien beoordeelt de
commissie beroep en bezwaar in feite aan de hand van het ingediende bezwaar en
beroep of de uitvoering van besluiten die de raad heeft genomen door de
gemeentelijke organisatie op de juiste wijze wordt gedaan. Als blijkt dat er
sprake is van hiaten, want de commissie rapporteert ook aan de raad, dan staat
het de raad vrij om wijzigingen aan te brengen, voortvloeiend uit de verkregen
informatie. Op basis daarvan menen wij dat artikel 10 terecht in de gedragscode
is opgenomen.
Ik wil nog een opmerking
maken in reactie op de woorden van de heer De Wit dat het om een beperking van
de vrijheid van meningsuiting gaat. Die opvatting delen wij niet. Wij vinden
dat deze bepaling gezien moet worden in het licht van het discussiëren met
elkaar binnen de grenzen van de fatsoensnormen.
Mevrouw BOLTEN (GroenLinks):
Voorzitter. Kortheidshalve verwijs ik naar mijn bijdrage in de commissie over
artikel 10. Wij staan daar achter. Naar aanleiding van artikel 4.2 verzoek ik om
een schorsing. Voor het overige gaan wij akkoord met de gedragscode.
De vergadering wordt van
22.16 uur tot 22.39 uur geschorst.
Mevrouw BOLTEN (GroenLinks):
Voorzitter. Voor de fractie van GroenLinks is het belangrijk om helder te
krijgen hoe hetgeen vanavond gebeurd is zich verhoudt tot de gedragscode die
wij straks aannemen. Aan het begin van de avond heeft de heer Stoelinga willens
en wetens de geheimhouding geschonden van een stuk waarin financiële informatie
staat. Daarmee heeft hij de onderhandelingspositie van het college geschaad.
Wij gaan nu een gedragscode aannemen waarin staat dat wij zorgvuldig zullen
omgaan met informatie waarover wij uit hoofde van ons ambt beschikken en wij
geen informatie verstrekken waaromtrent geheimhouding is opgelegd. Als wij deze
gedragscode aannemen, en ik zou dat toejuichen, dan moeten wij ook onszelf
serieus nemen. Als wij aan het begin van de avond met zijn allen zeggen dat er
geheimhouding ligt op een stuk, met twee stemmen tegen, en die informatie
vervolgens toch door iemand naar buiten wordt gebracht, dan getuigt dat niet
van respect voor de raad. Ik heb om een schorsing gevraagd omdat ik mijn
gedachten daarover lang moest laten gaan en ook anderen die daar verstand van
hebben wilde raadplegen. Ik ben gekomen tot een motie die zodadelijk wordt
rondgedeeld. Als deze motie wordt verworpen, heb ik geen zin meer om een
gedragscode aan te nemen want dan nemen wij onszelf niet serieus. Dat is echter
mijn persoonlijke mening. Ik dien de motie in namens alle coalitiepartijen.
De VOORZITTER: Namens de
fracties van GroenLinks, STIP, de PvdA, de VVD en D66 wordt de volgende motie
(M-I) voorgesteld:
“De gemeenteraad van Delft,
in vergadering bijeen op 22 mei 2003,
overwegende:
- dat de gemeenteraad
besloten heeft, de vermoedelijke kosten van een eventuele
aankoop van een woonboot te blijven geheimhouden;
- dat de heer Stoelinga deze
geheimhouding willens en wetens geschonden heeft;
- dat de heer Stoelinga
hiermee een raadsbesluit naast zich heeft neergelegd;
draagt het college op, te
onderzoeken welke maatregelen passend zijn en zo mogelijk stappen te ondernemen
tegen de heer Stoelinga,
en gaat over tot de orde van
de dag.”
De VOORZITTER: Ik zal de
opmerkingen die gemaakt zijn langslopen in mijn beantwoording. De heer De Wit
meent dat deze gedragscode het hem onmogelijk maakt om als raadslid te
functioneren. Hij betrok daarbij zelfs de stelling dat deze gedragscode daarmee
in strijd is met de Grondwet. Ik moet hem daarin ernstig ongelijk geven.
Opvattingen over de wijze waarop zaken in elkaar steken en het in normaal
spraakgebruik aankijken tegen het gedrag van collega-raadsleden wordt door deze
gedragscode absoluut niet gehinderd. Met de gedragscode worden zaken omtrent
belangenverstrengeling, het niet-transparant zijn van nevenfuncties, het
aannemen van geschenken, het gebruiken van voorzieningen van de gemeente,
uitgaven en declaraties en reizen en werkbezoeken geregeld. Ik kan niet anders
dan de opmerking van de heer De Wit beperken tot hetgeen met name staat in artikel
5. Daarin staat dat iemand gewoon zijn fatsoen moet houden. Dat wil niet zeggen
dat hij zijn opvattingen achter zijn lippen moet houden, maar dat die
opvattingen in ieder geval niet worden geuit in beledigende, lasterende of
leugenachtige bewoordingen. Als de heer De Wit denkt dat de Grondwet dat soort
gedrag beschermt, heeft hij weinig van de Grondwet begrepen.
Mevrouw Vlekke heeft gevraagd of deze gedragscode over een
jaar zou kunnen worden geëvalueerd. Gelet op de discussie die wij hier in het
afgelopen halfjaar over hebben gehad, lijkt het mij verstandig om de
gedragscode in ieder geval in 2004 eens tegen het licht te houden. Mijn
voorstel zou zijn om de gedragscode na een jaar te gaan evalueren. Als de
gedragscode na een jaar al geëvalueerd moet zijn, is zij immers slechts een
halfjaar in werking geweest. Iedereen die zich veel zorgen over dit stuk maakt,
wijs ik er ook nog maar eens op dat in een normaal functionerende raad een
beroep op deze gedragscode in het algemeen niet aan de orde is. Ik ben nog niet
zo heel lang burgemeester van Delft, maar ik ben wel langer werkzaam in
gemeentelijk Nederland. In die tijd heb ik nog niet meegemaakt dat men langs
dit soort lijnen hoefde in te grijpen. Ik moet echter zeggen dat ik ook een
aantal andere dingen die ik in het afgelopen jaar heb meegemaakt, in de
afgelopen twintig jaar niet had meegemaakt. Wat dat betreft, keert het tij
misschien; dat weet ik niet zeker.
De heer Van Tongeren heeft aangegeven dat de procedure hoe
te handelen als de raad tot een sanctie zou willen komen, niet in het stuk
beschreven wordt. Daar heeft hij gelijk in. Dat heeft te maken met het feit dat
een dergelijke sanctie op nogal verschillende manieren tot stand zou kunnen
worden gebracht. De sanctie wordt namelijk opgelegd door de raad en vergt dus
een meerderheidsstandpunt van de raad. Dat betekent dat er een raadsvoorstel
moet worden gedaan alvorens de sanctie kan worden opgelegd. Dat betekent dat al
degenen die een voorstel aan de raad kunnen doen, de raad in beginsel kunnen voorstellen
om een sanctie op te leggen. Eén raadslid kan daartoe een initiatiefvoorstel
doen; meerdere raadsleden kunnen dat samen doen; het kan ook door het college
of de burgemeester worden gedaan. Dat zijn de mensen en organen die voorstellen
aan de raad kunnen doen. Als tot een dergelijk voorstel wordt gekomen, neem ik
aan dat daar een proces aan voorafgaat waarin bekeken wordt of een dergelijk
voorstel in de raad op een meerderheid kan rekenen. Als dat niet zo is, zou men
immers meer schade dan goeds bewerkstelligen. Daarom is het heel moeilijk om
deze procedure vast te leggen, afgezien van de normale procedure voor het
indienen van voorstellen in deze raad. Wat de sancties betreft: uiteindelijk
zal de afweging altijd in het concrete geval door de gemeenteraad plaatsvinden.
Als daarvoor in deze verordening regels zouden staan, zou de heer Van Tongeren
volgens mij helemaal problemen hebben met wat hij zo’n beetje het
“keurslijfkarakter” van deze verordening noemde.
Het spreekt volgens mij voor zich dat het openbaar maken van
informatie die kennelijk geheim is, onder het bereik van de bepalingen van deze
gedragscode valt; mevrouw Bolten heeft het daarop van toepassing zijnde artikel
voorgelezen. Schending van de geheimhouding kan overigens ook op grond van de
Gemeentewet worden vervolgd.
Veel raadsleden hebben aandacht besteed aan artikel 10.
Artikel 10 is het gevolg van het advies van een hooggeleerde rondom de
interpretatie van artikel 15 Gemeentewet en is ook een gevolg van een debat dat
in de commissie over dit voorstel heeft plaatsgevonden. De reden waarom dit
artikel er uiteindelijk in is beland, is dat een meerderheid van de
raadscommissie er prijs op stelde om dit te regelen. De reden die daarbij
volgens mij de doorslag gaf, was dat wij ons met de commissie Beroep- en
Bezwaarschriften met opzet hebben voorzien van een onafhankelijke commissie.
Daarin kan weliswaar door raadsleden geparticipeerd worden, maar deze commissie
is overwegend door onszelf onafhankelijk gemaakt. Wij hebben die commissie gevraagd
om ons te adviseren. Het is merkwaardig om in dat adviseringsproces, waarin wij
advies vragen aan die onafhankelijke commissie, de commissie zelf te vertellen
wat zij ons zou moeten adviseren; dat zou je nu precies doen als je daar het
woord zou voeren namens iemand die een beroep- of bezwaarprocedure is gestart.
Als in de commissie op enigerlei wijze een vertegenwoordiging van de raad zou
zitten, zou bovendien de situatie ontstaan dat je als het ware over de klager
of bezwaarmaker heen in een bezwaarprocedure een politiek debat gaat voeren.
Ook dat zou naar de burger een allermerkwaardigste figuur zijn. Ik ben het dus
niet eens met de conclusie dat je, als je aan de ene kant zit, ook aan de
andere kant moet zitten. Het omgekeerde is waar: als wij aan de ene kant de
bereidheid hebben om in zo’n onafhankelijke commissie raadsleden of
plaatsvervangende raadsleden een rol te laten spelen, kan het natuurlijk niet
zo zijn dat je “dus” ook aan de andere kant mag zitten. Die conclusie kan ik
niet delen.
Mevrouw VLEKKE (PvdA): Voorzitter. Ik wil een opmerking
maken in de richting van de CDA-fractie. Deze gedragscode zou je kunnen zien
als een soort vastlegging van de normen die wij binnen deze gemeenteraad willen
hanteren voor ons gedrag ten opzichte van elkaar en ten opzichte van de
samenleving. Volgens mij is het CDA een partij van normen en waarden. Als je de
afgelopen tijd althans een beetje goed hebt geluisterd, is het CDA de “normen
en waarden”-partij.
De heer VAN TONGEREN (CDA): Wij zeggen dat wij op dat punt
niet de enige partij zijn, omdat ook andere partijen hun waarden en normen
hebben. U maakt het nu zeer absoluut.
Mevrouw VLEKKE (PvdA): Ik heb niet gezegd dat het CDA op dat
punt de enige partij is. Fatsoen maakt een belangrijk deel uit van die normen
en waarden. Dit leggen wij hier ook vast.
De heer DE WIT (FRIS): U hebt het over fatsoen, normen en
waarden. CDA-leden hanteren de normen die voorgeschreven zijn door hun geloof;
daar kan ik mij iets bij voorstellen, maar FRIS heeft bijvoorbeeld de normen en
waarden van de straat. Kunt u zich daar iets bij voorstellen? Volgens mij kent
u die immers niet.
Mevrouw VLEKKE (PvdA): Juist omdat iedereen er verschillende
normen en waarden op nahoudt, is het zo belangrijk dat wij hier met elkaar
afspreken hoe wij die in dit huis interpreteren. U hoort mij dus niet zeggen
dat ik vind dat de normen en waarden van het CDA hierin moeten worden
opgenomen. Ik wijs erop dat het CDA het heeft over een “keurslijf”, terwijl het
gaat om het vastleggen van normen.
Wij hebben deze avond een voorbeeld in de praktijk
meegemaakt, maar het CDA krijgt dan koudwatervrees en slappe knieën en
ondertekent een motie niet. Dat vind ik een zwaktebod van zo’n grote fractie.
Wat het amendement van de CDA-fractie op artikel 10 betreft:
de PvdA-fractie zal over dat amendement verdeeld stemmen.
De heer VAN TONGEREN (CDA): Voorzitter. Ik wil reageren op
een paar punten uit de tweede termijn van mevrouw Vlekke. Kennelijk weet zij al
hoe wij over de motie zullen stemmen, maar daar hebben wij nog helemaal niets
over gezegd. Ik vind het knap dat zij denkt in onze hoofden te kunnen kijken.
Mevrouw VLEKKE (PvdA): Daar hebt u volkomen gelijk in, maar
u kunt toch niet ontkennen dat een gezamenlijke ondertekening van een motie
sterker overkomt dan wanneer je nog twijfelt of je wel of niet dit signaal zou
willen afgeven? Dat bedoelde ik, want ik hoop nog steeds dat iedereen in dit
huis deze motie zal ondertekenen.
De heer VAN TONGEREN (CDA): Dat hopen wij ook wel eens bij
een bepaalde motie, maar dat gebeurt dan toch niet. Mogen wij daar alstublieft
onze eigen afweging in maken?
Mevrouw VLEKKE (PvdA): Natuurlijk mag u een eigen afweging
maken. Het enige wat ik zeg, is dat dit contrair is aan wat u altijd beweerd
hebt.
De heer VAN TONGEREN (CDA): Ik heb nooit beweerd dat alle
moties altijd unaniem moeten worden ingediend. Het gaat nu overigens niet
zozeer om het wel of niet ondertekenen van een motie en hoe wij daarover zullen
stemmen. Volgens mij gaat het meer om de vraag hoe wij inhoudelijk tegen deze
zaak aan kijken; ik denk dat dat voor u veel interessanter is. Ik zal dus een
poging wagen om dat op een rijtje te zetten. De gemeenteraad heeft bij een
bepaald agendapunt besloten om de geheimhouding van bepaalde vertrouwelijk
verstrekte informatie in stand te houden; vervolgens zou je kunnen constateren
– maar vanaf dat moment wordt het heel erg ingewikkeld – dat de heer Stoelinga
mogelijk mogelijke toespelingen heeft gemaakt op dingen die mogelijk in dat
stuk staan, maar dat weet ik allemaal niet precies.
De heer BOT (GroenLinks): Dan moet u mogelijk beter leren
luisteren, mijnheer Van Tongeren.
De heer VAN TONGEREN (CDA): Ik voel er weinig voor om nu
precies te zeggen: “In dit stuk staat dat en dat en precies die punten en
komma’s heeft de heer Stoelinga daaruit geciteerd”.
Mevrouw VLEKKE (PvdA): De manier waarop de CDA-fractie de
discussie nu voert, is nou juist de reden waarom ik gevraagd heb om de
gedragscode over een jaar te evalueren. Ik ben bang dat je telkens wanneer
personen de gedragscode schenden – het gaat immers om de heer Stoelinga en niet
om de fractie van Leefbaar Delft – dit soort discussies van “slappe knieën”
krijgt.
De heer VAN TONGEREN (CDA): U hoeft zich over mijn knieën
geen zorgen te maken; die zijn heel goed in orde. U kent mij in de raad ook als
iemand die beslist geen slappe knieën heeft. Dat merkt u ook nu weer, want
anders had ik gezegd: mevrouw Vlekke wil graag dat wij meestemmen; laten wij
dat dan maar doen. Zo ligt het niet.
Laat ik nou gewoon verder gaan met wat wij ervan vinden. Er
is een stuk waar geheimhouding op ligt. Je zou eventueel, misschien kunnen
zeggen dat er mogelijk door een lid van deze raad eventueel toespelingen zijn
gemaakt op dingen die mogelijk – maar misschien ook niet – in die brief staan.
Dat weet ik niet zeker. Ik weet niet of hier een zaak in zit. Als je niet zeker
weet dat je een zaak hebt, lijkt het mij heel onverstandig om de zaak zo
stellig neer te zetten. Dat laat onverlet dat wij het onhandig vinden om op z’n
minst de schijn te wekken dat er misschien iets gedaan wordt met geheime
informatie; dat betreuren wij ook, maar wij vinden het niet nodig om daarvoor
een motie met deze strekking in te dienen.
Mevrouw VLEKKE (PvdA): Gaat u de motie nou wel of niet
steunen? Dat had u immers nog in het midden gelaten.
De heer VAN TONGEREN (CDA): Zoals de motie nu geformuleerd
is, zullen wij haar niet steunen, maar dat wil niet zeggen dat wij niet …
Mevrouw VLEKKE
(PvdA): Dus toch slappe knieën!
De heer VAN TONGEREN (CDA): Ik vind mijn knieën vrij stevig,
want u doet een dringend beroep op ons, maar niettemin steun ik de motie niet.
Mevrouw VLEKKE (PvdA): Zo kun je het interpreteren, maar je
kunt het ook zo interpreteren dat u de heer Stoelinga gewoon niet durft aan te
pakken.
De heer VAN TONGEREN (CDA): Ik vind het heel dapper dat u
dat wilt doen. Dat moet u dan vooral doen, maar ik denk dat er niemand bij
gebaat is om hier op hoge toon de kop van de heer Stoelinga te gaan eisen. Ik
denk dat dat contraproductief is, maar wij hebben in onze fractie wel
afgesproken dat wij de heer Stoelinga ertoe oproepen om veel verstandiger met
dit soort dingen om te gaan. Daar is niet alleen hijzelf, maar iedereen bij
gebaat.
De heer MEULEMAN (Stadsbelangen): Ik vind het vrij slap dat
hier een discussie over een persoon wordt gehouden op een moment waarop hij
niet in deze raadszaal is.
Mevrouw VLEKKE
(PvdA): Ik heb hem niet gevraagd om de zaal te verlaten!
De heer MEULEMAN (Stadsbelangen): Hij kon niet weten dat
deze motie bij dit agendapunt ingediend zou worden.
Mevrouw VLEKKE (PvdA): De heer Stoelinga hoort ons nu
praten. Als hij zou willen, kan hij dus elk ogenblik binnenkomen.
De heer VAN TONGEREN (CDA): Ik heb ook een formeel argument
waarom de verwijzing van mevrouw Vlekke naar de gedragscode op dit punt niet
juist is. Die gedragscode is nog niet vastgesteld. Het eventuele vergrijp
waaraan gerefereerd wordt, heeft dus plaatsgevonden voor het vaststellen van de
gedragscode. Alleen al in de volgorde der dingen lijkt het mij dus niet juist
om nu te verwijzen naar de gedragscode, omdat die op dit moment nog niet is
vastgesteld.
De heer DE WIT (FRIS): Voorzitter. U geeft mij ernstig
ongelijk. Natuurlijk had ik het hoofdzakelijk over punt 5. U zegt dat leden van
de raad hun fatsoen moeten houden. Ik garandeer u dat dit ook gebeurt, maar
ieder heeft zijn eigen fatsoensnormen.
De VOORZITTER: Wat is dan uw bezwaar tegen de tekst van dat
artikel? Vindt u dat u wel mag lasteren, liegen en beledigen?
De heer DE WIT (FRIS): U vindt bijvoorbeeld iets een leugen
of een belediging wat wij niet als zodanig beschouwen. Dat is uw persoonlijke
opvatting.
De VOORZITTER: Nee, het is niet mijn persoonlijke opvatting,
want uiteindelijk zal de raad daarover een besluit moeten nemen.
De heer DE WIT (FRIS): Nou, dan is het een opvatting van de
raad. Je kunt dat vinden, maar wij gebruiken bijvoorbeeld krachttermen. U kunt
een krachtterm opvatten als een belediging, zoals u in het verleden hebt gedaan
met het woord “verdomd”; met dat woord is echter helemaal niets mis.
De VOORZITTER: Nee,
ik heb gezegd dat dat woord niet in de raad mag worden gebruikt.
De heer DE WIT
(FRIS): Van ons mag dat dus wel.
De VOORZITTER: In de Gemeentewet staat dat u geen termen mag
gebruiken die op grond van de normale woordenboeken niet in dat kader mogen worden
gebruikt.
De heer DE WIT
(FRIS): Welk woordenboek is dat dan?
De VOORZITTER:
Bijvoorbeeld Van Dale of Koenen.
De heer DE WIT
(FRIS): Daarin staat nergens dat je die woorden niet mag gebruiken.
De VOORZITTER: Daar
staat “bargoens” achter en daarover gaat het.
De heer DE WIT
(FRIS): Ik ken geen bargoens.
De heer BOT
(GroenLinks): Volgens mij kent u dat heel goed.
De heer DE WIT (FRIS): Ik hoor er voor het eerst van. Ik
zoek nooit iets op in het woordenboek voordat ik iets zeg. Dat is ter beoordeling
van de mensen die hier zitten. Als de burgers van Delft vinden dat iets niet
kan, hebben zij één middel: die mensen wegstemmen. Met andere woorden: wij
hebben de indruk dat nu een politiek gereedschap wordt gemaakt om straks
mogelijk fracties te gaan beschadigen met procedures om die daarmee in een
kwaad daglicht te stellen. Het is dus ernstig wat hier gebeurt. De voorzitter
kan wel zeggen dat ik ongelijk heb, maar wij vermoeden dat wij of andere
partijen die in krachttermen en recht voor zijn raap praten, beschadigd gaan
worden. Wij zullen geen ambtelijke taal uitslaan.
Mevrouw VLEKKE (PvdA): Bent u bang dat u een koekje van
eigen deeg zult krijgen? Als ik de website van FRIS bezoek, zie ik een aantal
dingen die gewoon niet waar zijn en waarmee u mensen beschadigt. U wilt niet
het risico lopen om beschadigd te worden, terwijl wij dus allemaal voluit het
risico lopen om door u beschadigd te worden.
De heer DE WIT (FRIS): Als u dat vindt, stapt u gewoon naar
de rechter en kaart u dat gewoon aan via de normale wetten over smaad, leugens
en laster. De raad moet zich niet met dit soort tribunaalachtige feiten gaan
bezighouden. Daar hebben wij regels en wetten voor. Wij leven in een rechtstaat
en niet in een raadstaat.
Ik moet nog iets zeggen over het amendement van de
CDA-fractie; de motie heb ik nog niet gekregen. Het amendement gaat over
artikel 10. Ik ga de CDA-fractie steunen, want in de memorie van toelichting
van het wetsartikel staat dat je niet als professional mag optreden. Als een
raadslid dus gewoon in zijn hoedanigheid van …
De VOORZITTER: Dit
gaat niet om artikel 15.
De heer DE WIT (FRIS): Nee, maar dat wordt uiteindelijk wel
bedoeld, want dat wordt hier aangevoerd.
De VOORZITTER: Nee, wij hebben vastgesteld dat dit niet
onder artikel 15 valt en daarom staat het hier.
De heer DE WIT (FRIS): O. Wij vinden het in ieder geval
overbodig, want het staat in andere wetten, zoals de Gemeentewet.
De VOORZITTER: Nee,
daar staat dit niet.
De heer DE WIT (FRIS): O. Als het er niet in staat, is het dus
niet nodig. Wij steunen het dus wel.
De heer VUIJK (VVD):
Voorzitter. Voor ons ligt een door de coalitiepartijen ondertekende motie over
het gedrag van de heer Stoelinga. Het verhaal had wat ons betreft nog wel wat
sterker mogen zijn want ook los van de gedragscode is het duidelijk dat hetgeen
vanavond gebeurd is, gewoon niet kan. De heer Stoelinga heeft vanavond wat
gedaan wat hij niet had mogen doen. Voor ons is dat vrij helder. Of dat met
allerlei sancties aan te pakken is, is vraag twee, maar voor ons is vrij helder
dat hetgeen hij hetgeen hij gedaan heeft, niet had mogen doen. Wij stemmen in
met de gedragscode.
De heer MEULEMAN
(Stadsbelangen): Voorzitter. Ik heb in eerste termijn al gezegd wat wij van de
gedragscode vinden. Het amendement van de CDA-fractie zullen wij niet steunen;
ik heb uitgebreid aangegeven wat wij van artikel 10 vinden.
Ik blijf er grote moeite mee
hebben dat wij de zaak van de heer Stoelinga bespreken in de raad zonder dat
hij zich kan verdedigen. Wij zijn van mening dat je zorgvuldig moet omgaan met
informatie zeker als deze geheim is. De heer Stoelinga heeft zich vanavond
mogelijk ongelukkig uitgelaten. Puur feitelijk heb ik twee getallen gehoord die
ik in de stukken niet heb aangetroffen. In hoeverre dat een harde zaak is, weet
ik niet. Ik constateer verder dat de voorzitter onder die twee getallen een
dikke streep zette. Dat de heer Stoelinga willens en wetens, zoals in de motie
staat, de geheimhouding heeft geschonden durf ik niet keihard te zeggen. Ik
betreur het wel dat de heer Stoelinga onvoldoende heeft nagedacht toen hij aan
het woord was. Raadsleden mogen elkaar daarop aanspreken en mijn fractie wil
dat ook. Hierbij hebben wij dat uitgesproken. Wij zullen de motie in deze vorm
echter niet steunen.
Mevrouw BOLTEN (GroenLinks):
Voorzitter. Uiteraard steunen wij de motie wel; wij hebben aan de wieg ervan
gestaan. Wij dienden deze niet graag vandaag in. Welk ander raadslid dit
vanavond gedaan zou hebben, zou dezelfde motie aan zijn broek gehad. De motie
hangt niet op de persoon die het gedaan heeft en die nu afwezig is, maar op het
doorbreken van geheimhouding die wij nog geen tien minuten daarvoor met zijn
allen hadden vastgelegd.
De heer VUIJK (VVD): Ik wil
graag vastgesteld zien dat de heer Stoelinga vrijwillig afwezig is, niet om
welke andere reden dan ook. Hij heeft daar zelf voor gekozen.
De VOORZITTER: Ik kan voor
de gemoedsrust van allen hieraan toevoegen dat hij in de commissiekamer zit te
luisteren naar dit debat.
Mevrouw BOLTEN (GroenLinks):
Ik benadruk dat ook het schenden van de geheimhouding na tien minuten of een
kwartier door een ander raadslid gevolgd zou zijn door dezelfde motie. Het gaat
er namelijk om dat bij het bekend maken van gegevens waarvan het voor de
onderhandelingen nodig is dat ze geheim blijven, de gemeente en het publieke
belang worden geschaad. Om die reden is deze motie ingediend.
In de commissie hebben wij
reeds gezegd dat wij voor artikel 10 zijn. Ik vind het prettig dat het college
voor de vergadering aan de raad een brief heeft gestuurd waarin afstand werd
genomen van het eerdere standpunt ten aanzien van artikel 15 van de
Gemeentewet.
Ten slotte verzoek ik u om
de motie vóór het voorstel over de gedragscode in stemming te brengen. Ik
verzoek u verder tot een hoofdelijke stemming.
De VOORZITTER: Ik geloof
niet dat er nog veel nieuwe zaken aan de orde zijn geweest. Ik zal daarom
volstaan met de reactie van het college op het amendement en de motie. Met
betrekking tot het amendement heb ik reeds eerder aangegeven waarom het college
het passend vond om het voorstel te doen. Ik kom daar niet weer op terug.
In de motie wordt het
college een opdracht gegeven. Ik stel het op prijs als de indieners de regel
waarin staat “te onderzoeken welke maatregelen passend zijn en zo mogelijk” te
veranderen in “te onderzoeken welke maatregelen passend zijn en zo nodig”. Met
de huidige tekst wordt verondersteld dat het college hoe dan ook op jacht moet
gaan naar een mogelijkheid om stappen te zetten terwijl het onderzoek nog
verricht moet worden. Ik wil de resultaten van het onderzoek graag een rol
laten spelen bij de beslissing tot het al dan niet zetten van stappen. Het
college zal informatie daarover natuurlijk terugkoppelen naar de raad. Het
lijkt mij dat met de tekstwijziging een teneur uit de motie wordt gehaald.
Mevrouw BOLTEN (GroenLinks):
Naar mijn mening voldoet uw wens aan de strekking van de motie.
De VOORZITTER: Het woord
“mogelijk” wordt dan veranderd in “nodig”. Om het risico van een procedurele
fout te vermijden, zal de stemming over de motie in beslotenheid plaatsvinden.
In stemming komt amendement
A-II.
Het amendement wordt bij
handopsteken verworpen.
De VOORZITTER: Ik constateer
dat de fracties van het CDA en FRIS en mevrouw Koning voor het amendement
hebben gestemd.
De VOORZITTER: Ik geef
gelegenheid tot het afleggen van stemverklaringen over motie M-I.
De heer DE WIT (FRIS):
Kunnen wij die in openbaarheid afleggen?
De VOORZITTER: Dat lijkt mij
niet handig want dan kunnen wij net zo goed in openbaarheid stemmen. Als u
stemverklaringen in openbaarheid wilt afleggen, moet u daarvoor een
ordevoorstel doen.
De heer DE WIT (FRIS): Ik
wil in het openbaar kunnen aangeven hoe FRIS over de motie denkt.
De VOORZITTER: Dat begrijp
ik.
De heer VAN DEN DOEL
(ChristenUnie/SGP): Een aantal fracties heeft natuurlijk al in openbaarheid
zijn mening over de motie gegeven. In de lijn daarvan past het dat de fracties
die daarvoor geen gelegenheid hebben gehad, alsnog hun mening in openbaarheid
aangeven. De uiteindelijke stemming kan achter gesloten deuren plaatsvinden.
De VOORZITTER: Dat is een
aanvaardbare route. De heer De Wit krijgt dus zijn zin zonder het ordevoorstel
in stemming te brengen. De stemverklaringen zullen publiekelijk worden
afgelegd.
De heer DE WIT (FRIS):
Voorzitter. Wij zullen de motie niet steunen omdat wij haar overbodig vinden.
Het is de taak van de voorzitter om de orde te bewaken. Dit punt valt onder de
orde. Het is uw taak om te bepalen wat u met de zaak doet. Het is niet aan de
raad om als politiek tribunaal de toon te zetten van uw handelen.
De heer VAN DEN DOEL
(ChristenUnie/SGP): Voorzitter. Ik zal deze motie ook niet steunen. Ik volg de
argumentatie van de heer Meuleman van Stadsbelangen. Ik betwijfel daarbij de
juridische hardheid van het tweede en derde bolletje. Ook op grond van die
twijfels wijs ik die motie af.
Mevrouw KONING (PvdA):
Voorzitter. Ik zal de motie steunen. Ik heb net als anderen wel gedacht: kan
dit woord niet anders of is die zin wel zo handig? Ik begrijp echter heel goed
dat deze motie geschreven is voor het draagvlak. Het gaat niet om draagvlak in
juridische zin, om alles op een heel correcte manier, zodat aan iedereen
tegemoetgekomen wordt, dicht te timmeren, maar om draagvlak in de zin dat als
wij een afspraak met elkaar maken, wij elkaar ook durven aan te spreken op het
schenden van die afspraak. Om die reden zal ik voor het aannemen van de motie
stemmen.
De VOORZITTER: Het wordt een
beetje een papieren actie maar wij gaan toch in beslotenheid stemmen. Ik
verklaar de vergadering voor besloten en verzoek het publiek en de pers om de
zaal te verlaten. Ambtenaren kunnen blijven want die zijn aan geheimhouding
gebonden, maar niet-ambtenaren moeten eruit.
BESLOTEN GEDEELTE
In stemming komt het
voorstel.
De VOORZITTER: Ik geef
gelegenheid tot het afleggen van stemverklaringen.
Mevrouw KONING (PvdA):
Voorzitter. Ik erken dat wat de een als spotprent bedoelt door de ander als
belediging kan worden opgevat en er om die reden nogal wat discussie kan
ontstaan rond de gedragscode. Toch stem ik voor het voorstel omdat ik meen dat
wij beter deze code kunnen hebben dan geen gedragscode.
Mevrouw BOLTEN (GroenLinks):
Voorzitter. Naar aanleiding van de stemmingsuitslag van de motie stemt mijn
fractie unaniem voor het aannemen van de gedragscode.
De VOORZITTER: In de
richting van de fractie van Leefbaar Delft geef ik aan dat als zij niet over de
gedragscode wil stemmen, zij de zaal nu moet verlaten.
De heer VUIJK (VVD):
Voorzitter. Wij zien nu toch dat het besturen van een stad moeilijker is dan
het lijkt. Om te besturen moet je ja of nee durven te zeggen tegen een
voorstel.
Het voorstel wordt bij
handopsteken aangenomen.
De VOORZITTER: Ik constateer
dat de fractie van FRIS tegen het voorstel heeft gestemd.
105. Voorstel tot
vaststelling van de wijziging in de Algemene subsidieverordening gemeente Delft
2002.
(Stuk 75 – 03/011346)
De heer GABELER (Leefbaar
Delft): Voorzitter. Het is eigenlijk een stemverklaring. De reden dat ik
hierover het woord neem is om aan het college en de raad mee te geven niet te
zuinig te zijn met het verstrekken van subsidies voor een langere periode.
Zoals bij de behandeling van het programma Integraal jeugd- en jongerenbeleid
reeds aangegeven, zou het iedereen ten goede komen als niet elk jaar alle
subsidieprocedures opnieuw doorlopen zouden worden. Biedt organisaties de
mogelijkheid om zelf een plan op te stellen. De gemeente kan hen daar
vervolgens aan houden. Meer meting van daadwerkelijke prestaties en alleen
kijken wat een organisatie volgend jaar kan krijgen. Tot nu toe moeten alle
organisaties elk jaar weer bedelen en methodes verzinnen om hun stuivers bijeen
te schrapen. Dit betoog was ook in de commissie Extern te horen van de
Stichting Maatzorg en hetzelfde hebben wij vernomen van de OGD. Wij zullen
hierop zeker terugkomen in de volgende commissievergadering.
Het voorstel wordt zonder
stemming aangenomen.
106. Afscheid mevrouw Koop
De VOORZITTER: Manita Koop is sinds september 1988 lid van
deze raad en behoort dus tot de oude garde in deze raad, althans wat de anciënniteit
van het raadslidmaatschap betreft, want niet zelden heeft zij vanwege haar
presentatie van velen complimenten voor haar verzorgde en jeugdige uitstraling
gekregen. Zij heeft in die vijftien jaar raadslidmaatschap veel zaken gedaan
die andere raadsleden in een groot aantal gevallen pas sinds kort doen, maar
die zij al vijftien jaar heeft gedaan als bijdrage aan het bestuur van deze
stad.
Zij is lid geweest van de commissie Veiligheid en Wonen, een
subcommissie Wonen, de commissie Middelen en Bestuur, de commissie
Duurzaamheid, de commissie CKE en de commissie Extern. Zij was lid van het
algemeen bestuur van het stadsgewest Haaglanden, lid van het algemeen bestuur
Midden-Delfland, lid van de Klachtencommissie Woonruimteverdeling, lid van de
commissie voor de Beroep- en Bezwaarschriften Kamer I. Behalve deze aan het
raadslidmaatschap verbonden functies heeft zij zich ook in de stad altijd zeer
actief betoond in allerlei gremia, organisaties en besturen. Zij was lid van de
raad van toezicht van de VVV, voorzitter van het dagelijks bestuur van de
Nederlandse Maatschappij voor Nijverheid en Handel, adviseur van het dagelijks
bestuur van het CDAV, plaatsvervangend lid van de partijraad van haar partij,
lid van het bestuur van de Business Club van Theater De Veste en lid van het
dagelijks bestuur van de Willem Felsstichting. Kortom, zij is iemand die haar
sporen in de stad heeft verdiend en haar bijdrage heeft geleverd.
Na die bijna vijftien jaar gaat zij nu weg. Zij voelt zich
geroepen om statenlid te worden. Daarvan wil ik wel iets zeggen. Ik snap
eerlijk gezegd niet hoe iemand die stap kan ambiëren als je in het lokale
bestuur mag functioneren, want dat is natuurlijk veel leuker. Je hebt dat ook
vijftien jaar volgehouden; je vond het ook zelf dus heel leuk. Aan de andere
kant moeten wij erkennen dat, als je dat vijftien jaar gedaan hebt, het
natuurlijk goed is om je kwaliteiten op andere bestuurlijke niveaus te laten
zien. Als je dan toch naar de provincie Zuid-Holland gaat, kunnen wij daar
tegelijkertijd als gemeentelijke organisatie en als bestuur van deze stad blij
mee zijn, want wij kunnen daar, in dat voor ons soms moeilijk te doorgronden
orgaan, nauwelijks voldoende support hebben. Ik hoop dus van harte, Manita, dat
wij – het college, maar naar ik aanneem ook ieder raadslid – een beroep op jou
mogen doen als dat nodig is voor het welzijn van deze stad. Jou kennende als
iemand die midden in de samenleving staat, kan dat ook haast niet anders. Ik
ben ervan overtuigd dat jij voldoende Delfts bent om ons dan van dienst te
zijn.
Als je vijftien jaar raadslid bent en dan weggaat, is het
gebruikelijk dat dat wordt bedacht met een koninklijke onderscheiding. Dat
gebeurt vanavond desalniettemin niet. Ik moet die regel uitleggen, want anders
wekt dit misschien verwarring. Als iemand in een volksvertegenwoordigende
functie blijft – en Manita Koop doet dat – is het toekennen van een dergelijke
onderscheiding pas aan de orde wanneer het volksvertegenwoordigingschap
volledig ten einde is gekomen. Wij zullen er zorg voor dragen dat men bij de
provincie weet hoe lang je hier goed bezig was, zodat op dit punt niets wordt
vergeten wanneer je daar weggaat. De koningin wil dus blijkbaar nog niet, maar
wij wel, want:
“De raad van de
gemeente Delft;
gezien het voorstel van burgemeester en wethouders;
overwegende dat mevrouw M.E.H. Koop sinds 1 september 1988
lid van de gemeenteraad is;
dat zij met ingang van 26 juni 2003 het raadslidmaatschap
neerlegt;
dat zij steeds met grote toewijding en deskundigheid de
belangen van de gemeente en haar inwoners heeft behartigd en zich daardoor zeer
verdienstelijk heeft gemaakt voor de stad Delft;
dat er daarom alle aanleiding bestaat om haar van de grote
waardering en erkentelijkheid voor hetgeen zij in het belang van de stad en
haar inwoners heeft verricht, te laten blijken;
gelet op de bepalingen van de Verordening betreffende het
toekennen van erepenningen der gemeente Delft en van gemeentepenningen:
besluit:
aan mevrouw M.E.H. Koop bij de beëindiging van haar
raadslidmaatschap de erepenning van de gemeente Delft toe te kennen”.
Manita, ik vraag je
om naar voren te komen, zodat ik je de erepenning kan opspelden.
APPLAUS
De VOORZITTER: Daarbij hoort een oorkonde, een mooi doosje,
een houdertje en natuurlijk het bord, ons vaste aandenken in Delfts blauw.
APPLAUS
Mevrouw KOOP: Mijnheer de
voorzitter, geachte aanwezigen, vrienden en vriendinnen in de raad, zo’n mooie
onderscheiding is natuurlijk veel eervoller en leuker dan een decoratie die
eigenlijk automatisch op je revers belandt. Ik ben er dan ook erg trots op en
ik dank u allen voor het feit dat u mij deze oorkonde heeft gegund. Die is echt
heel mooi, dank u wel.
Meestal komt bedanken aan
het eind van een verhaal, maar ik wil ermee beginnen. Ik dank alle mensen in
Delft en omstreken die mij hebben voorzien van informatie, steun, advies en
inzet. Heel veel mensen hebben mij de laatste tijd gebeld, geschreven en
gemaild. Ik dank vooral de mensen die zich inzetten voor de stad; ik vind de
manier waarop zij inhoud geven aan betrokkenheid geweldig. Ik dank verder veel
CDA-leden voor hun uitdagende discussies en inzet - een aantal zit op de
publieke tribune en één is zelfs bekend als oud-raadslid - de bodes, die ons
bij nacht en ontij hebben bijgestaan en misschien wel eens hebben gedacht:
wanneer houdt dat geleuter op? Ik dank de ambtenaren, in het bijzonder degenen
voor wie ik enorm veel respect heb gekregen vanwege loyaliteit, kennis, inzet,
eerlijkheid en werklust, de pers die altijd contentieus hoor en wederhoor
toepaste - mocht u nog geen abonnement hebben op de Delftsche Courant, dan kan
ik dat van harte aanbevelen - de leden van de raad, de kiezer, de
oud-raadsleden, familie, vrienden van binnen en buiten op de publieke tribune
en de voorzitter, die ook buiten zijn wettelijke taken heel veel voor Delft en
de raad betekent.
“Er hoeft helemaal geen weg
te komen door Midden-Delfland” hoorde ik vanaf de publieke tribune halverwege
de jaren tachtig wethouder Ton Jacobs zeggen, “want als ik op de kaart kijk,
loopt er al een weg van De Lier naar Delft.” Ik was verbaasd. Zo bedrijf je
toch geen politiek! Op papier rijden geen auto’s dwars door dorpskernen, hoor
je geen lawaai en de uitlaatgassen blijven voor de kaartlezer verborgen. Je
behoort ter plekke te kijken en geen genoegen te nemen met een dossier alleen.
Ik besloot mij ermee te gaan bemoeien, actief te worden binnen het CDA en kreeg
een reserveplek op de kandidatenlijst voor de verkiezingen van 1986. Nummer
twaalf was op een fractie van toen nog tien mensen niet slecht. Het was een
leerzame periode. Ik was veruit de jongste en kreeg de schijnbaar fraaie
functie van fractiesecretaris, maar die naam was te veel eer; fractieslaaf was
beter op zijn plaats.
Er is overigens niets mis
mee om in die rol kopietjes te draaien, notulen te maken, vergaderingen bij te
wonen zonder echt iets te mogen zeggen, enveloppen in te steken, postzegels te
plakken en brievenbussen na te lopen. Dat hoorde en hoort er gewoon bij.
Politiek is immers een dienend ambt. Plotseling leek het tij te keren in de
zomer van 1988; de toenmalige vergrijzing betekende dat er opeens vrij vlot
doorstroming was in de fractie en na het afscheid van wijlen Jan van Winden en
wijlen Jan van der Velde mocht ik echt aan de slag. Het leek mij wel wat, want
ik kon eindelijk wat doen, dacht ik.
Op de hoek van de
Broerhuisstraat en de Beestenmarkt botste ik die zomer tegen Jan Valkenburg op.
“Hai” zei de slager en priemde zowel met zijn blik als zijn wijsvinger bijna
dwars door mij heen. “Leuk dat je de raad in gaat. En jij gaat zorgen dat die
parkeergarage onder de Markt er komt.” Dat leek mij nou eens een mooie
uitdaging. Het zou goed zijn voor de historische binnenstad, de bewoners, de
werkers en de bezoekers. Ik vond dat ik er iets aan moest gaan doen. Het moest
toch lukken, dacht ik, want de raad van toen beschikte over aimabele mensen met
respect, humor en betrokkenheid. Goede dingen realiseren, met elkaar, want
iedereen ging toch voor de stad Delft. In de krant stonden zaken over een
autoluwe binnenstad, het wel of niet naar Delft komen van IKEA en de bezwaren
van de ondernemers, de migrantenraad en de verplaatsing van Ring Pass, De
Hoornse Kwadrant, de grondruil met Schipluiden, de exploitatie van het
Waagtheater, wel of geen airco in het nieuwe stadskantoor, het Jazzfestival,
het verdwijnen van de antiekbeurs uit Delft, de restauratie van de kerktoren op
de Markt, de privatisering van Centraal Woningbeheer, de verhuizing van
voetbalclubs naar het Tanthof, de Vak en tramlijn 1. Ik mocht mij vanaf dat
moment bezighouden met volkshuisvesting en sport en later met
stadsontwikkeling. Wij werkten toen met Jan Bart Mandos - let op: u zult
binnenkort nog veel van hem horen - en Edith Bijleveldt aan een nieuw model
voor de woonruimteverdeling: van aanbod- naar vraaggestuurd, een model dat nu
inmiddels haast overal is overgenomen.
Veel andere onderwerpen
passeerden de agenda’s: Samen naar school, Onderwijs in Allochtone Levende
Talen - toen al - Zuidpoort, de profielschets van de nieuwe burgemeester, 750
jaar Delft, de bouw van een nieuw theater, de bouw van de parkeergarage aan de
Phoenixstraat die door procedures na de ING werd neergezet, zodat alle
materialen met een kraan over de bank heen getild moesten worden. Een garage
die overigens dankzij de inzet van betrokken omwonende geheel ondergronds is,
de keuze voor partners in een stadsregio - had wat mij betreft best Westland en
Oostland mogen zijn, met Delft als centrum van het Zuid-Hollands glasdistrict -
de redding van het Kruithuis dankzij de inzet van vele betrokken vrijwilligers,
de omvorming van gemeentepolitie naar regiopolitie, de afronding van de
reconstructie Midden-Delfland, de verbetering van de relatie met Schipluiden,
de ontwikkeling van het TU-gebied, de Harnaschpolder, opvang dak- en
thuislozen, de sociale dienst, het RIS - in sommige kringen
Raadsinformatiesysteem, in andere Runderinformatiesysteem - kortom, er is heel
veel gebeurd.
Raadswerk, hoe lang je er
ook in zit, blijft steeds verrassend omdat de onderwerpen wisselen en de mensen
binnen, maar vooral buiten het stadhuis het boeiend houden. Opvallend is dat in
al deze heftige discussies de sfeer buiten de vergaderingen om goed was. Er was
ruimte voor persoonlijk contact, dwars door de politieke partijen heen, maar
ook in de discussie in het café werd aandachtig naar elkaar geluisterd. Er
ontstonden ideeën, bijvoorbeeld om de toeristenbussen van de Markt te halen.
Na de verkiezingen
veranderde de raad steeds en het bleef elke keer weer een uitdaging. Ik hoorde
veel in de stad, sprak vrijwel dagelijks met bewoners en werkers en door mijn
werk en nevenfuncties had ik het genoegen ook met de andere kant van het beleid
geconfronteerd te worden. Daarom vind ik nevenfuncties belangrijk. Ik vind dat
als iemand volksvertegenwoordiger is, hij of zij toch een aantal zaken naast
het raadswerk moet doen om actief en passief op de hoogte te blijven van wat er
leeft. Dan geef je ook inhoud aan je betrokkenheid en ben je gedwongen je niet
uitsluitend te laten leiden door dossiers en je eveneens steeds te
verantwoorden voor je keuzes. Want, met alle respect voor de opstellers van de
stukken: de echte dilemma’s worden pas zichtbaar en voelbaar in gesprekken met
mensen. Als je het dan hebt over hoogtepunten uit de politieke loopbaan, dan
zit hem dat vooral in het contact met de mensen. Per slot van rekening hoor je,
althans dat geldt voor mij persoonlijk, als volksvertegenwoordiger daaruit je
inspiratie te halen. Dan merk je ook dat heel veel Delftenaren betrokken zijn
bij hun omgeving: Corine Schot bij de Olofsbuurt en Westerkwartier, Lex Haak
bij de kerk, het Kruithuis en het ondergronds parkeren, Leo Roos bij zijn
buren, Ans van Leur bij Vluchtelingen, Ton Boon bij de ontwikkeling van
Zuidpoort, Ted van den Akker bij de Delftse sport, Leo Vijverberg bij vrijwel
alles, Kees van der Meer bij de ouderen, Jan van Daalen bij de ondernemers,
Reinout Roemer bij de Kerk, Len achter de bar van de atletiekvereniging, Hans
Ligtenberg bij kinderen en drugs, en nog honderden mensen die ik hier niet noem
maar die ons raadsleden inspireerden, van informatie voorzagen en zich inzetten
voor de belangen van anderen.
Als raadslid moet je
openstaan voor de deskundigheid van deze mensen en deze toetsen aan de eigen
uitgangspunten en die van de partij. Met deze uitspraak kom ik op de werkwijze
van de raad en haar leden; ik kan er natuurlijk niet omheen. Wil heeft daar ook
het nodige over gezegd bij haar afscheid op 3 oktober 2002. De laatste tijd
valt er veel te lezen en te horen over het functioneren van de gemeenteraad.
Vanavond hebben wij weer het nodige gezien. Bovendien ben ik veel benaderd door
mensen van binnen en buiten Delft die schamperden over alles wat zich hier in
dit huis afspeelt. Ik zal niet alle kwalificaties hier citeren omdat ik dat
niet gepast vind, maar de opmerking “Het gaat daar aan de ZuidHollandlaan vast
minder provinciaals dan in Delft” wil ik u niet onthouden. Het bestuurlijk
imago van Delft, beste mensen, is beneden peil. Ik schaam mij er eigenlijk voor
en dat wil ik niet. Delft verdient meer en u eveneens. Ik ben het dan ook niet
eens met de opmerking van Ronald Vuijk dat de Delftse gemeenteraad een zinkend
schip is; meer een schip dat averij heeft opgelopen met een kapot kompas, maar
dat met wat goede wil weer op koers kan komen. Overigens wel goed dat je er
aandacht voor vraagt en de discussie aangaat Ronald, want die moet je niet uit
de weg gaan.
Wij hebben natuurlijk aan
elkaar moeten wennen, met geheel nieuwe partijen en dat rare dualisme met alle
interne discussies als gevolg. Maar wij moeten nu maar eens uitscheiden met
elkaar de maat te nemen en op alle slakken zout te leggen. Dat leidt nergens
toe want wij vergeten het schip, waar Ronald het over heeft, op koers te
houden. En dat doe je vooral door je doel voor ogen te hebben en daar hard,
heel hard aan te werken, met antennes en een open houding in de stad. Dat kost
weliswaar tijd en inspanning, maar dat hoort erbij. Besturen blijft mensenwerk
en mensen maken fouten, maar doen ook veel dingen goed. Wie stil zit, zal ook
geen fouten maken. Niveau van de raad heeft niets te maken met intellect;
niveau van de raad heeft alles te maken met de intentie waarmee en de manier
waarop je je rol als volksvertegenwoordiger vorm en inhoud geeft. Dat heeft ook
niets te maken met pluche, maar met het rubber en leer van je schoenzolen. Wie
voor pluche gaat, hoort niet in het stadsbestuur. Je positie is een middel,
geen doel.
Wij hebben elkaar hard
nodig, want de magere jaren komen er weer aan. De broekriem zal na deze periode
van ongekende welvaart moeten worden aangehaald. Ook in onze stad zullen wij
dat merken. Er is in Delft heel veel te doen en daar moeten wij onze schouders
onder zetten, met elkaar. Dat kan, want verbondenheid bestaat ook hier, dwars
door politieke partijen heen. Ik zie het terugkomen binnen de delegatie Haaglanden,
in informele contacten met raadsleden, maar vooral in ons mysterieuze
heksengenootschap. Ik kan er natuurlijk niet te veel over kwijt, dat begrijpt
u, maar ik kan u wel zeggen dat daar in open sfeer met elkaar wordt gesproken,
ook over problemen van en kansen voor Delft. Daar hebben de witte heksen
respect voor elkaars uitgangspunten en wisselen zij argumenten uit, zonder
voortdurend in herhalingen te vallen. Probeer dat ook eens in een
commissievergadering. Vanuit onze verschillende grondbeginselen kijken wij naar
wat ons bindt en niet naar wat ons scheidt. Wij heksen leggen eveneens met
elkaar bezoeken af aan Delftse organisaties om te horen wat er leeft onder de
mensen, want als raadslid heb je de wijsheid niet in pacht en je kunt
natuurlijk als heks ook niet alles te weten komen via je glazen bol.
Beurtelings neemt een van ons de organisatie op zich, dus lusten en lasten zijn
evenredig verdeeld, evenals de successen. Elkaar de successen gunnen is de
basis van samenwerking. Het gaat dus weer om inhoud. Ik zou haast concluderen
dat het stadsbestuur gebaat is met dezelfde samenstelling als het
heksengenootschap. Ik doe een aanbeveling: als binnen een jaar de situatie niet
verbeterd is, dan lijkt het mij verstandig dat de vrouwen de zaak hier overnemen.
Een milde vorm van onthanen, dacht ik zo.
Mijnheer de voorzitter,
geachte aanwezigen, leden van de raad, wij hebben elkaar harder nodig dan wij
denken. Wij staan voor zware tijden en er moet in Delft veel gebeuren, waarvoor
ook politiek draagvlak nodig is. Wij hebben goede mensen in de raad met het
hart op de goede plaats. Mensen die principes belangrijker vinden dan pluche en
mensen voor wie pluche niet bestaat. Wie niet mee wil doen, stapt uit, maar als
u bereid bent te gaan voor de inhoud, het belang van Delft, de bewoners, hun
kinderen en kleinkinderen, vanuit uw eigen waarden, christen-democratie,
liberalisme, stratisme, stadsbelang, socialisme, ecologie of leefbaarheid, dan
ben ik er heilig van overtuigd dat het goed komt met het stadsbestuur. Maar het
is uw verantwoordelijkheid, niet alleen die van de voorzitter of het presidium.
Het zal offers vragen en u zult een ander soms de credits van uw eigen
inspanningen moeten gunnen. Als u dat kunt opbrengen, door meer te zwijgen, te
horen en te zien, dan zal het bestuurlijk imago van Delft langzaam maar zeker
weer herstellen. Werk hard aan de stad, ga uit het stadhuis, vergader korter en
minder en zoek de inwoners op. Het gaat niet om macht, het gaat om inhoud, om
de participatie, de emancipatie, het geluk en het welzijn van alle mensen, ook
al denkt u dat zij niet tot uw eigen achterban behoren. Er ligt een uitdaging:
pak die op. Zorg dat de inwoners u kennen en weten te vinden. Jan Valkenburg
zult u wat minder op uw weg vinden want die woont nu in Den Hoorn, een mooi
dorp overigens, waar ik geboren ben. Maar ik zal u vanuit de provincie in de
gaten houden, reken daar maar op. U bent gewaarschuwd. Ik heb gezegd. Dank u
wel.
APPLAUS
De VOORZITTER: Dames en
heren, ik verzoek u om na het sluiten van de vergadering nog één tel te blijven
zitten. Ik ontbind het stembureau.
107. De vergadering wordt om
23.41 uur gesloten.
Aldus vastgesteld in de
openbare raadsvergadering van 2 oktober 2003.
,
voorzitter.
,griffier.