V I J F D E V E R G A D E R I N
G
op dinsdag 24 mei
2005 om 20.00 uur in het stadhuis.
Overzicht van de
verhandelde punten.
Stuknr. Pagnr.
103. Opening en
mededelingen 2
104. Rapport gemeente
Delft inzake wethouder Baljé 2
105. Sluiting 33
Voorzitter: de heer
mr. drs. G.A.A. Verkerk, burgemeester.
Aanwezig zijn: de heer Aközbek, mevrouw Bolten, de heren
Bot, Van Breukelen, Van den Doel, Van Doeveren, Eduard, Engels, Gabeler,
mevrouw Geursen, mevrouw Van der Hoek, mevrouw Jähnichen, mevrouw M.D.Th.M. de
Jong, de heer J.Ph. de Jong, mevrouw Junius, de heer Kiela, mevrouw Koning, de
heren De Koning en Van Leeuwen, mevrouw Lourens, mevrouw Manggaprow, de heren
Meuleman, Otto, De Prez, Van Putten, Stoelinga, mevrouw Stolker, de heren
Taebi, Van Tongeren en Vuijk, mevrouw Welle Donker, mevrouw Wielens, de heer De
Wit en mevrouw Zweekhorst.
Raadsgriffier:
mevrouw Y. van Delft
103. De VOORZITTER:
Ik open deze bijzondere raadsvergadering. Eventuele hoofdelijke stemmingen
beginnen vandaag bij nr. 11, de heer Van Den Doel. Er zijn berichten van
verhindering ontvangen van de heren Kroon, Tas en Blinker. Gelet op het belang
van het onderwerp dat wij straks gaan bespreken, wil ik de pers en de
fotografen vragen om na tien minuten niet meer te fotograferen, omdat ik denk
dat de orde van het debat anders zou kunnen worden belast. U mag de eerste tien
minuten van het debat dus foto’s maken, maar daarna niet meer. Ik vraag de
publieke tribune om zich kalm en waardig te gedragen, zodat wij niet in de
situatie komen dat wij de tribune moeten ontruimen. U moet zich dus onthouden van
goedkeurende en afkeurende bewegingen. Anders zet ik er een bode neer die dat
heel strikt zal bewaken en bij het eerste gebaar van de bode zullen wij de
tribune echt ontruimen. Is dat voor iedereen duidelijk? Ik zie dat dat het
geval is. Dank u wel voor uw medewerking.
104. Rapport gemeente
Delft inzake wethouder Baljé
De VOORZITTER: U hebt dit stuk vorige week vrijdag ontvangen. Er is een
verzoek gekomen van de PvdA-fractie, gesteund door de SP-fractie, om dit
rapport aan de orde te stellen. Ik denk dat het in de orde der dingen ligt dat
eerst de initiatiefnemende fracties het woord nemen.
Mevrouw STOLKER (PvdA): Voorzitter. Delft stond tot voor kort bekend als
prinsenstad en delftsblauwe stad waar het goed toeven is. Helaas lijkt onze
stad de afgelopen weken verworden tot Soap City, een stad waar overal camera’s
hangen en waar het beeld bepaald wordt door fragmenten. Door een handige
selectie te maken van beelden ontstaat een zogenaamde “reality” soap die de
aandacht krijgt van een breed publiek. Hoe kon dit zo gebeuren? Wij mogen de
stad besturen dankzij het vertrouwen dat de kiezer ons drie jaar geleden heeft
geschonken. Om dat vertrouwen te behouden moeten we hard werken. Toch heeft dat
vertrouwen de afgelopen dagen een enorme deuk opgelopen. Laten we ons er sterk
voor maken om dat nu te herstellen.
De PvdA-fractie heeft een spoeddebat aangevraagd. Aanleiding is het interne
rapport dat op 13 mei is verschenen. Het intern onderzoek is glashelder en
trekt twee conclusies. Eén van de conclusies gaat over het verstrekken van
geldelijke vergoedingen. De kennis hierover zou wel eens opgefrist mogen
worden. Aangezien dit onderwerp wel belangrijk is, maar niet spoedeisend, kan
het wachten tot de eerstvolgende vergadering van de commissie Middelen en
Bestuur of tot het moment waarop wij met de accountant om de tafel zitten; dat
zal ook in de commissie Middelen en Bestuur zijn. De andere conclusie, namelijk
"dat er geen aanwijzingen of signalen aan het licht zijn gekomen die de
geuite beschuldigingen aan het adres van wethouder Baljé rechtvaardigen”, is
aanleiding voor dit spoeddebat. Dankzij het rapport wordt duidelijk dat veel te
vroeg, veel te hard en op verkeerde wijze beschuldigingen zijn geuit aan het
adres van een wethouder.
Zo'n debat is nodig omdat het aanzien van ons stadsbestuur en daarmee ook
van onze stad de afgelopen weken is beschadigd. De PvdA-fractie vindt dat een
affaire zoals deze aanleiding geeft om daarover met elkaar te spreken en om ons
daarover uit te spreken. De gepaste plek voor zo’n gesprek is de raadszaal, in
alle openbaarheid.
Wat nu weer eens duidelijk is geworden, is dat Leefbaar Delft liever over
je praat dan met je. Zo moest de burgemeester via de site van Leefbaar Delft
lezen dat hij een onderzoek moest instellen naar alle financiële transacties
waarbij de heer Baljé betrokken is geweest. Er zijn twee manieren om als
raadslid een wethouder aan te spreken. Dat kan via de raad, bijvoorbeeld door
middel van een raadsdebat, of via de rechter. Ik kan al vertellen dat onze
voorkeur uitgaat naar de raad. De weg via de media zit dus niet bij deze twee
mogelijkheden. Door de gekozen citaten uit de videoband en de uitspraak van
“mogelijke corruptie” realiseert de publiciteitsbeluste fractievoorzitter zich
dondersgoed dat pers en andere media zich op deze zaak zullen storten. Dan is
niet alleen de wijze waarop dit geuit wordt, maar ook de beschuldiging zelf
gevaarlijk. Corruptie is zo ernstig dat zelfs het spreken over "mogelijke
corruptie" beschadigend werkt. Waarom heeft de fractie van Leefbaar Delft
het zo aangepakt? Ging het haar hierbij om het aan de kaak stellen van
misstanden? Of gewoon om weer eens op de radio of TV te komen? Let wel: het
gaat er de PvdA-fractie hierbij niet om dat een beschuldiging is geuit, want
dat past in onze controlerende taak. Wij zetten vraagtekens bij de wijze waarop
dat is gebeurd.
Deze hele zaak heeft aan het licht gebracht dat je als inwoner bespied
wordt door allerlei camera’s en dat mensen, als dat hun uitkomt, daarmee doen
wat ze willen. De lastigheid daarbij is dat altijd het beeld ontstaat
"waar rook is, is vuur". Veel mensen zien dat zo en dat is precies de
reden waarom deze zaak zo schadelijk is voor de stad. Door deze wijze van
beschuldigen kon wethouder Baljé niets anders doen dan opstappen, want als je
in het nieuws komt met de beschuldiging van corrupt gedrag is het vertrouwen
weg en zonder vertrouwen kan er niet gewerkt worden.
De gebeurtenissen van de afgelopen week maken pijnlijk zichtbaar hoe
iemands reputatie en integriteit afgebroken kunnen worden door roddel en
achterklap. Ook laat het gebeurde zien hoe makkelijk het toch al kwetsbare
vertrouwen van mensen in de politiek kan worden beschaamd. Als politici zich
gedragen op een wijze die het openbaar bestuur onwaardig is, is het terecht dat
burgers hun vertrouwen in het bestuur verliezen, maar hoe terecht is dat hier?
Door de wijze van handelen is niet alleen onnodig het vertrouwen van burgers in
het college geschaad. Ook het vertrouwen in de raad is door de handelwijze van
een raadslid in een kwaad daglicht gezet. Deze gang van zaken kent dus alleen
maar verliezers. Daarbij is de grootste verliezer de burger van Delft, die
opnieuw zijn vertrouwen in het stadsbestuur, zowel het college als de raad,
moet hervinden. De PvdA-fractie wil hierbij haar afkeuring uitspreken over de
handelwijze van de fractie van Leefbaar Delft.
De heer TAEBI (SP): Voorzitter. Het zal niemand zijn ontgaan wat de
afgelopen weken in Delft is gebeurd. Een partij maakte een wethouder het
politieke leven onmogelijk door ongenuanceerde beschuldigingen. In hoeverre
deze beschuldigingen waar zijn, moet nog blijken uit het onderzoek van het
Openbaar Ministerie, maar het staat nu al vast dat het handelen van Leefbaar
Delft op z’n zachtst gezegd laakbaar is.
Laat duidelijk zijn dat elk raadslid de plicht heeft om de signalen die hem
of haar bereiken, serieus te nemen. Ook de SP-fractie zou bij de ontvangst van
vermeend belastend materiaal niet stil hebben gezeten, maar ik kan u verzekeren
dat u, als voorzitter van de raad, hiervan eerder op de hoogte zou zijn gesteld
dan de media. De SP-fractie is in even sterke mate verontrust over een van de
conclusies van het interne onderzoek van de gemeente.
Daarin wordt gesteld dat bij een deel van de ambtelijke organisatie
onvoldoende kennis aanwezig was over de nieuwe regelgeving ten aanzien van
subsidies aan particulieren. Wij appreciëren natuurlijk het prompte
zelfonderzoek, maar maken ons tegelijkertijd zorgen over de manier waarop deze
tweede conclusie wordt ingekleed, alsof het een zijdelings en irrelevant punt
is voor de uitkomst van het onderzoek. Zo kijkt de SP-fractie er niet tegenaan,
want hoe heeft het zover kunnen komen dat bij een deel van de ambtelijke
organisatie klaarblijkelijk onvoldoende kennis aanwezig is? Een wethouder moet
bij wijze van spreken blind kunnen varen op de kennis en competentie van de
ambtenaren. De tweede conclusie zegt dat de kennis zou moeten worden opgefrist.
Ik citeer: “voor zover nodig uiteraard ook in andere delen van de organisatie”.
Waarom denkt men dat dat nodig is? Hoe zeker kunnen wij ervan zijn dat
“onvoldoende kennis” uitsluitend betrekking heeft op de nieuwe regelgeving met
betrekking tot subsidies? Ook is de vraag legitiem of er al eerder gevallen
zijn geweest waarin de regels zijn overtreden door wethouders die zich hebben
laten adviseren door ambtenaren met onvoldoende kennis.
Het moge duidelijk zijn dat de SP-fractie de ambtelijke organisatie niet
tot zondebok wil maken, want het college van B&W draagt nog altijd de
politieke verantwoordelijkheid. De vraag is alleen wat het college met dit
gegeven gaat doen. Gaat het college de volle reikwijdte van het ambtelijke
gebrek aan kennis in kaart brengen? Hoe gaat het college ervoor zorgen dat
vanaf vandaag dergelijke blunders niet meer gebeuren? Hoe gaat het college
ervoor zorgen dat zowel wethouders als raadsleden weer in vol vertrouwen kunnen
uitgaan van de juistheid, correctheid en actualiteit van door de ambtenaren
verstrekte kennis?
De heer VUIJK (VVD): Voorzitter. De VVD-fractie stemt in met de conclusies
van het rapport dat het college heeft laten opstellen naar aanleiding van de
ernstige beschuldigingen over corruptie en ambtsmisbruik. Naar de overtuiging
van de VVD-fractie worden de beschuldigingen volledig weerlegd. Voorzover in
deze raad vragen leven over subsidieverlening op basis van mandaat en delegatie
van besluiten in 2004 en 2005, horen die thuis bij de accountant die de
jaarrekening controleert of bij de net opgerichte commissie van de Rekening en
de commissie Middelen en Bestuur. Die vragen horen niet thuis in dit debat en
in de context van onbewezen beschuldigingen van corruptie en ambtsmisbruik.
Daar gaat dit debat over.
De VVD-fractie heeft enkele vragen. Zij hoort graag van de fractie van
Leefbaar Delft waarom zij deze wethouder landelijk in de pers heeft beschuldigd
van corruptie en ambtsmisbruik, zonder dat eerst in de raad aan de orde te
stellen en zonder daarvoor bewijs te presenteren. De VVD-fractie hoort graag
van de fractie van Leefbaar Delft of, nu blijkt dat er geen aanwijzingen voor
corruptie en ambtsmisbruik zijn, de aangifte van corruptie en ambtsmisbruik is
ingetrokken en waarom de onjuist gebleken beweringen nog niet publiekelijk zijn
gerectificeerd. De VVD-fractie hoort ook graag van de fractie van Leefbaar Delft
of het beschuldigen van de wethouder een soloactie is geweest van de
fractievoorzitter of dat deze actie gedragen wordt door heel Leefbaar Delft. Ik
wacht de antwoorden op deze vragen af.
De heer VAN DOEVEREN (CDA): Voorzitter. Waardenloos en zonder fatsoen; zo
zou mijn fractie de hele zaak rondom ex-wethouder Baljé en zijn mogelijke
corruptie willen karakteriseren. Het gaat om gebrek aan fatsoenswaarden bij de
diverse betrokkenen. Een restauranthouder die blijkbaar, tegen alle regels van
privacy in, mensen eind mei 2004 opneemt en de videoband een jaar bewaart. Een
wethouder die op de band een twijfelachtige bestuursstijl toont.
Gemeenteambtenaren die volgens een eigen rapport van de gemeente buiten hun
mandaat handelen en bij wie de regels van subsidieverlening nog eens moeten
worden aangescherpt. Een partij die een zodanige vorm kiest voor het openbaar
maken van de band dat de betreffende ex-wethouder in feite al publiekelijk is
veroordeeld voor mogelijke corruptie, zonder onderzoek, zonder bewijs en zonder
proces.
Mijn fractie betreurt dit allemaal zeer. Delft heeft hierdoor veel schade
opgelopen. Dat geldt voor een ieder: de gemeente, het bestuur en bovenal de
politiek. In feite wordt daarmee de hele Delftse samenleving geraakt. Wij gaan
nu in dit huis rollebollend met en ten koste van elkaar met elkaar om.
Natuurlijk zijn er mensen die dat prachtig vinden, maar veel meer hoor ik de
geluiden van burgers die dit alles een gruwel vinden. Zij verliezen elk respect
en elk vertrouwen in het bestuur en de politiek. Ik denk dat wij vooral dat in
het oog moeten houden als wij de wijze waarop wij met elkaar omgaan, hier
verder met elkaar bespreken. Respectvol met elkaar in dit huis blijven omgaan,
misstaat niemand, hoe moeilijk dat soms ook is. Daarmee dwing je uiteindelijk
ook weer respect en vertrouwen af.
Mijn fractie wil een paar woorden wijden aan de bestuursstijl van
ex-wethouder Baljé, het rapport van 13 mei en de wijze waarop een en ander in
de publiciteit is gelanceerd. De hele affaire begint natuurlijk wel bij een
wethouder die, voorzover mijn fractie dat heeft waargenomen op enkele
fragmenten van een videoband, een bestuursstijl hanteert die mijn fractie ten
zeerste afkeurt. Er werden zaken gedaan vanuit een restaurant op een wijze die
geen respect meer afdwingt, aanleiding kan geven tot misverstanden en twijfels
doen rijzen aan integer besturen. Daar past maar één woord voor: dom. Wij waren
bij het weggaan van wethouder Baljé behoorlijk scherp jegens hem, maar daar
hadden wij toch wel een beetje gelijk in. Laten wij overigens ook vaststellen
dat die bestuursstijl als zodanig geen strafbaar feit is, maar die
bestuursstijl had misschien wel politieke consequenties moeten krijgen. Ik zeg
nadrukkelijk “had moeten”, want tegelijkertijd realiseert mijn fractie zich dat
de politieke dimensie van die bestuursstijl nu niet meer van belang is, omdat
de heer Baljé inmiddels zelf als wethouder is opgestapt.
In het rapport van de gemeente van 13 mei jl. komen vragen aan de orde over
het subsidieverzoek van de restauranthouder voor zijn gondels en de mogelijke
corruptie van ex-wethouder Baljé. Die laatste vraag laat mijn fractie verder
buiten beschouwing, omdat daarover nog een justitieel onderzoek loopt. Dat
onderzoek gaat verder dan dat van de gemeente; de justitiële autoriteiten zijn
daarvoor ook veel beter toegerust. Laat echter duidelijk zijn dat iedereen
onschuldig is totdat zijn schuld bewezen is. Het kernpunt van de
subsidieverlening aan de restauranthouder is het volgende. Blijkbaar was het
voor ambtenaren binnen de sectie mogelijk om buiten de regels eigenstandig een
financiële vergoeding aan een particulier toe te kennen. De subsidie van 26.000
euro aan de restauranthouder is immers niet op een duidelijke wettelijke
regeling gebaseerd. Dat wordt blijkbaar ook niet ervaren als een echt probleem.
Wij kunnen op dit moment de waarderingsbijdrage niet als een echte wettelijke
regeling zien, maar misschien kan het college daarover duidelijkheid
verschaffen. Er is toch iets niet goed met de ambtelijke cultuur van die sectie
en met de kennis van de regels. Het college heeft daar onvoldoende grip op
gehad. Dat roept bij mijn fractie verdere vragen op. In hoeverre speelt dit ook
in andere afdelingen, met name bij afdelingen die subsidies verstrekken? Gaat
het college daarnaar onderzoek doen? Hoe zit het met de controle van financiële
toezeggingen? Mijn fractie vindt de conclusies van het rapport dan ook
alarmerend. Het gaat uiteindelijk om de integriteit van het bestuur. Ook al
gebeuren zaken uit onwetendheid, in zo’n kwetsbaar traject en positie van
subsidieverlening kan eigenstandig en onzorgvuldig handelen al gauw worden
uitgelegd als niet integer handelen. Dat mag en kan niet gebeuren. Er moet op
basis van heldere beginselen en regels worden gehandeld.
De norm moet daarbij hoog liggen en moet ook innerlijk als waarde beleefd
worden. Daarvoor is het college als directe bestuurder van de ambtelijke
organisatie verantwoordelijk. Er zijn nu signalen dat het niet goed zit met de
kennis van die regels, met een eventuele negatieve uitstraling naar vragen over
bijvoorbeeld de integriteit.
Nu kom ik bij de vorm waarin deze hele affaire haar weg naar het publiek
heeft gevonden. Wij constateren dat de fractie van Leefbaar Delft op 2 mei op
haar website melding maakte van de videobanden. Daarbij werd over de toenmalige
wethouder Baljé gezegd: “Hij doet daar dermate verdachte uitspraken dat ik de
indruk krijg dat wethouder Baljé corrupt is”. Daarbij werd in eerste instantie
de pers gezocht en werd door Leefbaar Delft een mechanisme op gang gebracht en
waar nodig gevoed dat verder zijn eigen dynamiek kreeg. De gebruikelijke gang
zou echter het doen van aangifte zijn geweest. De conclusie is in ieder geval
dat in de regionale en landelijke schrijvende en beeldvertonende media wethouder
Baljé werd neergezet als een wethouder aan wie vooral de smet van corruptie
kleefde. Dat is een ernstig misdrijf. Zoals ik al zei: daar moet wel een
duidelijk bewijs voor zijn. Daar hebben wij toch nog wel een vraag over. Net
zoals wij de voorzitter een aantal vragen hebben gesteld, willen wij ook een
vraag stellen aan de fractie van Leefbaar Delft. Waarom heeft die fractie,
juist waar bij zo’n ernstige beschuldiging zorgvuldigheid geboden is, als
eerste gekozen voor deze weg van publiciteit? Welke afwegingen heeft die
fractie daarin gemaakt?
De heer DE WIT (Leefbaar Delft): Voorzitter. Wij kwamen vanavond op onze
fractiekamer. Wij bedanken de vele mensen die ons een bloemetje hebben gegeven
ter ondersteuning van dit debat. Aan de conclusies van het interne onderzoek
hechten wij geen waarde. De onderzoeksopdracht naar enkel de gang van zaken
rond de aanvraag van de heer Daga is veel te beperkt geweest. Hoe kan
gemeentesecretaris Hans Camps een gedegen onderzoek doen terwijl hij niet in
het bezit is van de videoband of de geluidsopname? Op 2 mei hebben wij om een
compleet onderzoek naar de gehele wethoudersperiode van wethouder Baljé
gevraagd. Dat onderzoek is niet uitgevoerd. Als een wethouder een ondernemer
bedreigt met de woorden "Ik maak gehakt van je" en "Ik maak je
helemaal kapot", is dat al voldoende reden om hem te verdenken van
onoorbare handelswijzen. Ook dat is niet onderzocht. Neem daarbij ook zijn
ongepaste gedrag waarbij de wijn rijkelijk werd gebruikt tijdens de zakelijke
gesprekken op de videoband. Dan is het wel heel erg onzorgvuldig om nu al de
conclusie te trekken dat wethouder Baljé geen enkele blaam treft. Daarom hebben
wij direct om een gedegen extern onderzoek gevraagd dat nu gaande is bij de
rijksrecherche, ook wegens de betrokkenheid van u, burgemeester Verkerk, toen
nog wethouder te Den Haag, op de videoband. Op de video lijkt het erop dat
ex-wethouder Baljé geheime informatie lekt uit de vertrouwenscommissie van de
burgemeestersbenoeming. Op 9 mei is door de rijksrecherche een onderzoek
ingesteld naar aanleiding van de wederzijdse aangiften van wethouder Baljé en
mijn collega-raadslid Stoelinga.
Ook uit het interne onderzoek blijkt dat de wethouder een substantieel
bedrag wilde geven aan ondernemer Daga voor de peperdure gondels. Op 16
februari wordt per brief de gondelsubsidie aan Salvatore afgewezen, daar de
subsidieaanvraag aan geen enkele regel voldoet. De ambtenaar belt dan die
ondernemer met de mededeling "Er komt een afwijzende brief aan, mijnheer
Daga". Dat was een soort psychologische voorbereiding. Dat gesprek verliep
volgens de ambtenaar deels in een emotionele sfeer, omdat de heer Daga meende
recht te hebben op 40.000 euro. Dat kan ik mij voorstellen. Het is toch niet
normaal dat ambtenaren brieven aankondigen? Het is toch ook niet normaal dat
die ambtenaar dezelfde dag ook nog naar ondernemer Daga toe gaat om met hem te
onderhandelen over een waarderingsbijdrage? Één dag later zijn zij eruit en
wordt op 17 februari een subsidie van 26.000 euro exclusief BTW toegekend. Dat
is 31.000 euro ofwel bijna de door de heer Daga gevraagde 40.000 euro.
Deze hele waarderingsbijdrage is op een onambtelijke wijze totstandgekomen.
Het vakteamhoofd stond volgens ons duidelijk onder psychologische druk van
wethouder Baljé om zijn vieze zaakjes op te lossen. Iedere ambtenaar weet
ongeveer welk mandaat hij/zij heeft om te tekenen. Het mandaat van deze
ambtenaar was maar 2200 euro; volgens mij was dat bij haar wél bekend.
De heer BOT (GroenLinks): Waarop baseert u de uitspraak dat de ambtenaar
onder zware psychologische druk van de wethouder stond? Dat blijkt niet uit het
interne rapport; daarin wordt dit zelfs ontkend.
De heer DE WIT (Leefbaar Delft): Dat
lijkt mij niet logisch. Eerst ontmoet je een emotionele ondernemer, dan ga je
onderhandelen en dan zeg je bijna toe wat er gevraagd wordt.
De heer BOT (GroenLinks): Ik
constateer dat de heer De Wit geen aanwijzing heeft.
De heer DE WIT (Leefbaar Delft): De
term "waarderingsbijdrage" bestaat niet. Er is geen beleid voor
waarderingsbijdragen aan ondernemers. Het voorstel is niet eens in de
vergadering van het college van burgemeester en wethouders besproken. De
gemeente geeft achteraf helemaal geen waarderingsbijdragen aan ondernemers. Dit
is complete onzin. Wij geloven ook niet dat dit allemaal toevallig is
misgegaan. Er is te veel misgegaan. Een waarderingsbijdrage van 26.000 euro aan
Salvatore Daga voor de komende drie jaar zien wij als een douceurtje van Baljé
aan Salvatore Daga. Als wij waarderingsbijdragen gaan geven aan alle ondernemers
die de stad Delft promoten, is het hek van de dam. Wij vermoeden dat
ex-wethouder Baljé zich toen al in een benarde positie bevond ten aanzien van
zijn eerdere toezeggingen in de pizzeria.
De heer VUIJK (VVD): Ik stel op dit
moment voor de Handelingen vast dat weer allerlei beweringen worden gedaan
waarvoor ieder spoor van bewijs ontbreekt. Dit is geen vraag.
De heer DE WIT (Leefbaar Delft):
Burgemeester Verkerk concludeert in het onderzoek aan de ene kant geen
aanwijzingen te zien die nader onderzoek rechtvaardigen, maar aan de andere
kant heeft hij het over onwetendheid over spelregels en het opfrissen van de
regels. Dit kunnen wij niet met elkaar verenigen. De conclusie dat er geen
onoorbare feiten zijn gevonden, klopt volgens ons niet. Dan is de conclusie om
niet verder te kijken naar alle zaken die wethouder Baljé de afgelopen jaren
heeft behandeld, ook veel te voorbarig. Wethouder Baljé had namelijk zelf op 4
mei verzocht om een intern onderzoek naar alle financiële transacties in zijn
portefeuille. Volgens ons is het interne onderzoek dus voor 5% af. Het
douceurtje aan Salvatore Daga rechtvaardigt een verdergaand onderzoek. Daartoe
dienen wij een motie in.
De PvdA-fractie bekritiseert vooral
de wijze waarop de kwestie-Baljé door Leefbaar Delft naar buiten is gebracht.
Hoe wij iets naar buiten brengen, is onze zaak. Het dualisme waarin raadsleden
de buiten de raad opererende wethouders controleren, is onze taak. Partijen in
de raad die aan het woord geweest zijn, verwijten Leefbaar Delft dat het deze taak
hoofdzakelijk in de openbaarheid vervult. Als een publiek figuur als een
wethouder zich misdraagt, zouden wij dat geheim moeten houden. Nee, dat doen
wij dus niet. Wij staan voor openheid en transparantie.
De heer BOT (GroenLinks): Wie heeft
beweerd dat dat geheim gehouden zou moeten worden? Dat is volgens mij vanavond
door niemand gezegd.
De heer DE WIT (GroenLinks): Nou,
dat zou in ieder geval niet naar buiten moeten worden gebracht; dat is
hetzelfde als geheim houden.
De heer BOT (GroenLinks): Volgens
mij gaat het om niet meteen naar buiten brengen.
De heer DE WIT (GroenLinks): Dat is
hetzelfde, want dan houd je het toch een tijd geheim.
De heer TAEBI (SP): Als een van de
voorgaande sprekers voel ik mij aangesproken. Ik heb helemaal niet gezegd dat
dit in het geheim afgehandeld moet worden. Ik heb alleen de volgorde van zaken
bekritiseerd.
De heer DE WIT (Leefbaar Delft): Het
zijn dus vooral arrogante regenten die onze wijze van controleren afkeuren.
Elke wethouder of burgemeester weet dat scherp op hen gelet wordt. Wij hadden
in het verleden al ervaringen met het wangedrag van ex-wethouder Baljé in bars
en cafés. Die fatsoensgrens had hij al eerder tegen ons overschreden. Dit keer
ging het te ver om onze mond te houden. De "onder de gordel"-aanval
van de PvdA op de klokkenluider getuigt van een zeer ondemocratische houding en
van onverdraagzaamheid naar gekozen raadsleden van Leefbaar Delft.
Mevrouw STOLKER (PvdA): Ik weet niet
wat hier onder de gordel is geweest, maar dat zijn uw woorden. Het gaat de
PvdA-fractie niet zozeer om het feit dat u dit nieuws de wereld in hebt
gebracht, maar om de wijze waarop u dat hebt gedaan.
De heer DE WIT (Leefbaar Delft): Dat
vinden wij dus onder de gordel.
Mevrouw STOLKER (PvdA): Dan ben ik
benieuwd wat er allemaal onder de gordel zit, maar ik vind het erg onterecht
dat u zich nu opwerpt als klokkenluider. Als u hier in het raadsdebat met ons
daarover had willen spreken, was er niets aan de hand geweest. U praat echter
altijd over zaken en partijen, zonder met de betrokken mensen of partijen in
debat te treden. Dat is mijn punt.
De heer DE WIT (Leefbaar Delft): Ik
ben nog niet klaar met mijn verhaal, maar ik heb al gezegd dat dit onze keuze
is.
Mevrouw BOLTEN (GroenLinks): De heer
De Wit sprak zojuist een zin uit. Ik vraag hem om die zin te verhalen, want dat
is in dit verband relevant. Die zin begon met: "Als een publiek figuur,
als een wethouder zich misdraagt". Wat kwam er dan?
De heer DE WIT (Leefbaar Delft):
Volgens mij is het al drie keer gezegd. Ten behoeve van het geheugen van
mevrouw Bolten, dat het blijkbaar laat afweten: ... "dan zouden wij dat
geheim moeten houden".
Mevrouw BOLTEN (GroenLinks): Er
staat dus twee keer het woordje "als" in uw zin: "Als een
publiek figuur, als een wethouder zich misdraagt, dan zouden wij dat geheim
moeten houden". Dat is volgens mij niet wat er gezegd is door de
voorgaande sprekers. Er is gezegd dat u de gewone weg had moeten bewandelen
zolang niet bewezen is dat een wethouder zich heeft misdragen.
De heer DE WIT (Leefbaar Delft): Ik
krijg niet eens de kans om mijn verhaal te doen, want u onderbreekt mijn
verhaal. U kunt dus beter even wachten totdat ik klaar ben. Dan kunt u daar in
tweede termijn op reageren.
De PvdA-fractie keurt onze
handelwijze af. Wij vinden dat inmenging van buitenaf in onze partij. Dat staan
wij gewoon niet toe. Toen wij het stadhuis in kwamen, kwamen wij op een olifant
en onze kiezers wisten heel goed dat wij rotzooi gingen trappen in het
porseleinen huis. Dat hebben zij ook gekregen. U moet zich dus niet verbergen
achter het argument dat dit helemaal nieuw voor u is. Dat is onze stijl.
Mevrouw STOLKER (PvdA): Dit is
helemaal niet nieuw voor ons. Wij hebben hier vaker over gedebatteerd. Wat u nu
zegt, is wel nieuw voor mij. Bedoelt u dat politieke partijen u niet mogen
aanspreken op uw gedrag?
De heer DE WIT (Leefbaar Delft): Ja,
u keurt onze handelwijze hier in de raad af. Dat vinden wij een heel vreemde
plek om onze handelwijze af te keuren.
Mevrouw STOLKER (PvdA): Waar zou ik
dat dan moeten doen, mijnheer De Wit?
De heer DE WIT (Leefbaar Delft): Ik
kan uw handelwijze dagelijks afkeuren en dan kan ik elke dag een vergadering
bij elkaar roepen: "Ik keur af wat die partij doet en wat die partij
doet". Het zou toch te gek zijn als wij dat zouden doen?
De heer BOT (GroenLinks): Als
Leefbaar Delft ooit een meerderheid in de raad zou halen, is het dan ook nog
voor ons verboden om u in de raad aan te spreken op een bepaald gedrag?
De heer DE WIT (Leefbaar Delft): Dat
zou een stuk makkelijker zijn, ja.
Gelet op de machtspolitiek van dit
college van de afgelopen drie jaar, blijft er voor ons trouwens weinig anders
over dan controleren. Lopende het feitenonderzoek van de rijksrecherche is het
sowieso speculatie om als gemeenteraad nu al uit het interne onderzoek van de
gemeente de conclusie te trekken dat Baljé geen enkele blaam treft.
De heer VUIJK (VVD): Dat is niet
helemaal zo. Als je aangifte doet, is het gebruikelijk dat je bepaalde
aanwijzingen hebt. In dit geval ontbreken alle aanwijzingen voor corruptie of
ambtsmisbruik. U komt dus niet eens aan de fase van bewijs toe. Het ontbreekt
aan aanwijzingen voor corruptie en ambtsmisbruik.
De heer DE WIT (Leefbaar Delft): Er
zijn meerdere getuigen. Er is beeldmateriaal en geluidsmateriaal. Er is dus
bewijs zat. Wat u nu doet, is dus speculatie.
De heer VUIJK (VVD): Ik hecht eraan
om dit even scherp te zetten. Je kunt beelden opknippen, zoals hier is gebeurd.
Er is bijna niets van over; alles is gewist.
De heer DE WIT (Leefbaar Delft): Dat
is ook speculatie. U weet helemaal niet wat er op de band staat.
De heer VUIJK (VVD): Nee, want die
band is gewist. Dat is verklaard voor de rechter.
De heer DE WIT (Leefbaar Delft): Dat
is speculatie. U weet niet eens dat die band gewist is. Hoe weet u dat allemaal?
Bent u een rechercheur?
De heer VUIJK (VVD): Wij constateren
heel feitelijk dat de eigenaar van de band zelf heeft verklaard dat de band
gewist is. Vervolgens constateren wij ook, gewoon feitelijk, dat er van
aanwijzingen van corruptie en ambtsmisbruik geen sprake is.
U komt dus niet eens toe aan
bewijzen. Ik stel weer vast dat Leefbaar Delft weer van alles op tafel legt
zonder ook maar enig bewijs of enige aanwijzing.
De heer DE WIT (Leefbaar Delft): Dit
is volgens mij geen vraag meer. Dit is een betoog.
De VOORZITTER: Mijnheer De Wit,
vervolgt u uw betoog.
De heer DE WIT (Leefbaar Delft): Wij
snappen er niets van dat een meerderheid van de raad desondanks wethouder Baljé
zo in bescherming neemt. Wethouder Baljé heeft zelf vervroegd ontslag genomen
en durft hier niet eens de confrontatie met de raad aan te gaan. Wij zien dat
als een schuldbekentenis. Het dubbele vertrek van wethouder Baljé is zo'n shock
voor de PvdA-fractie dat zij haar woede nu richt op de boodschapper van het
slechte nieuws. De klokkenluiders moeten vanavond hangen. Daarmee probeert de
PvdA-fractie en de haren de aandacht van het echte probleem af te leiden. Er
zat een wethouder in het college die veel te makkelijk toezeggingen deed en die
vaak zijn zaken in kroegen afdeed.
Na het zien van de video hebben wij
direct burgemeester Verkerk voor de raadsvergadering van 28 april op de hoogte
gesteld. Wij hebben gevraagd of hij naar de videobeelden wilde kijken. Hij had
daar geen belangstelling voor. Ook hebben wij gevraagd of de gemeenteraad de
video wilde bekijken om zelf een oordeel te vormen. Hier is door niemand op
ingegaan.
Mevrouw STOLKER (PvdA): Ik wil even
verklaren dat niemand uit mijn fractie die uitnodiging heeft ontvangen.
De heer DE WIT (Leefbaar Delft): O,
u leest de krant niet. U weet helemaal niets. Heel Delft weet het, maar u niet.
Mevrouw STOLKER (PvdA): Hiermee is
mijn vorige punt bewezen, namelijk dat Leefbaar Delft over mensen praat in
plaats van met mensen. Dank u wel voor dit bewijs.
De heer DE WIT (Leefbaar Delft): Dat
is onze stijl, ja. Wij spreken inderdaad in de media en ook in de raad en ook
in de commissies. Wij spreken overal.
Mevrouw STOLKER (PvdA): Ik heb daar
een term voor: "roddel en achterklap".
De heer DE WIT (Leefbaar Delft): Dat
zal wel.
Wij hebben steeds gesproken over een
vermoeden van corruptie. Als wij geen aangifte hadden gedaan – dat hebben wij een dag later gedaan, want het was dodenherdenking – en
als wij de feiten niet naar buiten hadden gebracht, waren wij strafbaar geweest.
Deze zaak was toch naar buiten gekomen met een aangifte. Of dit nu eerst op
onze website stond, verandert daar niets aan. Wij voelden ons als raadsleden
verplicht om de handelwijze van de wethouder aan de kaak te stellen. Zo mag een
wethouder zich niet gedragen.
Ik verwijt de PvdA-fractie, die dit
debat heeft aangevraagd, dat zij uit opportunisme handelt. Haar mes snijdt aan
twee kanten: Leefbaar Delft verwijten maken dat het veelvuldig de media zoekt
en ondertussen hopen dat haar coalitiegenoot de VVD nog meer schipbreuk lijdt.
Dit is dezelfde smakeloze vertoning van de PvdA als rond de
burgemeestersbenoeming. De PvdA-elite kan zich er niet bij neerleggen als er
zaken gebeuren waarmee zij het niet eens is. Daar maakt zij zich druk om en
niet over de inhoud.
De VOORZITTER: Door de fractie van
Leefbaar Delft wordt de volgende motie (M-1) ingediend:
"De gemeenteraad van Delft,
bijeen op dinsdag 24 mei 2005,
constaterende dat:
- het college van burgemeester en
wethouders van Delft de gemeentesecretaris een intern onderzoek heeft laten
uitvoeren dat zich in hoofdzaak gericht heeft op de gang van zaken rond het
subsidieverzoek van de heer Salvatore Daga met betrekking tot de gondels in
Delft,
- uit dit deel van het interne
onderzoek naar voren kwam dat de betrokken gemeentefunctionarissen ten onrechte
een 'waarderingssubsidie' van € 26.000,-- exclusief BTW hebben toegekend aan de
heer Salvatore Daga;
- uit gesprekken met de behandelend
functionaris duidelijk is geworden dat het onwetendheid betrof over de actuele
spelregels rondom het verstrekken van subsidies of andere financiële
ondersteuning;
- als belangrijk verbeterpunt uit
dit onderzoek naar voren komt dat voorzover nodig delen van de ambtelijke
organisatie de kennis van de actuele spelregels met betrekking tot het
verstrekken van geldelijke vergoedingen voor particuliere initiatieven moet
opfrissen;
overwegende dat:
- ex-wethouder Baljé verzocht had
een intern onderzoek in te stellen naar alle financiële transacties waar hij
als wethouder bij betrokken was geweest;
- de onderzoeksopdracht zich heeft
beperkt tot één klein onderwerp in de portefeuille van ex-wethouder Baljé, die
Handhaving, ICT, Toezicht, Economie en Harnaschpolder inhield;
- gezien op dit enkele onderdeel al
een onregelmatigheid is gevonden, het zeer wel denkbaar is dat er in de andere
('politiek gevoelige') portefeuilleonderdelen van ex-wethouder Baljé zich ook
onregelmatigheden hebben voorgedaan;
besluit dat het college een
diepgaand intern onderzoek verricht naar alle financiële transacties binnen de
portefeuille van ex-wethouder Baljé gedurende zijn zittingsperiode,
en gaat over tot de orde van de
dag."
De heer BOT (GroenLinks):
Voorzitter. Gezien de schade die aan zijn persoon is aangericht, kon wethouder
Baljé niets anders doen dan aftreden. Zijn geloofwaardigheid en zijn loopbaan
zijn bewust vernield. De fractie van GroenLinks vindt het walgelijk en
weerzinwekkend dat iemand, zonder dat de wethouder dat wist, opnames heeft
gemaakt en daarmee een jaar later heeft geprobeerd om politieke chantage uit te
oefenen. Wij vinden het onvoorstelbaar dat de drie raadsleden die de band
bekeken hebben, niet onmiddellijk naar de politie zijn gegaan om aangifte te
doen van deze misselijke praktijken. Mijnheer Van Tongeren had het er moeilijk
mee.
De heer STOELINGA (Leefbaar Delft):
Na de heer Vuijk en mevrouw Stolker blijkt ook de heer Bot er weinig van af te
weten. Op 29 april heb ik gebeld naar de politie, naar de heer Hooimeijer, de
rechercheur in deze zaak. De heer Hooimeijer was niet aanwezig op 29 april.
De dienstdoende rechercheur heeft
gezegd: bel maandag terug, want dan is de heer Hooimeijer aanwezig. Op maandag
heb ik de heer Hooimeijer gebeld. Hij zei toen: dit is geen zaak voor de stad
Delft, maar voor het Openbaar Ministerie. Wij hebben dus wel degelijk op 29
april aangifte willen doen, maar dat was onmogelijk. Op 28 april, om 19.50 uur,
heb ik de heer Verkerk gezegd dat de band aanwezig was. Ik heb hem toen
gevraagd of hij daar iets mee zou kunnen doen en of er iets mee gedaan zou
worden. De letterlijke woorden van de heer Verkerk waren toen: “Dat is een zaak
van de heer Baljé”. Ik heb het dezelfde avond, in een pauze, ook verteld tegen
Niek van Doeveren. Ik neem dus aan dat ik behoorlijk bezig ben geweest om op 29
april naar de politie te gaan. De volgende dag, 30 april nota bene, heb ik nog
met Herman Weijers gesproken. Herman Weijers heeft gezegd dat hij ’s avonds nog
met Vuijk heeft gesproken. Het is op 2 mei in de openbaarheid gekomen. Er is
dus wel degelijk direct initiatief genomen om in te gaan op de band.
De heer BOT (GroenLinks): Ik hoor
straks graag van de burgemeester zijn visie op de versie van de heer Stoelinga,
maar als het allemaal klopt wat u nu zegt, wat ging u dan doen op 29 april?
Aangifte doen wegens de illegale praktijken van de heer Daga of aangifte doen
wegens corruptie van de heer Baljé?
De heer STOELINGA (Leefbaar Delft):
Vermeende corruptie, mijnheer Bot. Als u de band had gezien, had u aan mijn
zijde gestaan en had u dat beaamd. Dan had u deze taal niet uitgesproken. Het
is zonde dat je er niet bij was, want je had je dood geschaamd.
De heer BOT (GroenLinks): Ik zei dus
dat men onmiddellijk naar de politie had moeten gaan om aangifte te doen van de
misselijke praktijken van de heer Daga.
De heer VAN TONGEREN (CDA): Ik
hoorde impliciet ook een vraag aan mijn persoon. Daar wil ik graag antwoord op
geven. Dat antwoord luidt als volgt. Ik heb die bewuste videoband inderdaad op
dezelfde datum gezien. Ik was van het geheel van de setting dermate gechoqueerd
dat ik een getuigenverklaring bij de politie heb afgelegd over alle aspecten
die dat betreft. Ik kan u eventueel ook de precieze data en tijdstippen
doorgeven.
De heer BOT (GroenLinks): Dat is
goed om te horen. Dan accepteer ik die verklaring van u in ieder geval.
De heer STOELINGA (Leefbaar Delft):
Ik constateer dat u de heer Van Tongeren wel gelooft, maar mij in twijfel
trekt.
De heer BOT (GroenLinks): De heer
Van Tongeren heeft ten minste niet, zoals u dat wel hebt gedaan, meteen de
publiciteit gezocht om wethouder Baljé publiekelijk en zonder enige harde
aanwijzing van corruptie te beschuldigen. Mijnheer Stoelinga, als de zaak u zo
ernstig leek, waarom bent u dan niet meteen naar de burgemeester gestapt met uw
vermoeden?
De heer STOELINGA (Leefbaar Delft):
Dat heb ik net gezegd. Ben je nou een beetje doof of hoe zit het nou? Je moet
eens proberen uit je neus te blijven.
De VOORZITTER: Ik kan direct op dit
punt ingaan, want dan is het de wereld uit. De heer Stoelinga heeft mij die
avond aangesproken over iets van een kwestie tussen een ondernemer en wethouder
Baljé. Daar zou een videoband bij betrokken zijn. Ik ben niet uitgenodigd om
dat ding te bekijken. Ik heb direct gezegd dat dit met de wethouder moest
worden uitgezocht. That’s it.
De heer STOELINGA (Leefbaar Delft):
Dat zijn de woorden die ik ook heb gebezigd. Ik heb het bij u gemeld. Daarvoor
is de heer Daga bij u geweest. Ik heb begrepen dat u de band niet wilde zien of
erbuiten wilde blijven. Ik heb het u gemeld na het fractievoorzittersoverleg.
De heer BOT (GroenLinks): Ongehoord is
ook dat de heer Stoelinga meer dan een week na de publicatie op de website van
Leefbaar Delft wachtte met zijn aangifte wegens corruptie, totdat de wethouder
in de publiciteit inmiddels helemaal was afgebrand.
De heer STOELINGA (Leefbaar Delft):
Mijnheer Bot, zit nou niet zo te fantaseren. Dit is een zaak van het Openbaar
Ministerie en het Openbaar Ministerie maakt uit wanneer je mag komen. Daar kun
je niet door de voordeur stappen en zeggen: hallo, ik kom even aangifte doen.
Als je die regels niet kent, moet je die eens nagaan.
De heer BOT (GroenLinks): Volgens
ons kan dat wel. Er zit een week tussen de publicatie op de website en het doen
van aangifte.
De heer STOELINGA (Leefbaar Delft):
Dat kan dus niet, mijnheer Bot.
De heer DE WIT (Leefbaar Delft): Als
wij aangeven dat wij op 4 mei aangifte hebben gedaan, waarom accepteert de heer
Bot dat dan niet? Waarom schrapt hij dat dan niet gewoon uit zijn verhaal?
Mevrouw Bolten interrumpeerde mij over het woordje “als”, maar dit gaat wel
iets verder.
De heer BOT (GroenLinks): Ik heb
niet op de website gezien dat u op 4 mei al aangifte hebt gedaan. Ik heb
geconstateerd dat wij hier op maandagavond nog een overleg hebben gehad en dat
u pas op woensdagochtend definitief aangifte hebt gedaan, terwijl u dat al wel
verschillende keren in de pers had aangekondigd.
De heer DE WIT (Leefbaar Delft): Het
was een heel raar weekend, want daar zat dodenherdenking tussen. Het was een
weekend waarin op het politiebureau niemand aanwezig was. Wij konden dus niet
eerder terecht dan maandag. Toen werden wij doorverwezen naar Haaglanden. Wij
hebben dus gewoon adequaat gereageerd. Als je binnen een dag reageert, reageer
je adequaat.
De heer BOT (GroenLinks): Ik ga
gewoon verder. Een raadslid moet signalen over mogelijke misstanden als
volksvertegenwoordiger serieus nemen. Hij of zij moet in zo’n geval als
publieke functionaris verantwoordelijk en prudent handelen en zorgvuldig
nadenken over eventuele stappen die moeten worden ondernomen. Dat is in dit
geval niet gebeurd. Wie daaraan nog twijfelt, moet de brief van advocaat
Paardekooper van gisteren nog maar eens lezen. Voor de fractie van GroenLinks
is het helder: het gaat Leefbaar Delft om het aanrichten van zoveel mogelijk
schade aan mensen.
De heer DE WIT (Leefbaar Delft): Dat
is natuurlijk onzin. U zegt dat dat ons doel is, maar ons doel is dat
wethouders die schade aanrichten, moeten opstappen.
De heer BOT (GroenLinks): U hebt
zojuist precies gezegd hoe u deze dingen bekijkt. U gaat daarmee onmiddellijk
naar de publiciteit, want dat is volgens u uw taak als volksvertegenwoordiger.
Als je dat soort aanwijzingen hebt, moet je daar echter prudent, zorgvuldig en
verantwoordelijk mee omgaan. U gaat echter meteen de publiciteit in.
De heer VUIJK (VVD): Ik wil nog even
feitelijk vaststellen dat het opstappen van de wethouder geen motief kan zijn
geweest voor deze hele actie, omdat de wethouder zelf zijn ontslag al eerder om
een heel andere reden had ingediend.
De heer BOT (GroenLinks): Ik ga nu
verder in op het gemeentelijke rapport. Er zijn geen signalen of aanwijzingen
voor corruptie van wethouder Baljé. De fractie van GroenLinks had overigens ook
niet anders verwacht. In de brief van gisteren komt de advocaat van de heer
Baljé op basis van het beschikbare beeldmateriaal tot dezelfde conclusie.
De fractie van GroenLinks betreurt
het dat kennelijk niet iedereen binnen de ambtelijke organisatie goed op de
hoogte is van de regels voor het verstrekken van financiële bijdragen of
subsidies. Het college kondigt terecht aan hier met prioriteit aandacht aan te
gaan besteden. Ten aanzien van de bijdrage voor de gondels is het verhaal in
het rapport voor ons helder. Een ondernemer wil een subsidie, de wethouder zegt
toe zich daar hard voor te willen maken en na ambtelijk overleg wordt een
bijdrage toegekend. Er was wel een collegebesluit nodig geweest. Daardoor had
ook de raad kennis kunnen nemen van die bijdrage. Aan het verstrekken daarvan
had dat echter hoogstwaarschijnlijk niets veranderd.
De fractie van GroenLinks trekt wel
een andere conclusie over subsidies. Ik sluit mij op dat punt op hoofdlijnen
aan bij het verhaal van de heer Taebi. Voor subsidies voor cultuur, welzijn en
zorg heeft de raad duidelijke kaders gesteld, uitmondend in de jaarlijkse
subsidiebundel en in de evenementensubsidies. Op het gebied van toerisme,
economie en stadsmarketing heeft de raad geen kaders gesteld. Dat moet wel
gebeuren. Wij verzoeken het college om op dit gebied een subsidieverordening
voor te bereiden en om die voor te leggen aan de raad. Juist het feit dat het
bij subsidies op het gebied van toerisme en stadsmarketing kan gaan om een
bijdrage voor particuliere ondernemers – ook de heer Van Doeveren heeft daarop
gewezen – maakt het extra noodzakelijk om duidelijke regels op te stellen en te
hanteren.
Daarnaast verwachten wij dat de
accountantsrapportages over 2004 en 2005 aandacht besteden aan de
rechtmatigheid. Binnenkort bespreekt de raad de jaarrekening en het
accountantsrapport over 2004. Wat onze fractie betreft, worden de subsidies en
waarderingbijdragen over de gehele linie onderwerp van gesprek met de
accountant. Kortom, de lijn van de fractie van GroenLinks is: geen grijze
schemerzone van waarderingsbijdragen, kaders vooraf stellen in een verordening
en rechtmatigheidscontrole door de accountant achteraf. Wij willen dat de
commissie voor de Rekeningen en de accountant daarop attent zullen zijn.
Ook wij willen iets zeggen over de
bestuursstijl van wethouder Baljé en de risico’s die die stijl met zich mee
bracht. Onze fractie herkent zich in dat beeld en onderschrijft genoemde
risico’s. De gebeurtenissen van de laatste weken laten geen andere conclusie
toe. Een wethouder moet voorzichtig zijn met toezeggingen, zeker in de
informele sfeer. Hij of zij kan verder beter geen zakelijke telefoongesprekken
voeren in het bijzijn van derden en al helemaal niet in een horecagelegenheid.
Ik kom terug op de politieke
gevolgen van deze affaire. De Delftsche Courant vroeg zich zaterdag in het
commentaar terecht af wie de waardigheid terugbrengt in de Delftse politiek.
Wat ons betreft, bestaat politiek bedrijven in een democratie uit praten,
discussiëren en argumenteren. Het is niet gebruikelijk dat politici of
bestuurders elkaar als vijanden zien en elkaar als zodanig bejegenen. Je kunt
de ideeën van politieke tegenstanders bestrijden, maar niet hun persoon en ook
niet hun recht om hun ideeën te verdedigen. Dat is onwaardig. Leefbaar Delft
heeft in onze ogen een grens overschreden die wij niet kunnen accepteren.
De heer DE WIT (Leefbaar Delft):
Afgelopen donderdag werd Leefbaar Delft door wethouder Torenstra behandeld met
één zin: “Alles wat jullie zeggen, is onzin”. Dat was zijn reactie op de
inbreng van Leefbaar Delft. Waarom heeft de fractie van GroenLinks toen niets
gedaan?
De VOORZITTER: Dit lijkt mij een
onjuist voorbeeld, omdat daar een hele context bij zit waarover wij nog nader
zullen spreken. Dit voorbeeld acht ik dus niet gepast.
De heer BOT (GroenLinks): Ik kon
bovendien op dat moment niets doen omdat de fractie van Leefbaar Delft maar wat
blij was om op te kunnen stappen. Volgens mij had zij de hele avond op dat
moment zitten wachten.
De heer DE WIT (Leefbaar Delft): Zo
kun je alles uitleggen, alsof wij van tevoren dat soort dingen zeggen om op te
kunnen stappen.
De VOORZITTER: Mijnheer Bot, gaat u
verder.
De heer BOT (GroenLinks): De grens
is overschreden. In zijn afscheidsbrief is wethouder Baljé daarop ingegaan. Wij
zijn het met hem eens. Herhaaldelijk angst zaaien over buitenlanders en de
islam, leugens over condooms en spuiten op de skatebaan, het bewust openbaar
maken van de prijs van de Cabrio, waarvoor de heer Stoelinga terecht door de
rechtbank bestraft is, en …
De heer STOELINGA (Leefbaar Delft):
Daarvoor heeft de wethouder excuses aangeboden. Dat vind ik klasse.
De heer BOT (GroenLinks): Inderdaad,
maar daarbij was iets heel anders aan de orde. Het ging namelijk om het bewust
door u verbreken van de vertrouwelijkheid op dit punt. De wethouder heeft later
toegegeven dat hij een taxatiefout had gemaakt. Dat is echt iets anders.
Er is ook sprake geweest van talloze
persoonlijke beledigingen aan het adres van wethouders, burgemeesters,
raadsleden, ambtenaren en andere Delftenaren. Steeds gaat Leefbaar Delft een
stapje verder. Nu heeft men een absoluut dieptepunt bereikt. De frontale aanval
op wethouder Baljé is een zwarte dag in de geschiedenis van de Delftse
democratie. Niet alleen de wethouder persoonlijk is beschadigd, iets wat ik
mijzelf bijzonder aantrek als iemand die het goed kon vinden met wethouder
Baljé. Ook het imago van het gemeentebestuur is beschadigd. Burgers vragen ons:
“Wat is dat voor een zootje in die Delftse raad?” Ook het imago van onze stad
is beschadigd, omdat door de landelijke publiciteit een beeld ontstaat van een
stad waarin corruptie, illegale cameraopnamen en grove beschuldigingen
gemeengoed zijn.
Als democratische partijen in de
Delftse raad moeten wij stelling nemen en een veroordeling uitspreken van het
gedrag van Leefbaar Delft in deze kwestie. Als wij dat niet doen, is het een
kwestie van tijd voordat het volgende slachtoffer aan de beurt is. De heer De
Wit sprak op de Leefbaar Delft-website naar aanleiding van de vergadering van
vanavond van “inquisitie”. Je moet maar durven. Iemand willens en wetens kapot
maken en als je daarop wordt aangesproken, over inquisitie beginnen. Leefbaar
Delft doet zich graag voor als Klein Duimpje, die het tegen de reus van de
gemeente opneemt. In onze ogen is niets minder waar.
De heer DE WIT (Leefbaar Delft): Ik
heb in mijn verhaal al uitgelegd dat dit uw eigen schuld is. U sluit Leefbaar
Delft buiten. U vormt één blok en het enige wat wij nog kunnen doen, is
controleren en zelfs dat mogen wij van u niet.
De heer BOT (GroenLinks): U mag van
mij uitstekend controleren.
De heer DE WIT (Leefbaar Delft): U
hebt zelf toch ook al gezegd dat u niet gecharmeerd bent van wat wethouder
Baljé heeft gedaan?
De heer BOT (GroenLinks): Ja. Dat
kan ook zeker onderwerp van politiek debat zijn, maar de hele strekking van
mijn betoog van vanavond is dat u door de manier waarop u dat hebt gedaan, uit
was op het beschadigen van de man en niet op het ter discussie stellen van zijn
bestuursstijl.
De heer STOELINGA (Leefbaar Delft):
U moet daarbij wel meenemen dat de heer Baljé dit zelf heeft opgezocht. Hebt u
gezien hoe zelfgenoegzaam hij op de televisie verkondigde dat hij ervoor had
gezorgd dat Leefbaar Delft bewust buiten het college werd gehouden? Drieënhalf
jaar geleden is de heer Baljé dus al begonnen met een hetze. Hij begon zijn
eerste leugen al te maken met de heer Dijkstal. Iedere week stond dat in de
krant en hij herhaalde dat. Wie is hier dus mee gestart? Wie heeft deze onvrede
in deze stad veroorzaakt?
De VOORZITTER: Ik kan dit niet
volgen. Mijnheer Bot, gaat u verder.
De heer BOT (GroenLinks): Ik kan het
ook niet volgen.
De heer DE WIT (Leefbaar Delft): Ter
verduidelijking: dat was een fragment van TV West, waarin wethouder Baljé zei:
“Ik persoonlijk heb ervoor gezorgd dat Leefbaar Delft niet in het college kan
komen”.
De heer BOT (GroenLinks): Ik heb ook
wel eens verstandigere uitspraken van de heer Baljé gehoord.
Ik ga verder met dat Klein Duimpje,
dat het tegen de reus van de gemeente opneemt. Volgens ons is niets minder
waar. In feite is onze lokale democratie het kwetsbare Klein Duimpje, dat zich
voortdurend moet verdedigen tegen onwaarheden en onfrisse insinuaties. Leefbaar
Delft bedrijft helemaal geen nieuwe politiek, maar vernielpolitiek, gebaseerd
op rancune. Wij zeggen dan ook: tot hier en niet verder. Wij willen geen
maffia-achtige toestanden in Delft.
De heer DE WIT (Leefbaar Delft): De
heer Bot is nog van het monisme. Wij hebben nu drie jaar dualisme, maar
blijkbaar is hij er nog steeds niet aan gewend dat de wethouders buiten de raad
staan en dat wij hen, als waren zij managers, controleren op hun werk en op hun
gedrag. Dat is dualisme.
De heer BOT (GroenLinks): Van
controle door illegale cameraopnames heb ik nog nooit gehoord.
De VOORZITTER: Dat lijkt mij helder.
De heer MEULEMAN (Stadsbelangen):
Voorzitter. De fractie van Stadsbelangen is ontstemd over de aanleiding voor
deze extra raadsvergadering. Met hetzelfde ontstemde gevoel geven wij die
aanleiding als titel mee: “de laffe aanval op wethouder Baljé”. Is deze
raadsvergadering bedoeld om de boodschapper aan te pakken voor het brengen van
de boodschap? Is deze raadsvergadering bedoeld om ons medeleven te betuigen met
voormalig wethouder Baljé? Het antwoord op beide vragen is “nee”.
Waarom dan wel deze
raadsvergadering? De fractie van Stadsbelangen verafschuwt het feit dat in
delen van de wereld mensen zonder enige vorm van onderzoek, proces of wederhoor
bij voorbaat al worden veroordeeld. Daarom is het noodzakelijk dat de
gemeenteraad deze kwestie bespreekt. Wel had onze fractie het verstandiger
gevonden als het debat van vanavond gevoerd zou zijn direct na bekendmaking van
de uitkomsten van de onderzoeken van het Openbaar Ministerie. Die resultaten
hadden dan in de discussie meegenomen kunnen worden. Hebben wij dan nog steeds
niets geleerd van het verleden? Ik wijs hierbij nog maar eens op de situatie
van Erik O. Ook hij werd bij voorbaat tot op het bot afgebrand, maar werd later
vrijgesproken. Hoewel wij dachten het in onze democratie allemaal goed geregeld
te hebben, lijkt in deze kwestie nu eigenlijk hetzelfde te gebeuren. De wijze
waarop deze kwestie in de publiciteit is gebracht, is voor Stadsbelangen niet
acceptabel. Daarnaast is het een trieste constatering dat de media deze
informatie, zonder dat daar een degelijk onderzoek naar wordt verricht, zo
ongecontroleerd en zo onzorgvuldig de wereld in sturen, met als vermoedelijke
uitleg: “We registreren alleen maar wat we horen”. Ook de media dragen
verantwoordelijkheid voor de beeldvorming bij burgers. Ik zeg het niet gauw,
maar onze fractie heeft wat dat betreft waardering voor de Delftsche Courant,
die deze kwestie op terughoudende wijze in de publiciteit heeft gebracht,
helaas als enige. Het kan toch niet zo zijn dat wij de manier waarop deze
kwestie in de publiciteit is gebracht, normaal gaan vinden? Dat leidt tot
schade aan personen en in deze situatie ook aan ons stadsbestuur inclusief de
gemeenteraad en zeker ook aan onze stad. Bovendien zal dat niet leiden tot een
leefbare samenleving. Een belangrijk punt moet zijn dat iedereen verplicht is
om zich te houden aan de wet, zeker op het gebied van het beschermen en
waarborgen van ieders privacy. Ik herhaal: ieders privacy.
Onze fractie zal vanavond niet
ingaan op zaken die nog door het Openbaar Ministerie worden onderzocht. Dit
betekent dat onze fractie zich het recht voorbehoudt om op een later moment een
debat in de raad hierover aan te gaan. Vanavond zullen wij ingaan op drie
zaken: de bestuursstijl van de wethouder, het onderzoeksrapport en de vorm van
het in de publiciteit brengen van deze kwestie.
Los van alle commotie van de laatste
weken en hoe je ook mag denken over de manier waarop deze kwestie in de
publiciteit is gebracht, zijn de werkwijze van de voormalige wethouder én de
kwetsbaarheid van die werkwijze nadrukkelijk in beeld gebracht. Die werkwijze
past naar onze mening niet bij de publieke functie van een bestuurder.
Voormalig wethouder Baljé had zich dat moeten realiseren. Een bestuurder in een
publieke functie hoort zaken te doen op zijn of haar eigen werkterrein, in het
bijzijn van de betreffende ambtenaar. De wethouder had door een andere bestuursstijl
te kiezen de commotie rond zijn persoon dus kunnen voorkomen.
Wij hebben waardering voor de
adequate wijze waarop het college, mede op verzoek van voormalig wethouder
Baljé, een onderzoek heeft ingesteld binnen de ambtelijke organisatie.
Op basis van dit onderzoek is
gebleken dat er geen zaken aan het licht zijn gekomen die een intensiever
onderzoek rechtvaardigen. De fractie van Stadsbelangen is van mening dat het
onderzoek, hoewel snel opgepakt, zeer beperkt in omvang is geweest. Hierbij zij
opgemerkt dat de vermeende beschuldigingen aan het adres van de wethouder naar
aanleiding van de bandopname niet zijn meegenomen in dit onderzoek. Wij hebben
begrepen dat zij ook niet meegenomen konden worden. Hierover moet het Openbaar
Ministerie duidelijkheid geven, hoewel nog maar weinig van de oorspronkelijke
tape over blijkt te zijn, zoals wij de afgelopen week hebben begrepen.
De briefwisseling met de eigenaar
van het restaurant op 16 en 17 februari jl. komt onze fractie zeer merkwaardig
voor. Wij hebben begrepen dat de voorzitter daar uitleg over heeft gegeven bij
de technische vragenronde. Dat neemt niet weg dat een legitieme vraag zou
kunnen zijn of de wethouder al veel eerder was geconfronteerd met het feit dat
er een bandopname was en zo ja, of dat wellicht heeft geleid tot de
waarderingstoeslag. Dat is overigens een beladen woord in deze kwestie. De
fractie van Stadsbelangen hoopt dat dergelijke vragen door het Openbaar
Ministerie in het onderzoek worden meegenomen en onderzocht. Er mag over deze
kwestie geen onduidelijkheid blijven bestaan.
Het is een ernstige zaak dat binnen
de ambtelijke organisatie onvoldoende bekend is hoe moet worden omgegaan met
het verstrekken van geldelijke vergoedingen aan particulieren. Natuurlijk
kunnen er misverstanden zijn over interne regelgeving dan wel kennisgebrek,
maar het verschil tussen 2.272 euro, wat volgens de bevoegdheidsuitoefening
gemandateerd is, en 26.000 euro is wel heel groot. Vermoedelijk is niet
onderzocht of dergelijke subsidieverstrekkingen in het verleden vaker zijn
voorgekomen. De fractie van Stadsbelangen vraagt het college dan ook om hier
onderzoek naar te doen en de raad hierover te rapporteren. Daarnaast is het
zaak dat het college adequaat actie onderneemt om te starten met het opfrissen van
interne spelregels. Wij willen graag op korte termijn geďnformeerd worden over
de maatregelen die het college heeft genomen om dit in de toekomst te
voorkomen. Dat zouden wij straks graag van de voorzitter willen horen.
Voor het overige sluit onze fractie
zich aan bij de vragen die de heer Van Doeveren aan de fractie van Leefbaar
Delft heeft gesteld.
Mevrouw WIELENS (STIP): Voorzitter.
Delft is een unieke stad, historisch, technisch en toeristisch. We zijn over de
gehele wereld bekend om ons Delfts Blauw. Toch zouden we daar vandaag een
andere kleur aan toe moeten voegen, Delfts grauw. Het is verbijsterend wat zich
de afgelopen maand in Delft heeft afgespeeld. In enkele weken tijd is het
gelukt om iets in Delft kapot te maken, en niet zomaar iets, maar het leven van
een persoon, een wethouder. Het is beangstigend als je je realiseert dat dit
dus niet heel lastig is. Blijkbaar is een beschuldiging alleen al voldoende om
iemand publiekelijk aan de schandpaal te nagelen en om ervoor te zorgen dat hij
zich genoodzaakt ziet om afstand te doen van zijn functie. Die beschuldiging
hoeft niet eens te worden onderbouwd met feiten.
Nu is het natuurlijk zo dat een
raadslid niet alleen het recht, maar ook de morele plicht heeft om zaken aan te
kaarten die niet lijken te kloppen. Dat staat op dit moment ook niet ter
discussie. Wat wel ter discussie staat, is wat een raadslid of een ander
persoon vervolgens doet met de informatie die hij in handen heeft. Wat ik mij
dan ook afvraag is wat de beweegredenen van een persoon zijn om dit soort zaken
op deze manier aan het licht te brengen. Waarom is er gekozen voor dit
scenario, om de beschuldigingen als feiten neer te zetten? De plicht van een
volksvertegenwoordiger is per slot van rekening om te controleren en te
oordelen en niet om te veroordelen.
Dingen kapot maken is niet moeilijk.
Het is veel lastiger om dingen te construeren, op te bouwen. Om in het
technisch Delftse te blijven: het bouwen van een brug kan een jaar duren,
terwijl het slopen van dezelfde brug binnen een minuut kan. Hetzelfde geldt
voor de meeste relaties: het kost jaren om ze op te bouwen en het kan in een
oogwenk, door één opmerking, weg zijn. Ook geldt dit voor het besturen van een
stad en het maken en uitvoeren van beleid voor de mensen in de stad. Het is
niet altijd even makkelijk om goed en degelijk beleid te maken en om alle
burgers van de stad tevreden te houden. Het is daarentegen wel heel makkelijk
om je altijd tegen alles te verzetten en om te proberen om het beleid kapot te
maken. Dat is dan ook voor iedereen mogelijk.
Juist daarom is het een kwestie van
goed vertrouwen en inzicht dat wij, als raad, elkaar en de stad zo goed
mogelijk ondersteunen. Door het niet altijd met elkaar eens te zijn en te
discussiëren zouden we goed beleid moeten en kunnen creëren. In principe is dit
een elegant systeem, maar helaas is het ook makkelijk te saboteren, zoals elk
systeem dat op basis van vertrouwen werkt. Het enige wat je dan hoeft te doen,
is het vertrouwen schaden. Wat ik mij daarbij echter blijf afvragen is: hoe
wordt Delft hier beter van? Dit is toch niet de reden waarom wij in deze zaal
zitten?
Volgens een oud gezegde van
Montesquieu krijgt elke samenleving het bestuur waarvoor zij kiest en dus ook
dat zij verdient. Laten we hopen dat de stad Delft zich dit bij de volgende
verkiezingen terdege zal realiseren, wanneer zij wederom moet kiezen voor het
stadsbestuur. Laten we ook hopen dat er dan geen sprake meer zal zijn van
valselijke insinuaties, beledigingen, moddergooien en dergelijke andere zaken.
Hiermee komt de bestuurlijke kwaliteit van de raad en het college in het
geding. We moeten gezamenlijk juist tot een betere samenleving komen.
Incidenten zoals deze kunnen haast geen meerwaarde hebben voor die zelfde
samenleving. Laten we nu als Delftse raad weer bij zinnen komen, bedenken
waarvoor we gekozen zijn en wat onze plichten zijn en er hard aan gaan werken
zodat deze stad goed, zorgvuldig en constructief bestuurd kan worden.
De heer VAN DEN DOEL
(ChristenUnie/SGP): Voorzitter. Een extra raadsvergadering is uitgeschreven om
het uitgebrachte rapport met betrekking tot de financiële handel en wandel van
voormalig wethouder Baljé te bespreken, in het bijzonder de gegeven
waarderingsbijdrage c.q. subsidieaanvraag. Mijn fractie betreurt het dat de
heer Baljé heeft gekozen voor de aftocht. Het gemeentelijke rapport pleitte hem
vrij van de gedane beschuldigingen en het zou goed geweest zijn als de heer
Baljé in deze raadszaal verantwoording zou hebben afgelegd over het door hem
gevoerde beleid. De raadszaal is de enige plek waar dat kan plaatsvinden.
Helaas zijn we niet in staat om met hem deze zaak te bespreken.
Het rapport dat nu op tafel ligt en
de aanleiding daartoe staan nu ter bespreking. Het interne onderzoek van de
gemeente laat zien dat de interne bedrijfsvoering niet op orde was. In het
verleden gemaakte afspraken liepen niet door. De zogenaamde “5000
gulden”-regel, nu 2268,90 euro, was bij mij bekend, maar binnen de organisatie
jammer genoeg niet. Dat zal ertoe moeten leiden dat dergelijke zaken op orde
gebracht worden. Dan kunnen ambtenaren, al handelden zij met betrekking tot
deze zaak te goeder trouw, niet meer geconfronteerd worden met een dergelijke
affaire. Mijn fractie heeft er geen moeite mee dat een wethouder probeert om op
een creatieve manier een goed initiatief te ondersteunen. Het feit dat 26.000
euro zonder tussenkomst van het college uitgeven kan worden, baart mijn fractie
meer zorgen. Het is goed om de spelregels opnieuw met elkaar te bespreken en
vast te stellen.
Verder doet het feit zich voor dat
een wethouder in een ongemakkelijke positie verzeild is geraakt. Het gedrag dat
deze wethouder vertoonde, keurt mijn fractie af. Zaken doen doe je als
wethouder niet in een restaurant, maar op je kamer. Dat betekent nog niet dat
deze wethouder strafbare feiten heeft gepleegd. Het bewijs hieromtrent
ontbreekt tot op dit moment.
Verder constateert mijn fractie met
afgrijzen dat een politieke fractie, in deze raad functionerend,
beschuldigingen tegen een wethouder uit, zonder deze hard te maken. Dat is een
schande voor deze raad en voor deze stad. Als de fractie van Leefbaar Delft een
verdenking had tegen een wethouder, was er de mogelijkheid om in een extra
raadsvergadering de wethouder de maat te nemen.
De wethouder is dan in staat om van
repliek te dienen en een eventuele verdenking van commentaar te voorzien dan
wel te weerleggen of niet te kunnen weerleggen.
De heer DE WIT (Leefbaar Delft): Wij
hebben ervoor gekozen om aangifte te doen. Wij vonden de zaak dermate ernstig
dat zij geen politiek oordeel vergde. Het is dus niet de politiek die de
wethouder veroordeelde; wij vonden het daarvoor te ernstig.
De heer VAN DEN DOEL
(ChristenUnie/SGP): Het is jammer dat u die stap hebt gezet, want u zit op die
stoel om de wethouder te controleren. De wethouder de maat nemen doe je in deze
raadszaal en niet bij de officier van justitie. Dit was dus de beste plek
geweest om dat ten eerste male te doen. Dan had de wethouder ook de kans
gekregen om u van repliek te dienen. De methode om met een verdenking de pers
op te zoeken en daar aan te kloppen, is voor mijn fractie verwerpelijk. Helaas
is de Nederlandse pers veelal uit op sensatie en niet op “factfinding”. Dat is
een betreurenswaardige manier van nieuwsgaring.
Verder vindt mijn fractie de rol van
een CDA-lid twijfelachtig. De uitspraak wel geschokt te zijn en vervolgens
stilte, doet vermoeden …
De heer VAN DOEVEREN (CDA): Dat
sloeg met name op de bestuursstijl. Daar hebben meerdere fracties in dit
gremium al een kritische noot over geuit. Dat halen wij voortdurend door
elkaar. De bestuursstijl heeft natuurlijk met name politieke consequenties. De
zaak van mogelijke corruptie is onder de strafrechter. Die zaken moeten wij
helder scheiden.
De heer VUIJK (VVD): Betekent dit
dat de heer Van Tongeren jegens de wethouder geen verdenking over corruptie of
ambtsmisbruik koestert?
De heer VAN TONGEREN (CDA): Die
vraag kan ik alleen zelf beantwoorden. Dat doe ik in algemene zin. Datgene wat
ik op die band zag, kwam mij dermate ernstig voor dat ik uit eigen beweging
naar de politie ben gegaan. Vervolgens ben ik bij de rijksrecherche
terechtgekomen. Uit het belang van de zaak wil ik daar verder geen mededeling
over doen.
De heer VUIJK (VVD): Dan constateer
ik toch dat dit strijdt met de lezing van de fractievoorzitter van het CDA en
dat de heer Van den Doel kennelijk toch gelijk heeft.
De heer VAN DOEVEREN (CDA): Wilt u
aangeven waarom dat strijdt? Ik snap dat niet. Zoals ik al zei, haal ik daar
twee verschillende lijnen uit. Enerzijds is er de strafrechtelijke kant.
Daarover hebt u de heer Van Tongeren niets horen zeggen. Anderzijds hebben wij
hier te maken met de bestuursstijl, die politieke dimensies heeft. Licht u eens
toe waarom dat strijdt.
De heer VUIJK (VVD): Voor mij is dat
vrij helder. U suggereert dat de heer Van den Doel de zaak op één hoop veegt. U
maakt een onderscheid, maar ik hoor de heer Van Tongeren dat onderscheid
nadrukkelijk niet maken. Wij zijn met z’n allen vreselijk nieuwsgierig naar wat
de heer Van Tongeren heeft gezien. Daar doet hij geen enkele uitlating over. De
band is inmiddels gewist en hij maakt het onderscheid dat u maakt, nadrukkelijk
niet. Ik leid daaruit af dat de heer Van Tongeren iets anders bedoelt dan u.
De heer VAN DOEVEREN (CDA): Nee, u
kent nu aan de woorden van de heer Van Tongeren een waardeoordeel toe dat er
niet is. Het is heel simpel. Hij heeft bij de politie moeten toelichten wat hij
gezien heeft en in welk verband. Daarover is hij gehoord. Zijn verhaal zal een
element zijn en verder zal de officier van justitie zijn eigen afwegingen gaan
maken. U legt er dus veel meer in dan u eigenlijk kunt doen.
De heer VAN TONGEREN (CDA): Om het
risico weg te nemen dat anderen een interpretatie gaan geven aan wat ik gezien
of gezegd heb: ik heb het enige gedaan wat mij op dat moment het beste leek. Ik
heb het materiaal namelijk op de plek gelegd waar het volgens mij thuishoorde.
Ik kan geen oordeel vellen over de status die je daaraan moet geven. Het ligt
nu op de plaats waar het hoort. Ik vond het wel dermate choquerend dat ik vond
dat het daar thuishoorde. Bovendien heb je als Nederlander bij het vermoeden
van een strafbaar feit de plicht om naar de politie te gaan. Ook die afweging
heb ik gemaakt.
De heer VUIJK (VVD): Daarmee is de
zaak voor mij helder: de heer Van Tongeren bedoelt echt iets anders dan de
fractievoorzitter van het CDA en heeft kennelijk toch iets anders gezien dan
alleen de bestuursstijl van de wethouder.
De heer VAN DOEVEREN (CDA): Nee, ook
dit is weer een te snelle conclusie.
De VOORZITTER: Dit is de laatste
keer dat wij over dit punt spreken en dan gaat de heer Van den Doel verder.
De heer VAN DOEVEREN (CDA): Wij
maken ons in deze raad vaak schuldig aan de projectie dat wij meer horen dan
wat er feitelijk wordt bedoeld, waarna wij dat tot de eigen werkelijkheid
verheffen.
De VOORZITTER: Mijnheer Van den
Doel, gaat u verder.
De heer VAN DEN DOEL
(ChristenUnie/SGP): Ik was nog middenin een zin, maar dat geeft niet. Ik
constateer ten eerste dat de heer Van Tongeren een getuigenverklaring heeft
gelegd, bij de rijksrecherche is geweest en daar de band heeft overhandigd.
De heer VAN DOEVEREN (CDA): Nee, dat
is onjuist.
De heer VAN TONGEREN (CDA): Ik wil
alle misverstanden voorkomen en ik wil voorkomen dat andere mensen zeggen wat
ik wel en niet heb gezien. Het lijkt mij heel onverstandig om met z’n allen die
band te gaan reconstrueren. Ik heb helemaal niets overhandigd. Ik heb een
getuigenverklaring afgegeven die alle aspecten betreft, zowel qua inhoud als
setting. Het lijkt mij niet verstandig om met elkaar te gaan speculeren over de
inhoud en over wat ik wel en niet heb gezien. Er is maar één plek waar dat moet
gebeuren.
De heer VAN DOEVEREN (CDA): Voor
alle duidelijkheid: wij hebben de band niet. Die suggestie werd gedaan.
De heer VAN DEN DOEL (ChristenUnie/SGP):
Dan zal ik mijn zin toch maar afmaken, want ik denk dat mijn conclusie juist
is. Het CDA-lid heeft een getuigenverklaring afgelegd, maar hij en zijn fractie
hebben geen strafbare feiten geconstateerd, in tegenstelling tot de aangifte
vanuit de fractie van Leefbaar Delft. Dat is althans mijn conclusie, mijn
stellingname.
De heer STOELINGA (Leefbaar Delft):
U hebt toch ook de beelden gezien van RTL en van TV West? Daarop is het toch
duidelijk te zien? Als je de TV hard zet, hoor je precies wat er wordt gezegd.
Dat is niet het enige. Een ooggetuigenverslag van twee journalisten liegt er
ook niet om. Zij hebben de volledige band gezien. Ik denk dat die band aanwezig
is bij het Openbaar Ministerie, maar dat moeten jullie zelf daar maar vragen. U
vergaloppeert zich.
De heer VAN DEN DOEL
(ChristenUnie/SGP): In galop draaf ik lekker verder. Ik constateer dat de
aanpak die het CDA-lid gekozen heeft, een andere is dan de aangifte waarvoor de
fractie van Leefbaar Delft heeft gekozen. Dat is een constatering.
Mijn fractie heeft er geen bezwaar
tegen dat fracties in deze raad onderzoek doen, vragen stellen, discussies
voeren, rapporten schrijven, interpellaties houden, extra raadsvergaderingen
aanvragen en nog veel meer. Mijn fractie is echter niet gediend van
ongefundeerd op de man spelen en iemand beschadigen. Dat is een brug te ver en
hiermee heeft de fractie van Leefbaar Delft een onheus politiek spel gespeeld.
De gevolgen laten zich raden.
Mevrouw LOURENS (D66): Voorzitter.
Ik zal vanavond niet lang van stof zijn. Dat ben ik zelden, maar vanavond heeft
dat ook te maken met het feit dat ik diep bedroefd ben over wat zich de
afgelopen weken in Delft heeft afgespeeld. De tijd is helaas niet terug te
draaien. Mensen zijn beschadigd. Vanavond ligt er geen gebruikelijk
toekomstgericht voorstel ter besluitvorming voor. Wat ligt er dan? De
resultaten van een intern onderzoek, gestart nadat de fractie van Leefbaar
Delft ernstige beschuldigingen aan het adres van wethouder Baljé wijd verspreid
had in de media. De resultaten van het onderzoek vormen echter absoluut geen
aanleiding om een nader en intensiever onderzoek naar de geuite beschuldigingen
te starten.
Wij onderschrijven de conclusie van
het college dat bij ambtenaren kennis aanwezig dient te zijn over de actuele
spelregels met betrekking tot de verstrekking van gelden en dat het van belang
is dat die spelregels in de praktijk daadwerkelijk uitgevoerd worden. De
fracties van de SP, GroenLinks en de ChristenUnie/SGP hebben daaraan woorden
gewijd. Wat mij betreft, is er op dat punt werk aan de winkel.
Natuurlijk is het vanavond ook het
moment om terug te blikken op, zoals de PvdA-fractie heeft geschreven in haar
verzoek om deze vergadering, “de wijze waarop de kwestie is aangekaart”.
Terugblikken en reflecteren kan zeer waardevol zijn als de bereidheid er is om
te leren, om leermomenten te benoemen en om goede voornemens te stellen in de
vorm van: als er onverhoopt een volgende keer komt, zal ik het anders
aanpakken. Mijn diepbedroefde gevoel van vanavond komt mede voort uit mijn
voorgevoel dat één van de hoofdrolspelers of misschien wel dé hoofdrolspeler
van de afgelopen weken, namelijk de fractie van Leefbaar Delft, niet bereid en
ook niet in staat is om te leren. Dat maakt deze avond voor mij wrang. Heeft het
zin om naar aanleiding hiervan vanavond in een raadsvergadering bijeen te zijn?
Kan de raad vanavond besluiten nemen die een positief effect kunnen hebben? Die
vragen heb ik mij de afgelopen dagen regelmatig gesteld. De tweede vraag, de
vraag naar de effectiviteit van deze vergadering, kan ik nog steeds niet
positief beantwoorden. Ik vrees dat de boodschap die ik wil overbrengen, niet
in ontvangst zal worden genomen door degenen voor wie die boodschap bestemd is,
namelijk de fractie van Leefbaar Delft. De eerste vraag, de vraag of het zinvol
is om vanavond hierover te vergaderen, beantwoord ik wel volmondig met “ja”.
Voor mij is het belangrijk om in een raadsvergadering uit te spreken dat ik de
handelwijze van de fractie van Leefbaar Delft afkeur, dat Delftenaren,
ambtenaren, bestuurders en collega-raadsleden ervan op aan kunnen dat ik
mijzelf nimmer en nooit zal laten verleiden tot een dergelijke handelwijze en
dat ik deze handelwijze een antivoorbeeld vind van hoe politiek bedreven dient
te worden. Die handelwijze is natuurlijk minutieus te analyseren. Veel fracties
hebben daar al woorden aan gewijd. Ik wil daar niet uitgebreid op ingaan.
De volgende kreten zijn voor een
goede verstaander voldoende om te begrijpen welk gedrag ik afkeur: een illegaal
opgenomen videoband, de wijze waarop die in de media is gebracht, geen
gelegenheid biedend voor hoor en wederhoor, de media inslingerend, maar niet
onmiddellijk voorleggen aan de tot onderzoek bevoegde instanties, vermoedens
als feiten presenteren.
De heer TAEBI (SP): Voorzitter.
Staat u mij toe om naar aanleiding van een interruptiedebatje tussen u en de
heer Bot nog een feitelijke vraag toe te voegen aan mijn eerste termijn? Het
lijkt mij goed om die zaak al in de eerste termijn te verhelderen.
De VOORZITTER: Gaat uw gang.
De heer TAEBI (SP): Is het u, in het
gesprek dat in de laatste raadsvergadering tussen u en de heer Stoelinga heeft
plaatsgevonden, op enigerlei wijze duidelijk geweest dat het om een ernstige
zaak ging, namelijk om vermeende corruptie?
De VOORZITTER: Nee, dat was niet de
sfeer van het gesprek. Het was een kort gesprek, van tien seconden, waarin de
context van de zaak volstrekt niet duidelijk was.
Ik zal namens het college reageren
op de eerste termijn van de raad. Het college betreurt het buitengewoon dat een
wethouder heeft moeten aftreden. Laat dat duidelijk zijn. Wij nemen het zeer
hoog op dat dat op een bepaalde manier is gegaan, namelijk met een illegale
video-opname waarmee een ondernemer in deze stad heeft geprobeerd om iemand van
het openbaar bestuur te pressen en te dwingen tot beleidsbeďnvloeding. Ook wat
daarna is gebeurd in de publiciteit, is buitengewoon slecht voor de reputatie
van het college en van het gemeentebestuur en daarmee van de stad Delft. Ik
denk dat de vooringenomenheid van de fractie van Leefbaar Delft ongepast is
geweest en een slechte rol heeft gespeeld bij het tackelen van deze zaak. Dat
geldt voor de vooringenomenheid ten tijde van de publiciteit en voor de
vooringenomenheid die ik in de loop van het onderzoek op de website heb moeten
constateren. Ik denk dat dat ongepast en onjuist is geweest en dat dat niet in
het belang van deze stad is geweest.
Het is belangrijk dat wij zo snel
mogelijk proberen in het reine te komen met deze hele zaak. Het college heeft
daar hard aan gewerkt door onmiddellijk het interne onderzoek te starten. Ik
denk ook dat de medewerking van de raad daarbij nodig is. In the end zullen wij
kijken wat het justitiële onderzoek zal opleveren, maar wij moeten de dingen
doen die wij kunnen doen. Daarom zijn wij heel snel gestart met dat interne
onderzoek, mede – laat ik dat nogmaals heel uitdrukkelijk naar voren brengen –
op verzoek van de wethouder zelf. Dat onderzoek is uitgevoerd; u hebt het
resultaat ontvangen. Als ik de posities van de raadsfracties zie, meen ik te
weten dat de conclusies door verreweg de meeste fracties worden gedeeld. De
fractie van Leefbaar Delft doet dat niet; daar kom ik straks op terug. Dat
sterkt ons in het vertrouwen dat wij bezig zijn om met deze zaak in het reine
te komen.
De fractie van Leefbaar Delft heeft
met een aantal vragen en suggesties de onderbouwing van het rapport bestreden,
maar ik heb van de heer De Wit geen enkel feit en geen enkele reële suggestie
gehoord waardoor ik afstand zou moeten nemen van de zorgvuldigheid en juistheid
van de rapportage. De heer De Wit heeft een aantal punten aangekaart. Ik neem
afstand van de suggesties die hij daarbij heeft gedaan, want hij blijft niet
bij de tekst van het rapport en dat doe ik wel. In dat opzicht vind ik dat zijn
kritiek geen doel treft. Daarbij gaat het om de opmerkingen dat ambtenaren
ontvankelijk zijn voor druk van de wethouder en dat er sprake zou zijn van een
douceurtje van de wethouder.
Dat geldt ook voor de andere zaken
die de heer De Wit daarbij heeft betrokken. Ik neem daar afstand van. Dat wordt
op geen enkele wijze gestaafd. Dat rapport staat dus recht overeind.
De heer De Wit heeft in zijn betoog
gezegd dat er een breder intern onderzoek zou moeten zijn naar alle
transacties, omdat de wethouder dat zou hebben gezegd. Ik meen ook te weten dat
hij dat heeft gezegd, maar het college heeft, toen wij de onderzoeksvragen
hebben geformuleerd, dat aspect heel snel meegenomen bij de tweede
onderzoeksvraag: is er sprake van corruptie van de wethouder en gaan wij dat
na? Ik denk dat ook de tweede onderzoeksvraag afdoende is onderzocht en een
afdoende conclusie heeft opgeleverd die door de meerderheid, vrijwel alle
fracties in de raad, wordt gedeeld. Het college heeft dus geen behoefte om over
te gaan tot een breder intern onderzoek. Er zijn geen aanwijzingen gebleken …
De heer DE WIT (Leefbaar Delft): U
haalt nu twee dingen door elkaar. Wij hebben gepleit voor een onderzoek naar
alle financiële transacties van de wethouder in alle vakgebieden die in zijn
portefeuille zaten. U zegt nu dat de tweede onderzoeksvraag betrekking had op
corruptie en op de vraag of dat bij ambtenaren bekend was. Dat is in het
circuit, maar niet daarbuiten. Daar hebt u geen onderzoek naar gedaan. Wij
verzoeken u dus om intern verder te zoeken. U geeft geen argument waarom u dat
niet hebt gedaan.
De VOORZITTER: Ik zie daar geen
aanleiding voor, omdat ik denk dat het onderzoek zorgvuldig is geweest. Ik zeg
erbij dat ook is gekeken naar de periodieke accountantscontroles en zaken die
daarbij een rol spelen. Ook is er geen gebruik gemaakt van de
klokkenluidersregeling. Ook in dat opzicht is er dus geen aanwijzing dat er
aanleiding zou zijn om dit breder te trekken. Dat wil ik hier met nadruk gezegd
hebben.
Nu kom ik bij de tweede conclusie
van het rapport. Dat betreft het punt dat de behandelend ambtenaar ten onrechte
een mandaatsituatie heeft gebruikt. Dat was te goeder trouw, want de ambtenaar
dacht echt dat er gebruik mocht worden gemaakt van dat mandaat. Bij dit
onderzoek is gebleken dat dit een onjuiste veronderstelling was en dat er een
besluit door het college had moeten worden genomen over deze zaak. Het college
heeft direct actie ondernomen. Enkele fracties hebben indringend gevraagd hoe
het college daar tegenover staat en wat het daaraan doet. Wij hebben de
afdeling daar onmiddellijk op aangesproken. Ook de bewustwording is heel sterk
gevorderd, omdat alleen al dit onderzoek en het publiceren daarvan een
belangrijk leereffect hebben gehad op die afdeling. Er is enkele dagen daarna
voor deze afdeling onmiddellijk een opfriscursus op dit subsidieterrein
georganiseerd bij de afdeling Juridische Zaken. Daarnaast worden ook de
managementteams van alle andere afdelingen bevraagd en zal worden nagegaan of
ook in de andere organisatieonderdelen een opfriscursus nodig is. Wij hebben de
organisatie dus zeer direct en adequaat hierop aangesproken. Zaken worden op
dit moment onderzocht en uitgezocht. Daarnaast denk ik dat er nog een derde
stap kan worden gezet in het kader van de borging door middel van maatregelen
van interne controle. U weet allen dat de rechtmatigheidstoetsen steviger en
strenger worden. Ook naar aanleiding van deze zaak vinden wij het geraden om
een aantal eisen van rechtmatigheid ook toe te passen op de organisatie. Dat
kan dus betekenen dat er nog een scherpere functiescheiding komt tussen de
intake van een subsidievergunning en de subsidieverlening, dat de mandatering
wordt aangepast en dat er meer geregelde procesaudits komen. Ook die zaken
worden op dit moment opgepakt en bekeken in het kader van de strenge
rechtmatigheidscontrole. Ik denk dat het college op die manier adequaat heeft
gereageerd.
Een ander aspect betreft het
fenomeen van de waarderingsbijdrage. Die vindt inderdaad geen grondslag in de
gemeentelijke subsidieverordening, maar toch wordt de waarderingsbijdrage
gebruikt. Zij is ook in het verleden gebruikt. Als ik een voorbeeld mag
aanhalen: een eventuele bijdrage aan het Vermeercentrum zou op die titel gaan.
Zo vreemd is dat dus niet. Het is een algemeen financieel instrument, waarbij
het college een initiatief dat in lijn is met het gemeentelijke beleid,
financieel kan steunen. Daar is dus wel een expliciet besluit van het college
voor nodig. Dat kan niet via het mandaat van een ambtenaar. Daar zit de menselijke
vergissing die is gemaakt door de ambtenaar. Dat is helder. Dat moet dus anders
worden geregeld. Ik stel mij voor dat wij in de commissie Middelen en Bestuur
een toelichting geven op het instrument van de waarderingsbijdrage: hoe zit dat
juridisch en financieel-technisch precies in elkaar? De heer Bot heeft de
suggestie gedaan om daar wat meer structuur in aan te brengen: voor een aantal
beleidsterreinen hebben wij wel een redelijk stevige juridische structuur en
verantwoordingslijn, maar die hebben wij niet zozeer in de sector EZ en
stadsmarketing. Ik vind dat een goede suggestie en wil die meenemen en
bespreken in de commissie Middelen en Bestuur, zodat voor iedereen helder is
hoe die zaken werken. Ik sluit bepaald niet uit dat dit leidt tot verdere
kaderstelling en regelgeving en een verantwoordingslijn, zodat wij die zaken op
die manier tackelen.
Ik denk dat ik de raad hiermee
voldoende van repliek heb gediend. Wij kunnen nu dus beginnen met de tweede
termijn.
De heer MEULEMAN (Stadsbelangen):
Voorzitter. Onze fractie heeft behoefte aan een schorsing.
De heer VAN DOEVEREN (CDA):
Voorzitter. Ik steun dat verzoek.
De vergadering wordt van 21.35 uur
tot 21.50 uur geschorst.
Mevrouw STOLKER (PvdA): Voorzitter.
U hebt de suggestie gedaan om een en ander te bespreken in de commissie
Middelen en Bestuur. Die suggestie omarmen wij van harte. Wij constateren dat
de fractie van Leefbaar Delft vindt dat zij over iedereen via de media iets mag
vinden en dat wij, de PvdA-fractie, zelfs in een raadsdebat niet zouden mogen
zeggen wat wij vinden.
De heer STOELINGA (Leefbaar Delft):
U moet wel de waarheid spreken. Ik heb afgelopen week videobeelden gezien van
de heer De Prez en wat hij daarop zegt, is onwaarheid. Waarom begint u dan nu
zo? Wat wilt u daarmee zeggen als u zelf niet de waarheid kan spreken?
Mevrouw STOLKER (PvdA): De heer De
Prez heeft op TV gesproken over feiten. Het lijkt mij dus heel eenvoudig: dat
is gewoon de waarheid.
De heer STOELINGA (Leefbaar Delft):
Hij zei dat er zaken waren neergelegd. Kom nou toch! Dat zijn toch niet de
feiten?
Mevrouw STOLKER (PvdA): Wilt u nu
daadwerkelijk weer een debat voeren over het feit dat de drugsspuiten die
destijds bij de skatebaan waren gevonden, nooit gebruikt waren, terwijl u dat
wel had gezegd? Wilt u ook weer praten over de bedreigingen die via de telefoon
aan u zouden zijn geuit, terwijl wij nu van de arrondissementsrechtbank in Den
Haag een brief hebben gekregen waarin staat dat u op dat tijdstip niet bent
gebeld? Ik vraag mij af of u nog wel gelooft in ons rechtssysteem en in
uitspraken die door een rechter zijn gedaan.
De heer STOELINGA (Leefbaar Delft):
U kletst dus inderdaad weer uit hetzelfde nekje. Ik heb afgelopen week een
brief gestuurd naar de heer Verkerk, waarin ik heb verzocht om de aantijgingen
ten aanzien van de bedreigingen te verkrijgen. Het is natuurlijk geen
telefoontje geweest op 3 november van twaalf uur tot één uur. In dat uurtje is
de telefoon niet gegaan. Wij hebben acht lijnen en er zijn drie lijnen
gecontroleerd. Ik heb bij Haaglanden en bij de officier van justitie verzocht
om inzage in het volledige dossier. Dat komt ook boven water, net zoals dit
dossier ook niet klopt.
De VOORZITTER: Ik denk dat de
rapportage van het OM voor zichzelf spreekt. Ik denk dat de hele raad er zo
over denkt.
Mevrouw STOLKER (PvdA): Wij
constateren ook dat alle fracties, behalve die van Leefbaar Delft, de
handelwijze van de fractie van Leefbaar Delft ten sterkste afkeuren. Daarom
dienen wij een motie in.
De VOORZITTER: Door de fracties van
de PvdA, het CDA, de VVD, GroenLinks, STIP, Stadsbelangen, de SP, de
ChristenUnie/SGP en D66 wordt de volgende motie (M-2) ingediend:
"De gemeenteraad van Delft, in
vergadering bijeen op dinsdag 24 mei 2005,
constaterende dat
spreekt als zijn mening uit dat
en gaat over tot de orde van de
dag."
De heer TAEBI (SP): Voorzitter. Ik
dank u voor uw antwoorden. Helaas zijn niet al mijn vragen over het ambtelijke
apparaat, de daar aanwezige kennis en vooral eventuele fouten die in het verleden
zouden zijn gemaakt, beantwoord. Net als mevrouw Stolker ga ik echter in op uw
toezegging om dit later in de commissievergadering te bespreken. Voor de rest
ben ik blij dat de gemeente adequaat heeft gehandeld door direct
opfriscursussen te starten, maar de vraag rijst dan meteen: vanwaar de behoefte
daaraan? Maar goed, laten wij die discussie in de commissie gaan voeren.
De heer VUIJK (VVD): Voorzitter. Met
de rapportage van het college heeft de VVD-fractie in de eerste termijn reeds
ingestemd, maar er zijn nog een paar andere zaken die wij graag aan de orde
willen stellen. Over de bestuurlijke stijl van fracties in de raad kan het
volgende gezegd worden. Als raad hebben wij in 2003 op grond van de Gemeentewet
nadrukkelijk met elkaar vastgesteld dat raadsleden zich onthouden van
beledigingen, laster en leugens. Raadsleden tasten de persoonlijke integriteit
van leden van het college, de raad en de ambtelijke organisatie niet onbewezen
aan. Raadsleden dragen er zorg voor dat de toonzetting van de beweringen niet
geschiedt in persoonlijk grievende bewoordingen. Naderhand onjuist gebleken
beweringen worden door het betrokken raadslid publiekelijk gerectificeerd. De
VVD-fractie constateert dat deze afspraken, vastgelegd in een raadsbesluit,
door Leefbaar Delft herhaaldelijk niet worden nagekomen. De VVD-fractie keurt
dat ten sterkste af.
De VVD-fractie constateert
vervolgens dat deze onwetmatige en onrechtmatige bestuurlijke stijl van
Leefbaar Delft aanzienlijke financiële schade voor de gemeente tot gevolg heeft.
De VVD-fractie dringt er dan ook op aan dat de fractie van Leefbaar Delft
afstand neemt van deze bestuurlijke stijl en vraagt Leefbaar Delft de
financiële schade zelf te dragen, zodat niet de burgers van Delft voor deze
strop opdraaien.
De heer DE WIT (Leefbaar Delft):
Welke financiële schade bedoelt u?
De heer VUIJK (VVD): Doordat
Leefbaar Delft onzorgvuldig en zonder enig doel heeft gehandeld, is een
wethouder op deze wijze beschadigd en is een wachtgeldverplichting ontstaan van
enkele tonnen. Die tonnen moeten nu door de burgers van Delft worden
opgebracht.
De heer DE WIT (Leefbaar Delft):
Wethouder Baljé heeft toch zelf ontslag genomen? Wij hebben hier in de raad
toch nooit gezegd dat hij moest opstappen?
De heer VUIJK (VVD): De wethouder
heeft zelf aangegeven dat hij ontslag heeft genomen en dat een
wachtgeldverplichting is ontstaan omdat anderen, in dit geval Leefbaar Delft,
hem het werken onmogelijk hebben gemaakt.
De heer DE WIT (Leefbaar Delft): De
laatste twee weken? Dat gelooft u toch zeker zelf niet?
De heer VUIJK (VVD): Het zijn
slechts de feiten.
De VVD-fractie dringt er bij het
college op aan om bij het Openbaar Ministerie te bevorderen dat de
strafrechtelijke aangiften die in deze kwestie zijn gedaan, vanwege de grote
persoonlijke en maatschappelijke impact met de grootst mogelijke prioriteit
worden behandeld.
De heer VAN DOEVEREN (CDA):
Voorzitter. Ik heb in eerste termijn al gezegd dat naar ons idee de politieke
dimensies en de strafrechtelijke dimensies voortdurend door elkaar lopen. Wij
willen die nadrukkelijk scheiden. Ik sluit mij aan bij de vraag van de heer
Meuleman in eerste termijn of u gaat onderzoeken of ook andere subsidies buiten
de gebruikelijke kaders zijn verstrekt. Wij hebben daarop nog geen duidelijk
antwoord vernomen. Misschien moet u dat maar in de vorm van een toezegging
verwoorden. In hoeverre zijn er dus nog meer zogenaamde waarderingssubsidies
verstrekt?
De heer MEULEMAN (Stadsbelangen):
Maar dan niet alleen in het kader van wethouder Baljé.
De heer VAN DOEVEREN (CDA): U hebt
mij nadrukkelijk horen zeggen dat ik dit in brede zin bedoel. Daar vragen wij
nadrukkelijk om. Voor de rest zal ik onze standpunten, waar nodig, bij de
stemverklaring geven.
De heer DE WIT (Leefbaar Delft):
Voorzitter. Ik heb de motie nog niet. Ik weet niet wat daarin staat.
De VOORZITTER: De motie wordt nu
rondgedeeld.
De heer DE WIT (Leefbaar Delft): Ja,
maar ik kan vanaf hier niet zien wat daarin staat.
De VOORZITTER: Wethouder Grashoff
zal zijn eigen exemplaar aan u geven.
De heer DE WIT (Leefbaar Delft): Ik
verzoek u om een schorsing, zodat wij kunnen bekijken of deze motie überhaupt
ingediend kan worden. Daarover wil ik ook overleg hebben met de griffier.
De vergadering wordt van 22.00 uur
tot 22.08 uur geschorst.
De heer DE WIT (Leefbaar Delft):
Voorzitter. Het “ons kent ons”-tijdperk is ten einde. Leefbaar Delft houdt
zaken niet binnenskamers. Dat doen wij niet. Dat doen wij nu niet en dat zullen
wij in de toekomst niet doen. Wat dat betreft, is de oproep van de hier zittende
gevestigde orde vergeefs. In de poll op onze website zien wij dat wij op twaalf
zetels staan en wij zijn nog steeds groeiende. Niet u, de rest van de raad,
rekent ons af; de kiezer rekent ons af. U hoeft zich geen oordeel over ons aan
te matigen; de kiezer zal dat doen. Het gelijk zal dus op 6 maart komen. Als u
zo doorgaat, zal dat voor u misschien wederom een shock zijn. Dan zult u
waarschijnlijk weer met hetzelfde verhaal komen: “Leefbaar Delft zoekt de
media”. U doet dat ook; u kunt van ons leren. Dat is goed voor de lokale
democratie. Daar leeft de democratie van op in plaats van alles in
achterkamertjes te houden. Met andere woorden: wij gaan verder niet in op al
die vragen. Voor ons is duidelijk waarvoor wij staan en wij hebben ook
duidelijke antwoorden gegeven, maar u wilt ze maar niet horen. U blijft steeds
hetzelfde zeggen en u luistert niet naar ons. Wij hebben adequaat en snel
gereageerd en wij hebben op het juiste niveau dingen aangekaart. Wij verwerpen
alle kritiek op onze handelwijze.
De heer BOT (GroenLinks):
Voorzitter. Dat is in ieder geval een duidelijk antwoord. Ik ben blij met uw
toezegging over de discussie in de commissie Middelen en Bestuur over de
waarderingsbijdrage en de subsidie. Die discussie zullen wij dan met z’n allen
op een goede manier moeten voeren. Ik sluit mij verder aan bij datgene wat
mevrouw Stolker en de heer Vuijk hebben gezegd, ook over de kosten die dit voor
de gemeente met zich meebrengt.
Onze fractie zal motie M-1 van de
fractie van Leefbaar Delft niet steunen. U hebt daar zelf een aantal argumenten
voor aangegeven. Er is geen enkele aanleiding voor dat verdere onderzoek. In de
bijdrage van de heer De Wit in eerste termijn viel ons erg op dat hij inderdaad
voortdurend zijn toevlucht neemt tot suggestieve formuleringen. Dat zijn
eigenlijk zijn enige argumenten. “Het is niet normaal wat de ambtenaar gedaan
heeft”, “Wij geloven het niet”, “Het is niet nodig”, “Wij hebben het vermoeden
dat Baljé zich toen al in een benarde positie bevond”. Het zijn allemaal
suggestieve formuleringen en dat zijn de enige argumenten die de heer De Wit
heeft aangevoerd. Dat wil ik graag constateren.
Nog even over de data van het in de
publiciteit brengen en de aangifte. Ik heb geprobeerd om het nog even te
reconstrueren. Volgens mij heeft de heer Stoelinga op 28 april de band gezien
en heeft hij uiteindelijk op 10 mei aangifte gedaan. Op 9 mei was hier in het
stadhuis een fractievoorzittersoverleg, waarin mevrouw Stolker hem heeft
gevraagd: “Hebt u dan nog geen aangifte gedaan?” Toen zei de heer Stoelinga:
“Nee, dat ga ik morgen doen.” Dat heeft hij daarna ook op zijn website gezet.
Er zitten dus twee weken tussen.
De heer STOELINGA (Leefbaar Delft):
Ik wil het nog één keer proberen uit te leggen aan de slechthorende heer Bot.
Voor een aangifte konden wij op advies van de heer Hooimeijer, de rechercheur
van de gemeente Delft, niet plotseling komen. Wij zouden uitgenodigd worden
door het Openbaar Ministerie op de data 9, 10 en 11 mei. Op 9 mei ben ik ’s
middags geweest, samen met de heer Daga. De volgende dag is de heer Van
Tongeren geweest en de dag daarna Jan Peter de Wit. Wij hebben het gemeld aan
de recherche op 29 april. Waar praat je nou dan over?
De heer BOT (GroenLinks): Dan heb ik
dus een heel goed argument. Als u wist dat u daar pas op 9 mei terecht kon, had
u in de tussentijd uw mond moeten houden. U had er pas mee naar buiten moeten
komen nadat u aangifte had gedaan. In de week tussen de eerste publicatie op de
website op 2 mei en het daadwerkelijke bezoek hebben al uw oprispingen in de
publiciteit hun vernietigende werk richting wethouder Baljé gedaan. Dat
constateer ik en dat was mijn tweede termijn.
De heer MEULEMAN (Stadsbelangen):
Voorzitter. Ik kom eerst terug op onze eerste termijn, waarin ik u heb gevraagd
of het college kan onderzoeken of in de afgelopen jaren mogelijk nog meer
subsidies in de vorm van een waarderingstoeslag zijn verstrekt. Ik heb u
daarbij gevraagd of u de raad daarover wilt rapporteren. Daar heb ik nog geen
antwoord op gekregen.
Aan het begin van onze eerste
termijn heeft de fractie van Stadsbelangen al aangegeven dat wij niet kiezen
voor een samenleving waarin mensen zonder enige vorm van privacy worden
beschadigd en veroordeeld zonder dat beschuldigingen zijn bewezen of zonder dat
de rechter hierover een oordeel heeft uitgesproken. Zo doen wij dat niet in
Nederland. In eerste termijn is gebleken dat de fractie van Leefbaar Delft op
28 april op kennelijk summiere wijze heeft geprobeerd om u, voorzitter, te
informeren over het feit dat er een band zou zijn. Kennelijk had dat op u
weinig effect. Wellicht had de fractie van Leefbaar Delft moeten aandringen op
een afspraak met u om u de ernst van de situatie duidelijk te maken. Dat heeft
die fractie niet gedaan.
De heer STOELINGA (Leefbaar Delft):
De heer Daga is bij u, voorzitter, geweest, zoals u zelf kunt beamen. U had de
ernst hiervan dus kunnen inzien. Op dat moment had u dus alert kunnen reageren.
Daarmee haak ik aan bij wat de heer Meuleman nu zegt.
De VOORZITTER: U zet de zaak in een
heel aparte context die ik absoluut niet deel.
De heer MEULEMAN (Stadsbelangen):
Onze fractie is van mening dat de fractie van Leefbaar Delft had kunnen weten
dat de wijze waarop zij is omgegaan met deze belastende informatie en waarop
zij die in de publiciteit heeft gebracht, grote schade tot gevolg zou hebben
voor de persoon van voormalig wethouder Baljé en voor onze stad. Laat ik
duidelijk zijn: dit houdt absoluut niet in dat belastende informatie verzwegen
moet worden.
Integendeel, belastende informatie
behoort aan de kaak te worden gesteld, maar wel binnen de mogelijkheden die
daarvoor aangewezen zijn. Dan hadden onderzoeken in alle rust kunnen
plaatsvinden en had bij voorbaat wellicht onnodig leed van de heer Baljé en van
onze stad voorkomen kunnen worden.
De motie van de fractie van Leefbaar
Delft kunnen wij op dit moment niet steunen. Wanneer er straks een uitslag is
van het onderzoek van het Openbaar Ministerie, is wellicht een andere situatie
aan de orde, maar op dit moment zien wij geen aanleiding voor het door de
fractie van Leefbaar Delft gevraagde diepgaande onderzoek. Wij zullen die motie
dus niet steunen.
Tot slot: onze fractie kan niet
anders dan de wijze waarop Leefbaar Delft met deze kwestie is omgegaan,
afkeuren. Dat is ook de reden waarom wij motie M-2 mede hebben ondertekend.
Mevrouw WIELENS (STIP): Voorzitter.
Ik ben in eerste termijn vrij duidelijk geweest over deze kwestie. Toch zijn er
nog een aantal punten. Ten eerste wil ik de burgemeester bedanken voor zijn
toezeggingen ten aanzien van het ambtelijke apparaat en de tweede conclusie van
het rapport. Het lijkt mij interessant om in de commissie Middelen en Bestuur
over de waarderingssubsidies te spreken.
De heer De Wit heeft in tweede
termijn duidelijk gemaakt waarvoor Leefbaar Delft staat. In eerste termijn
heeft hij zelf aangegeven dat Leefbaar Delft rotzooi kwam trappen in dit
porseleinen huis. Dat vind ik een angstaanjagende, nare en heel vervelende
uitspraak, want dit betekent dat Leefbaar Delft inderdaad alleen maar bestaat
om dingen en het beleid kapot te maken, terwijl een constructieve bijdrage van
Leefbaar Delft een verlichting zou zijn voor deze raad. De door heel veel
fracties gesteunde motie van de PvdA-fractie hebben wij om die reden ook
gesteund.
Niet alleen als raad, maar ook als
fractie en als raadsleden moeten wij van fouten en onhandigheden leren. STIP
hoopt dus dat de Delftse grauwe lucht snel zal opklaren.
De heer VAN DEN DOEL
(ChristenUnie/SGP): Voorzitter. Een droeve avond is bijna ten einde. Ik bedank
de voorzitter van de raad voor het antwoord met betrekking tot het rapport en
voor de inzet die wij straks kunnen plegen om in de commissie Middelen en
Bestuur over de waarderingsbijdrage te discussiëren. Ik ben helder geweest in
mijn visie op het rapport. Ik ben ook helder geweest over het gedrag van
voormalig wethouder Baljé en over de wijze waarop de fractie van Leefbaar Delft
deze zaak heeft aangepakt. Gelet op de antwoorden van de voorzitter, zal ik
motie M-1 niet steunen. Motie M-2 spreekt voor mij boekdelen.
Mevrouw LOURENS (D66): Voorzitter.
Als laatste in de rij is het vaak alleen maar een herhaling van zetten. Ik zal
dus kort zijn. Ik heb de door mevrouw Wielens aangehaalde uitspraak ook
gehoord: de fractie van Leefbaar Delft heeft feitelijk gezegd dat zij hier zit
met de intentie om zaken kapot te maken. Ik heb de heer De Wit ook horen zeggen
dat de fractie van Leefbaar Delft de enige fractie is die het goed doet. Die
vooringenomenheid bevestigt alleen maar het voorgevoel dat ik in eerste termijn
heb uitgesproken.
De heer STOELINGA (Leefbaar Delft):
Natuurlijk begrijp ik best dat deze raad ons graag zou willen veroordelen, maar
laten wij nou eerlijk zijn: voor 28 april is de heer Baljé acht keer gevraagd
om de band te bekijken, om alles mee te nemen en om zijn excuus aan te bieden
voor de toezeggingen. Laten wij het nou niet omdraaien. Laten wij nou eens
kijken bij wie de schuld ligt. Die persoon moet je aanpakken. Ik vraag de
voorzitter dringend om te vragen of het waar is dat de heer Baljé acht keer is
gebeld. Ik denk van wel.
De VOORZITTER: Mevrouw Lourens, gaat
u verder.
Mevrouw LOURENS: Ik beschouw dit
niet echt als een interruptie, behalve de eerste zin, namelijk dat de raad hier
zou zitten om te veroordelen. Ik ben hier niet om te veroordelen, maar om mijn
afkeuring uit te spreken over het gedrag van de fractie van Leefbaar Delft. Ik
sluit mij aan bij de opmerking van de heer Bot dat Leefbaar Delft in de tijd na
de melding en gedurende de gesloten deur bij de politie om aangifte te doen –
de deur zou pas om 10.00 uur zijn opengegaan – dit gewoon voor zich had moeten
houden en niet de media in had moeten slingeren.
Tot slot nog een opmerking richting
de heer De Wit: volgens mij zijn de gemeenteraadsverkiezingen op 8 maart.
De VOORZITTER: De raad heeft in
tweede termijn zijn zegje gedaan. Het college wil één minuut schorsen om één
ding intern te bespreken.
De vergadering wordt van 22.22 uur
tot 22.23 uur geschorst.
De VOORZITTER: Ik dank de raad voor
de verdere beschouwingen die in tweede termijn zijn gegeven. Ik moet nog ingaan
op een of twee dingen. De heer Vuijk heeft gevraagd of ik wil aangeven dat
Delft belang heeft bij een snelle afronding van het strafrechtelijk onderzoek.
Ik heb dat al gedaan en ik zal dat blijven doen. Juridische molens moeten nu
eenmaal hun loop hebben, maar ik zal dat dus blijven doen.
De heren Meuleman en Van Doeveren
hebben gevraagd of wij bij de technische bespreking in de commissie de
waarderingsbijdrage in den brede zouden kunnen meenemen. Ik denk dat wij dat
moeten doen. Dan zullen wij in de commissie bekijken waartoe dat verder leidt.
In de commissievergadering kan het college in de technische toelichting de
waarderingsbijdrage dus in den brede beschouwen. Dan zullen wij bekijken waar
wij samen op uitkomen.
De heer MEULEMAN (Stadsbelangen):
Mag ik dat zo vertalen dat u naar de commissie komt met een verslag van een
onderzoek naar deze zaken en van de uitkomsten daarvan?
De VOORZITTER: Ik weet niet of het
exact in die vorm zal gaan, maar ik vind dat wij daarover moeten spreken. Het
college is bereid om dat te doen.
De heer VAN DOEVEREN (CDA): Betekent
dit dat wij in feite een stukje rapportage krijgen over welke van deze
bijdragen in het verleden zijn gegeven?
De VOORZITTER: Ik zou mij kunnen
voorstellen dat wij dat in die vorm doen. Laat ons daar even op puzzelen. De
commissie is mans genoeg om ons bij de les te houden als zij vindt dat het
onvoldoende is voorbereid. Ik stel dus voor dat wij de waarderingsbijdrage dan
in den brede behandelen en alsdan bekijken hoe wij daarmee omgaan.
De heer MEULEMAN (Stadsbelangen):
Daar neem ik voor dit moment genoegen mee, maar ik behoud mij het recht voor om
alsnog een verzoek aan het college te doen als die informatie in onze ogen
onvoldoende is.
De VOORZITTER: Dat begrijpen we.
Verder biedt de tweede termijn van
de raad geen aanknopingspunten voor verdere reacties.
De heer VAN DOEVEREN (CDA):
Voorzitter. Ik verzoek u om een korte schorsing, want ik worstel nog even met
een paar stemverklaringen.
De vergadering wordt van 22.27 uur
tot 22.34 uur geschorst.
In stemming komt motie M-1.
De VOORZITTER: Ik geef gelegenheid
voor het afleggen van stemverklaringen.
De heer VAN DOEVEREN (CDA):
Voorzitter. Wij kunnen ons behoorlijk vinden in een groot deel van de strekking
van deze motie, doch wij zijn het met de heer Meuleman eens dat deze motie te
vroeg komt. Ook wij behouden ons nadrukkelijk het recht voor om met een verhaal
van soortgelijke strekking terug te komen als het strafrechtelijk onderzoek
anders uitwijst; daar gaan wij overigens niet van uit. In deze fase zullen wij
de motie dus niet steunen.
De heer TAEBI (SP): Voorzitter. Ook
wij kunnen de strekking van de motie deels volgen, maar wij zullen de motie op
dit moment niet steunen, omdat wij niet vooruit willen lopen op zaken. Ook niet
onbelangrijk is dat het besluit, zoals dat geformuleerd is, nogal suggestief
is. Het lijkt ons erg overdreven om alle financiële transacties van de
wethouder te onderzoeken. Niet elke uitgave bij de kantine hoeft van ons
onderzocht te worden. Wij wachten het OM-onderzoek af. Als het daarna nodig is,
zullen wij uiteraard niet schromen om extra onderzoek in te stellen.
Motie M-1 wordt bij handopsteken
verworpen.
De VOORZITTER: Ik constateer dat de
fractie van Leefbaar Delft voor deze motie heeft gestemd.
In stemming komt motie M-2.
De heer BOT (GroenLinks):
Voorzitter. Ik wil graag hoofdelijke stemming over deze motie.
De heer DE WIT (Leefbaar Delft):
Voorzitter. Ik heb een punt van orde. Omdat deze motie over onze fractie, over
onszelf, gaat, verzoek ik u om ons de gelegenheid te geven om niet aanwezig te
zijn bij de stemming. Wij vinden het immers te gek om over onszelf te stemmen.
De VOORZITTER: Het Reglement van
Orde verzet zich daartegen. Ieder raadslid dat in de zaal is, moet meestemmen.
Wij gaan hoofdelijk stemmen. Wilt u een stemverklaring afgeven?
De heer DE WIT (Leefbaar Delft):
Nee, wij verlaten nu de zaal. Ik heb net gezegd waarom.
De VOORZITTER: Daar neem ik dan kennis van. Deze fractie
markeert haar positie. Is er nog steeds behoefte aan hoofdelijke stemming?
De heer BOT (GroenLinks): Nee.
De VOORZITTER: Ik geef gelegenheid voor het afleggen van
stemverklaringen.
De heer VAN DOEVEREN (CDA): Voorzitter. In onze fractie
leeft duidelijk het gevoel dat er toch ook wel iets aan de hand is binnen het
bestuur. Dat is in het debat van vanavond op een aantal fronten aan de orde
gekomen. Dat neemt niet weg dat wij, puur naar de vorm gekeken, vinden dat ten
aanzien van wethouder Baljé wellicht op een andere manier geopereerd had kunnen
worden. Vandaar dat wij deze motie toch onderschrijven.
De heer VAN DEN DOEL (ChristenUnie/SGP): Voorzitter. Ik zal
deze motie onderschrijven, zoals ik al heb gezegd. Ik moet constateren dat door
het vertrek van de fractie van Leefbaar Delft de unanimiteit binnen deze raad
naar voren komt. Even een persoonlijke noot die niets met deze zaak te maken
heeft: het is jammer dat wij geen hoofdelijke stemming hebben, want ik was voor
het eerst in dertien jaar als eerste aan de beurt bij een hoofdelijke stemming.
De VOORZITTER: Volgens mij gaan wij niet alsnog hoofdelijk
stemmen. Ik zal proberen om u op een andere manier genoegdoening te geven, maar
dat zal vanavond niet lukken.
De heer TAEBI (SP): Voorzitter. Als medeondertekenaar zal ik
de motie uiteraard onderschrijven. Ik heb alleen wel een korte opmerking naar
aanleiding van het tweede bolletje onder “constaterende”. Gelet op de door
Leefbaar Delft gegeven uitleg over het moment waarop men naar de politie is
gegaan, was het misschien netter geweest als wij dat punt onder “constaterende”
hadden verwijderd. Dat doet verder echter niets af aan de rest van de motie. Ik
sluit mij verder aan bij de opmerking van de heer Bot: als men later naar de
politie stapt, had men ook langer moeten wachten met het openbaar maken in de
media. Ik vond het nodig om die uitleg te geven. Ik stem voor de motie.
Motie M-2 wordt met algemene stemmen aangenomen.
De VOORZITTER: Ik constateer dat alle aanwezige fracties
voor de motie hebben gestemd.
105. De vergadering wordt om 22.45 uur gesloten.
Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 30
juni 2005.
, voorzitter.
,
griffier.