V E E R T I E N D E V E R G A D
E R I N G
op
donderdag 30 november 2006 om 20.00 uur.
Overzicht
van de verhandelende punten.
Stuknr.
293. Opening en
mededelingen
294. Rapportage
commissie onderzoek geloofsbrieven/voorstel
tot toelating
van het nieuw benoemde raadslid, mevrouw
S. van Empel tot
lid van de raad van de gemeente Delft 219
295. Installatie en
beëdiging mevrouw S. van Empel
296. Notulen
297. Van anderen
ingekomen stukken
298. Voorstel inzake toepassing
Delftse Industriewarmte (TDI)-
vervroegde
aanleg hoofdwarmtetransportleidingen Poptahof 203
299. Voorstel tot
instemming met de begroting 2006 van de
Stichting
Librijn Openbaar Onderwijs 198
300. Voorstel inzake
aanvraag diverse werkbudgetten
eerstelijnszorg 207
301. Voorstel inzake
evaluatie parkeerdruk gebied D 205
302. Voorstel inzake
programmabegroting 2007-2010 Gemeen-
schappelijke
regeling brandweer Delft-Rijswijk 206
303. Voorstel inzake
de tweede begrotingswijziging 2006 Gemeen-
schappelijke
regeling brandweer Delft-Rijswijk 204
304. Voorstel inzake
onttrekking aan de openbaarheid weggedeelte
Lookwatering 216
305. Voorstel inzake
onttrekking aan de openbaarheid weggedeelte
Poptahof 217
306. Voorstel inzake
onttrekking aan de openbaarheid weggedeelte
Mina
Krusemanstraat 40-42 218
307. Voorstel tot
vaststelling van de 7e Algemene Raads
Begrotingswijziging
2006 214
308. Voorstel inzake
besteding eenmalige rijksbijdrage bijzondere
bijstand 2006 212
309. Voorstel inzake
programmabegroting 2007 bedrijvenschap
HarnaschPolder 197
310. Voorstel inzake
heroverwegingsbesluit inzake Wet voorkeurs-
recht gemeenten
(Wvg). 209
311. Voorstel tot
vaststelling van het beeldkwaliteitplan Poptahof
velden 5, 6 en 7 208
312. Voorstel inzake
de Meerjarenprogramma Vastgoed 2006-2009 210
313. Voorstel tot
vaststelling van de verordening voorzieningen
wethouders 201
314. Voorstel
ontheffing te verlenen aan/het benoemen van (plaats-
vervangend)
leden in diverse raadscommissies 230
315. Voorstel tot vaststelling van het
ontwikkelingsplan Uitbreiding
Camping Delftse
Hout 107
316 (Hervatting)
voorstel ontheffing te verlenen aan/het benoemen
van
(plaatsvervangende) leden in diverse raadscommissies 230
317. Voorstel tot
vaststelling van de Verordening Maatschappelijke
Ondersteuning 178
318. Voorstel inzake
uitvoering gesubsidieerd werk 2007 215
319. Voorstel tot
vaststelling van de update van de Algemene
Plaatselijke
Verordening voor Delft 199
320. Voorstel tot
vaststelling van het bestemmingsplan Zuidwest,
deelgebied 1 211
321. Voorstel tot
vaststelling van de nota Arbeidsmarkt, Inkomen
en Emancipatie
2007-2010 213
322. Motie van de
fractie van Stadsbelangen inzake terrasboten
323.
Motie van de fracties
GroenLinks, D66, de SP en de PvdA
inzake de A4
324. Sluiting
Voorzitter:
de heer mr. drs. G.A.A. Verkerk, burgemeester.
Aanwezig zijn: de
heren De Bie, Blinker, Bot, Clason en Damen, mevrouw Dekker, de heer Van
Doeveren, mevrouw Van Empel, de heren Guldemond en Harpe, mevrouw Van der Hoek,
mevrouw Van Holst, mevrouw De Jong, mevrouw Junius, de heren Keuvelaar, Kiela,
De Koning, Kroon, Van Leeuwen, Meuleman en Mousavi Gourabi, mevrouw Norbruis,
de heer De Prez, mevrouw Van Rossum, de heer Sipkema, mevrouw Steffen, de heer
Stoelinga, mevrouw Stolker, de heren Stoop en Tas, mevrouw Thoolen, de heren
Van Tongeren en Vokurka, mevrouw Van der Werf, de heren De Wit en Witsenboer.
Raadsgriffier:
mevrouw Y. van Delft
293.
De VOORZITTER: Ik open de vergadering. Eventuele hoofdelijke stemmingen
beginnen vandaag bij nr. 13 van de presentielijst, mevrouw Norbruis. Bericht
van verhindering is ontvangen van de heer Van Til.
Aan
de fracties zijn uitgereikt een definitieve bespreekagenda, een definitieve
hamerstukkenagenda, een definitieve lijst ingekomen stukken, een gewijzigd
raadsvoorstel en besluit van stuk 178 (vaststellen van de verordening
voorzieningen maatschappelijke ondersteuning), een gewijzigd raadsvoorstel en
besluit van stuk 210 (tussentijdse Meerjaren Programma Vastgoed 2006-2009).
Door
de fractie van Stadsbelangen is een motie ingediend over terrasboten en door de
fractie van GroenLinks is een motie ingediend over de A4. Deze moties
behandelen wij aan het einde van de agenda.
De
heer BOT (GroenLinks): Voorzitter. Van die motie over de A4 wordt straks een
herziene versie uitgedeeld.
De
VOORZITTER: Goed. Ik benoem tot leden van het stembureau de heer Damen
(voorzitter), de heren Witsenboer en Stoop en mevrouw De Jong.
294.
Rapportage commissie onderzoek geloofsbrieven/voorstel tot toelating van het
nieuw benoemde raadslid, mevrouw S. van Empel tot lid van de raad van de
gemeente Delft.
(Stuk 219)
De
VOORZITTER: Voor u ligt de rapportage inzake het onderzoek van de
geloofsbrieven. Ik neem aan dat beraadslaging daarover niet noodzakelijk is. Ik
stel voor om deze rapportage aan te nemen.
Conform
het voorstel wordt besloten.
295. Installatie en beëdiging mevrouw S. van
Empel.
De
VOORZITTER: Ik verzoek de bode om het nieuwe raadslid binnen te geleiden en ik
verzoek iedereen om te gaan staan voor de beëdiging.
Mevrouw
Van Empel legt de verklaring en belofte af. De verklaring en belofte luidt:
“Ik verklaar dat ik, om tot lid van de raad
benoemd te worden, rechtstreeks noch middellijk onder welke naam of voorwendsel
ook, enige gift of gunst heb gegeven of beloofd.
Ik
verklaar en beloof dat ik, om iets in dit ambt te doen of te laten,
rechtstreeks noch middellijk enig geschenk of enige belofte heb aangenomen of
zal aannemen.
Ik
beloof dat ik getrouw zal zijn aan de Grondwet, dat ik de wetten zal nakomen en
dat ik mijn plichten als lid van de raad naar eer en geweten zal vervullen.”
Hierna
legt in handen van de voorzitter mevrouw Van Empel de verklaring en belofte af.
De VOORZITTER: U bent hierbij benoemd tot raadslid van de gemeente Delft.
Daarbij hoort de vroedschapspenning. Dat had u waarschijnlijk niet verwacht.
Met dit uiterlijke kenmerk draagt u uw gezag en uw wijsheid over de stad uit.
Draag het met ere en laat het aan iedereen zien. Van harte gefeliciteerd.
De
vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
296.
Handelingen van de gemeenteraadsvergadering van 26 oktober 2006 + erratum
De
Handelingen worden ongewijzigd vastgesteld.
De
VOORZITTER: Naar aanleiding van de Handelingen wil ik graag nog een werkje
doen, namelijk het Delftsblauwe bord uitreiken aan de heer Riphagen.
(De
voorzitter reikt het bord uit aan de heer Riphagen, die zich op de publieke
tribune bevindt.)
297.
Vaststelling van de wijze van afdoening van ingekomen stukken.
|
NR |
DATUM |
AFZENDER |
ONDERWERP |
AFDOENINGSVOORSTEL |
|
137 |
23-10-2006 |
Provincie Zuid Holland |
Goedkeuring bestemmingsplan Spoorzone |
Voor kennisgeving aannemen |
|
138 |
13-10-2006 |
CNV |
WMO |
Voor kennisgeving aannemen. Afschrift aan commissie WIJZO |
|
139 |
25-10-2006 |
Panel Werk en Inkomen |
Advies m.b.t. anti-armoedeconferentie |
Voor kennisgeving aannemen. Afschrift aan commissies
Bestuur en Werk en WIJZO |
|
140 |
27-10-2006 |
VNG |
Gesloten huishouding provincies |
Voor kennisgeving aannemen |
|
141 |
27-10-2006 |
Librijn Openbaar Onderwijs |
Jaarverslag 2005 plus accountantsverklaring |
T.z.t. betrekken bij raadsvoorstel |
|
142 |
27-10- 2006 |
Mevr. P. Mulder |
Brief aan afdeling WIZ over Delftpas (cc aan raad) |
Voor kennisgeving aannemen Afschrift beantwoording college aan raad. |
|
143 |
3-11-2006 |
VNG |
Vervanging raadsleden bij ziekte en zwangerschap |
Voor kennisgeving aannemen |
|
144 |
6-11-2006 |
dhr. D. Riphagen |
Verzoek tot verlening van ontslag |
Voor kennisgeving aannemen |
|
145 |
5-11-2006 |
C.G. en J.T.J. Naberman |
Bezwaarschrift tegen voorbereidingsbesluit Agnetapark |
In handen stellen van Kamer II van de ACB ter behandeling. |
|
146 |
3-1-2006 |
Aantal: 1 |
Zienswijze TU Noord |
In handen stellen van college ter afhandeling. |
|
147 |
4-11-2006 |
Mevr. D. Schippers-van der Hoeven |
Overlast door bouwactiviteiten |
In handen van college stellen ter afdoening, met afschrift
aan de raad. |
|
148 |
5-11-2006 |
D.D.M.G. van Stekelenburg en C.G. van Soelen |
Bezwaarschrift tegen voorbereidingsbesluit Agnetapark |
In handen stellen van Kamer II van de ACB ter behandeling. |
|
149 |
17-11-2006 |
VNO-NCW West |
Inbreng verkiezingen Tweede Kamer |
Voor kennisgeving aannemen, eveneens verzonden per email. |
|
150 |
17-11-2006 |
ProRail |
Instemming met voorbereidingsbesluit Agnetapark |
Voor kennisgeving aannemen. |
|
151 |
17-11-2006 |
De heer M. Risselade |
Onbedoelde fout met betrekking tot tekening
bestemmingsplan TU Noord |
In handen van college stellen ter afdoening, met afschrift
aan de raad. |
|
152 |
23-11-2006 |
Delftse Rekenkamer |
Brief over gemaakte afspraken met delegatie raad en
voorgenomen verandering in de werkwijze |
Voor kennisgeving aannemen, brief is afzonderlijk naar de
raadsleden gezonden. |
|
153 |
21-11-2006 |
De heer A.E. Rövekamp en mevrouw Rövekamp-Abels |
Bezwaar voorbereidingsbesluit Agnetapark |
In handen stellen van Kamer I van de ACB ter behandeling. |
|
154 |
21-11-2006 |
KNNV |
Visie op Ontwikkelingsplan Abtswoude 42 |
Betrekken bij de behandeling van het Ontwikkelingsplan in
de commissie Ruimtelijke Ordening. |
Overeenkomstig
de voorstellen van burgemeester en wethouders wordt besloten.
De
heer VAN TONGEREN (CDA): Voorzitter. Ik maak graag een opmerking over stuk 147.
De voorgestelde wijze van afdoening is prima, maar ik vraag toch even aandacht
voor de achterliggende problematiek. Het gaat om een geval van ernstige geluidsoverlast
door bouwactiviteiten. Ik hoop dat niet alleen de brief beantwoord wordt, maar
dat er ook iets wordt gedaan aan de beperking van de overlast.
De
VOORZITTER: Het college neemt hier goede nota van.
Vaststelling
hamerstukkenagenda
298.
Voorstel inzake toepassing Delftse Industriewarmte (TDI) – vervroegde
aanleg hoofd-warmtetransportleidingen Poptahof.
(Stuk
203 – 20139000)
299. Voorstel tot instemming met
de begroting 2006 van Stichting Librijn Openbaar Onderwijs.
(Stuk
198 – 20091531)
300. Voorstel inzake aanvraag
diverse werkbudgetten eerstelijnszorg.
(Stuk
207 – 20157145)
301. Voorstel inzake evaluatie
parkeerdruk gebied D.
(Stuk
205 – 20159680)
302. Voorstel inzake programmabegroting 2007-2010
Gemeenschappelijke Regeling Brandweer Delft – Rijswijk.
(Stuk
206 – 20144955)
303. Voorstel inzake de tweede
begrotingswijziging 2006 Gemeenschappelijke Regeling brandweer Delft-Rijswijk.
(Stuk
204 – 20159843)
304. Voorstel inzake onttrekking
aan de openbaarheid weggedeelte Lookwatering.
(Stuk
216 - 20158458)
305. Voorstel inzake onttrekking
aan de openbaarheid weggedeelte Poptahof.
(Stuk 217 - 20158466)
306. Voorstel inzake onttrekking
aan de openbaarheid weggedeelte Mina Krusemanstraat 40-42.
(Stuk
218 - 20158408)
307. Voorstel tot vaststelling van
de 7e Algemene Raads Begrotingswijziging 2006.
(Stuk
214 – 20156100)
308. Voorstel inzake besteding
eenmalige rijksbijdrage bijzondere bijstand 2006.
(Stuk
212 – 20162496).
309. Voorstel inzake
programmabegroting 2007 bedrijvenschap HarnaschPolder.
(Stuk
197 – 20155798).
310. Voorstel inzake
heroverwegingsbesluit inzake Wet voorkeursrecht gemeenten (Wvg).
(Stuk
209 – 20155338).
311. Voorstel tot vaststelling van
het beeldkwaliteitplan Poptahof velden 5, 6 en 7.
(Stuk
208 – 20156249).
312. Voorstel inzake de
MeerjarenProgramma Vastgoed 2006-2009.
(Stuk
210 – 20159875).
313. Voorstel tot vaststelling van
de verordening voorzieningen wethouders.
(Stuk
201 – 201143364)
Deze
voorstellen worden achtereenvolgens zonder beraadslaging en zonder hoofdelijke
stemming aangenomen.
De
VOORZITTER: Ik geef gelegenheid tot het afleggen van stemverklaringen.
De
heer VOKURKA (D66): Voorzitter. Ik leg graag een stemverklaring af bij het
voorstel inzake het meerjarenprogramma Vastgoed 2006-2009 (stuk 210 –
20159875). Mijn fractie stemt voor het voorstel maar vraagt het college wel om
aandacht voor de situatie van Technopolis. Er moet snel een goede oplossing
komen. De wethouder heeft dat al toegezegd, maar ik vraag daar nogmaals
aandacht voor.
De heer DE WIT
(Leefbaar Delft): Voorzitter. Wij leggen graag een stemverklaring af bij het
voorstel inzake de toepassing Delftse Industriewarmte (TDI) – vervroegde aanleg
hoofd-warmtetransportleidingen Poptahof (stuk 203 – 20139000). Leefbaar Delft
vindt dat het warmtebedrijf voor stadsverwarming een zaak is van private
energiebedrijven zoals Eneco. Dat soort bedrijven moet dat ondernemen, maar
ziet daar blijkbaar geen brood in. Het voorstel om alvast pijpleidingen aan te
leggen omdat anders een overheidssubsidie wordt misgelopen, lijkt op het eerste
gezicht sympathiek. Aangezien een volledig financieel overzicht inclusief een
risicoanalyse ontbreekt, gaat Leefbaar Delft niet akkoord met dit voorstel.
Wij leggen ook graag
een stemverklaring af bij het voorstel tot vaststelling van het
beeldkwaliteitplan Poptahof velden 5, 6 en 7 (208 – 20156249). In de commissie
is een uitgebreid debat gevoerd, maar ik geef graag nogmaals aan wat wij
hiervan vinden. Ten eerste zijn wij tegen het realiseren van moestuinen in wijken
met hoog- en laagbouw. Wij vinden moestuinen bepaald geen geschikt middel om de
integratie van allochtone vrouwen op te lossen. Ten tweede hebben wij
geadviseerd, de sociale veiligheid goed te laten bekijken door de
welstandscommissie. Dat is echter niet opgenomen in het voorstel. Ten derde
vinden wij dat goed gekeken moet worden naar het aanbieden van afval, met name
van grofvuil. Het is nu een grote bende op straat. Als de straat vol ligt met
afval, wordt het nooit een mooie wijk. Omdat onze adviezen niet zijn
overgenomen, stemmen wij niet in met het voorstel.
314.
Voorstel ontheffing te verlenen aan/het benoemen van (plaatsvervangend) leden
in diverse raadscommissies.
(Stuk 230)
De
VOORZITTER: De stembriefjes worden uitgereikt en ik roep het stembureau op om
zijn werkzaamheden uit te voeren. Ik stel voor om tijdens het stemmen door te
vergaderen.
Mevrouw
STEFFEN (VVD): Voorzitter. Ik vind het geen probleem om tijdens het stemmen
door te vergaderen. Tijdens het tellen van de stemmen zijn echter raadsleden
weg. Ik wil absoluut dat zij tijdens de behandeling van een onderwerp in de
raad blijven. Het schorsen van de vergadering om de stemmen te tellen kost een
paar minuten, maar daarna zijn wij wel weer allemaal aanwezig.
De
VOORZITTER: Wij kijken hoe het straks gaat.
De
behandeling van dit agendapunt wordt geschorst.
315.
Voorstel tot vaststelling van het ontwikkelingsplan Uitbreiding Camping Delftse
Hout
(Stuk 107 – 20053889)
De
VOORZITTER: Er zijn een nieuw maatschappelijk feit, een nieuw juridisch feit en
een nieuw rechtsfeit aan de orde. Er is een referendum gehouden over dit
voorstel. Dat referendum is geldig verklaard en de uitslag was dat de Delftse
bevolking zich bij meerderheid heeft uitgelaten tegen dit voorstel. De
bevolking wil dit voorstel dus niet. Aan de leden is een specificatie
uitgedeeld van de uitslag. Het college zal daar nog schriftelijk op reageren.
Indachtig de behandeling van dit onderwerp in de raadsvergadering van juni en
de toepassing van de verordening, moeten wij vandaag, in de eerste
raadsvergadering na het referendum, een besluit nemen over het voorstel. Om die
reden is het vandaag geagendeerd. Voor mij is duidelijk dat de raad op 30 juni
heeft gezegd dat hij de uitslag van het referendum respecteert. Dat zou
betekenen dat de raad dit voorstel vandaag afstemt. Voordat ik het voorstel in
stemming breng, bied ik de raad gelegenheid om op het referendum en het
voorstel te reageren.
De
heer KROON (PvdA): Voorzitter. Namens de PvdA-fractie leg ik graag een
verklaring af. In de commissie Ruimtelijke Ordening is aangegeven dat mijn
fractie voorstander is van uitbreiding van de camping. Er waren veel argumenten
voor en tegen. Voor ons was een belangrijk argument om voor te zijn, het feit
dat tussen de gemeenten en de ondernemer in 2001 een afspraak was gemaakt die
bevestigd is in 2003. In de vergadering van 30 juni heeft mijn fractie
aangegeven, de uitkomst van het referendum zwaar te laten meewegen in haar
overweging. Gelet op de uitkomst van het referendum, de opkomst en het duidelijke
“nee” van de bevolking tegen de uitbreiding, respecteert mijn fractie de
uitslag. Zij stemt tegen de uitbreiding van de camping.
De
heer KEUVELAAR (CDA): Voorzitter. Het standpunt van de CDA-fractie is vrij
simpel. Mijn fractie heeft al eerder aangegeven de uitslag van het referendum
bij een geldige uitslag te volgen en stemt dus tegen de uitbreiding. Ik maak
nog wel een kleine opmerking over de communicatie. Veel mensen in de stad leken
niet te weten waar het precies om ging. Er werd veel met de onderbuik beslist.
Ik vraag mij dan ook af of er voldoende is gecommuniceerd naar de burger. Hoe
helder was het voor de burger waar het precies om ging? Desalniettemin stemt de
CDA-fractie tegen de uitbreiding, omdat zij de uitslag van het referendum
respecteert.
De
heer HARPE (VVD): Voorzitter. De VVD-fractie heeft aangegeven de uitslag van
het referendum te zullen respecteren en doet dat daarom natuurlijk ook. De
brief van de heer Meijkamp verandert ons standpunt niet, maar is wel aanleiding
voor een paar opmerkingen. Ik heb het college voorafgaand aan het referendum
gevraagd naar zijn opstelling, waarbij ik pleitte voor een wat minder neutrale
houding. Helaas heeft het college daar niet voor gekozen. Naar mijn mening
heeft dat geleid tot een eenzijdige campagne, waarbij de desbetreffende
ondernemer behoorlijk last heeft gehad van het bomenkapsentiment in onze stad.
Bovendien hoor ik graag van het college of het bekend is met de geluiden dat
stembureaumedewerkers stemmers geholpen hebben bij het uitbrengen van hun stem
door de vraag voor te houden of men voor of tegen het kappen van 113 bomen was.
Al
met al is de uitkomst treurig te noemen. Het proces vraagt om een stevige
evaluatie. Ik heb begrepen dat die wordt uitgevoerd. Naar de mening van mijn
fractie behoort dit referendum tot de categorie “eens maar nooit weer”. Hoewel
ik de woorden niet overneem, is het niet geheel onbegrijpelijk dat er in onze
stad ondernemers zijn die het gehele traject karakteriseren als bestuurlijk
onbehoorlijk. Om die reden vraag ik u om aan te geven hoe wij kunnen voorkomen
dat over een onderwerp als dit ooit nog in onze stad een referendum wordt
gehouden. De VVD-fractie roept het college ertoe op om er alles aan te doen om
met de camping tot een oplossing te komen.
De
heer BOT (GroenLinks): Wat bedoelt u met “een onderwerp als dit”?
De
heer HARPE (VVD): Wij hebben gediscussieerd over de vraag welke voorstellen en
besluiten al dan niet referendabel zijn. Wij zijn daarover geadviseerd door
drie wijzen. Gelet op het voortraject en de economische belangen van de
ondernemer en de gewekte verwachtingen, vinden wij dit soort onderwerpen niet
referendabel. Hiervoor is er een raad, die gekozen is en waarbij de
verantwoordelijkheid is gelegd om besluiten te nemen in alle genuanceerdheid.
De
heer BOT (GroenLinks): U hebt geen antwoord gegeven op mijn vraag wat u met
“een onderwerp als dit” bedoelt.
De
heer HARPE (VVD): Bijvoorbeeld een onderwerp dat de uitbreiding van een camping
betreft. Zo kunnen meer onderwerpen worden bedacht.
De
heer VOKURKA (D66): Waarom neemt u dan wel de uitslag over?
De
heer HARPE (VVD): Wij zijn een betrouwbare partij. Wij zijn schoorvoetend
akkoord gegaan met het referendum, waarbij wij hebben gezegd dat bij een
referendum de kiezer serieus moet worden genomen, hoe spijtig die uitslag ook
is. Wij gaan dus akkoord met de referendumuitslag.
De
heer DE WIT (Leefbaar Delft): Voorzitter. Het referendum was een groot succes
met een opkomstpercentage van 64. Dat is hoger dan bij de raadsverkiezingen. Ik
zie ook niet dat een dergelijke opkomst snel weer wordt gehaald. Dit is een
uniek feit. Het stoort mij daarom dat de VVD allerlei verdachtmakingen
rondstrooit over het referendum. Het referendum is eerlijk verlopen. Niet
alleen de VVD maar ook ondernemers – verenigingen, de Kamer van Koophandel, het
MKB, VNO-NCW – zeggen “eens maar nooit weer”. Leefbaar Delft vindt echter dat
referenda vaker moeten worden georganiseerd. Het is een mooi middel om de
burger bij de besluitvorming te betrekken, vooral als de raad in achterkamers
besluiten neemt die niet gedragen worden door de Delftenaren.
De
heer HARPE (VVD): U stelt dus eigenlijk voor om de raad op te heffen en alleen
nog referenda te houden. Waar blijft uw rol als volksvertegenwoordiger dan?
De
VOORZITTER: Laten wij niet al te diep ingaan op het fenomeen referendum. Er
komt nog een evaluatie. Daarin kunnen uitgebreid kanttekeningen worden gezet.
De
heer DE WIT (Leefbaar Delft): Wij vinden dat zaken zoals ruimtelijke ordening
referendabel moeten zijn. Neem een stadskantoor, grootschalige herstructurering
of sloop. Dat zijn onderwerpen die veel mensen aangaan en waar veel mensen wat
over vinden. Dit referendum heeft bewezen dat zaken van ruimtelijke ordening de
burgers interesseren. Dat heeft het opkomstpercentage van 64 wel bewezen. Onze
conclusie is dus dat referenda vaker moeten worden gehouden, niet omdat de raad
slechte besluiten neemt maar omdat de burger bij het beleid moet worden
betrokken.
De
heer KEUVELAAR (CDA): Voorzitter …
De
heer DE WIT (Leefbaar Delft): Ik word een beetje moe van die interrupties.
De
VOORZITTER: Ik zal u op gepaste tijden nog eens aan deze opmerking herinneren.
De
heer KEUVELAAR (CDA): U hebt het steeds over die geweldig hoge opkomst. Is het
u bekend dat er op die dag nog een bepaalde activiteit was waardoor de opkomst
wellicht wat hoger is uitgevallen?
De
heer DE WIT (Leefbaar Delft): Als het de burger niet had geïnteresseerd, had
hij niet gestemd. In Moergestel was de opkomst bij een referendum over een
bedrijventerrein maar 19%. Dat onderwerp interesseerde niemand. De burger heeft
gesproken. Als u zegt dat het de burger allemaal niet interesseert, is dat uw
mening, niet de onze.
De
heer GULDEMOND (STIP): Voorzitter. Ook de STIP-fractie heeft eerder aangegeven
een geldige uitslag van het referendum over te nemen. Zij stemt daarom tegen
het voorstel.
De
heer VOKURKA (D66): Voorzitter. D66 is voorstander van referenda. Mijn fractie
is daarom blij met zowel de uitkomst als de hoge opkomst. Ik snap de woorden
van de heer Harpe niet helemaal. Hij begint over allerlei verstrooiingen. Ik
kan de heer De Wit daar wel in volgen. In Delft is een verordening van kracht
en die is keurig netjes gevolgd. Mijn fractie respecteert de uitslag en stemt
tegen het voorstel.
De
heer MEULEMAN (Stadsbelangen): Voorzitter. Na de uitslag van het referendum
hebben wij een aantal reacties gelezen en gehoord in de krant in de trant van
“wij hebben gewonnen van het college”. Stadsbelangen heeft zich daarover
verbaasd. Naar onze mening ging het bij het referendum niet om een wedstrijd
tegen het college. Het ging om een betrouwbare overheid versus plotseling
opkomende protesten tegen uitbreiding van de camping. Nadat in 2001 de
commissies Leefbaarheid en Duurzaamheid er geen behoefte aan hadden om een nota
over mogelijke uitbreiding van de camping te bespreken, heeft het college in de
richting van de campinghouder uitgesproken dat uitbreiding van de camping
mogelijk was. Het toenmalige college mocht er naar onze mening terecht van
uitgaan dat de gemeenteraad en de bewoners in de stad geen bezwaar hadden tegen
die uitbreiding. Op dat moment was geen enkele vorm van protest waarneembaar.
Toen begin dit jaar uiteindelijk de consequenties van de uitbreiding zichtbaar
werden, bleken er ineens, al dan niet aangewakkerd, protesten te komen uit de
samenleving. Ook enkele fracties protesteerden, terwijl zij in 2001 geen
bezwaar hadden tegen uitbreiding van de camping. Stadsbelangen is van mening
dat het college terecht het voorstel voor uitbreiding van de camping heeft
gedaan. Het college kon ook niet anders, gezien de voorgeschiedenis. Dat neemt
niet weg dat na vijf jaar, toen de consequenties van de voorgestelde
uitbreiding zichtbaar werden, de raad de signalen uit de samenleving niet kon
negeren. Deze consequenties waren in 2001 nog niet bekend. Inwoners hebben
gebruik gemaakt van de mogelijkheid van het instrument referendum. Dat is
gezien de hoge drempel best een flinke klus geweest. Stadsbelangen heeft zich,
nadat de raad tot het houden van een referendum had besloten, afzijdig gehouden
van de voortgang van dit proces. Wij vonden en vinden dat het meest zuiver. Het
referendum is een instrument van burgers en naar onze mening niet bedoeld als
instrument van politieke partijen.
In
elk geval heeft het referendum een duidelijke uitslag opgeleverd: een ruime
meerderheid van de Delftse bevolking is tegen uitbreiding van de camping. Onze
indruk is wel dat de inwoners van onze stad door middel van dit referendum
vooral een signaal hebben willen afgeven over het bomenkapbeleid. Overigens willen
wij daarmee niets afdoen aan de uitslag van het referendum. Stadsbelangen heeft
eerder aangekondigd, bij een geldig referendum de uitslag te volgen. De kiezer
heeft duidelijk nee gezegd en dat is voor onze fractie leidend. Wij stemmen
daarom tegen het voorstel voor uitbreiding van de camping.
Door
de ondernemers is forse kritiek geuit op het instrument van het referendum.
Naar onze mening is die kritiek onterecht. Enige nuance aan de kant van de
ondernemers zou gepast zijn. Zij maken zich wel druk over het feit dat de ene
camping niet kan uitbreiden, maar maken zich niet druk om de andere camping die
300 plekken beschikbaar heeft maar er slechts 75 mag gebruiken. Dat geeft te
denken.
Stadsbelangen
meent dat het referendum op korte termijn moet worden geëvalueerd. De les die
wij trekken, is in elk geval dat zowel het college als de fractievoorzitters
nog kritischer moeten bezien of nota’s terecht op de niet te bespreken agenda
worden gezet.
De
heer HARPE (VVD): U maakt een vergelijking die slaat op de ondernemers, waarbij
u een link legt met een andere camping. Zouden de ondernemers zich er niet met
name zorgen over maken dat zij ooit in een vergelijkbare situatie terechtkomen,
als zij na overleg met de gemeente mogen verwachten dat zij kunnen uitbreiden
op een bepaalde bouwlocatie? De link met de andere camping is in dat verband
niet relevant.
De
heer MEULEMAN (Stadsbelangen): Ik stel vast dat de ondernemers nadrukkelijk
hebben verklaard, niets te zien in een referendum. Op dat punt verschilt mijn
fractie van mening met de ondernemers die die mening hebben. Juist in deze
situatie vind ik dat enige nuance gepast is. Wij zitten hier in de raad niet
voor onszelf maar namens de burgers; op dat punt ben ik het niet helemaal met
uw fractie eens. Als burgers duidelijke signalen geven dat zij ergens tegen
zijn, moet de raad niet zo eigenwijs zijn om anders te besluiten.
De
heer HARPE (VVD): Waar haalt u vandaan dat wij gezegd hebben dat wij hier voor
onszelf zitten?
De
heer MEULEMAN (Stadsbelangen): Volgens mij heb ik dat niet gezegd.
De
heer HARPE (VVD): Dat zegt u net.
De
heer MEULEMAN (Stadsbelangen): Ik heb toch niet gezegd dat u dat gezegd hebt?
De
heer HARPE (VVD): Wij lezen het terug in de Handelingen.
Mevrouw
NORBRUIS (GroenLinks): De fractie van GroenLinks heeft in juni gezegd de
uitslag van het referendum te volgen. Zij is niet van mening veranderd. Wij
kunnen hier vanavond nog veel over zeggen, maar dit is niet het moment om dat
te doen. Wij wachten de evaluatie af en geven dan aan wat wij ervan vinden.
De
heer SIPKEMA (SP): Voorzitter. Wij hebben gezegd dat wij de uitslag zouden
volgen. Wij waren sowieso tegen de uitbreiding. Na de opmerkingen van de andere
fracties merken wij wel op dat wij het referendum een goed middel vinden om
tussen de verkiezingen door de bevolking de mogelijkheid te bieden om zich
tegen een voorstel uit te spreken. De heer Kiela heeft goed aangevoeld dat dat
voor dit geval opging. Dat blijkt wel uit de opkomst. Ik kan mij niet vinden in
de woorden van de VVD-fractie dat het referendum een vervanging is van de raad.
Met het referendum krijgt de raad een signaal van de bevolking. De raad zou
daar natuurlijk wat mee kunnen doen.
De
VOORZITTER: Vanuit het college is er weinig aanleiding om op de woorden van de
raad te reageren. Wij respecteren de wens van de raad. Er is gevraagd om in
overleg te treden met de ondernemer. Wij zullen dat zeker doen. Alle
kanttekeningen en opmerkingen worden meegenomen in de evaluatie. Er is recht en
reden om stil te staan bij de manier waarop het instrument is gebruikt en
toegepast. Daar is nog het nodige aan bij te schaven. Ik heb in juni al gezegd
dat dit de eerste keer is dat deze verordening is toegepast. De verordening is
op basis van inzichten in 1997 vastgesteld. Het is vast mogelijk om deze te
verbeteren. Als leden het instrument van het referendum als zodanig aan de orde
willen stellen, is dat natuurlijk mogelijk.
In
stemming komt het voorstel.
Het
voorstel wordt met algemene stemmen verworpen.
316.
(Hervatting) Voorstel ontheffing te verlenen aan/het benoemen van
(plaatsvervangend) leden in diverse raadscommissies.
(Stuk 230)
De
heer DAMEN (PvdA): Er zijn 36 biljetten uitgereikt en 36 biljetten
terugontvangen. Met 36 stemmen is ingestemd met alle voorgestelde leden.
De
VOORZITTER: Daarmee zijn de leden en plaatsvervangend leden in de commissies
benoemd.
Mevrouw
STEFFEN (VVD): Voorzitter. Ik heb daarnet een verzoek gedaan dat ik wel vaker
doe, namelijk om te schorsen voor het tellen van de stemmen. Meestal voldoet u
aan een verzoek van mijn kant, maar vanavond hebt u daar nadrukkelijk niet aan
voldaan. Ik verzoek het presidium om de raad eens een voorstel te doen omtrent
de gang van zaken bij stemmingen, zodat wij er voor eens en altijd van af zijn.
De
VOORZITTER: Ik heb helemaal niets gedaan. Ik heb de indruk dat het stembureau
uit eigen beweging iets ging doen. Ik heb dat niet gezien en ik heb het ook
niet tegengehouden. Het stembureau heeft dat uit eigen beweging gedaan.
Mevrouw
STEFFEN (VVD): Reden temeer om daar regels voor af te spreken in de raad.
De VOORZITTER: Dat lijkt mij
uitstekend.
317. Voorstel tot vaststelling van de Verordening
Maatschappelijke Ondersteuning
(Stuk 178
- 20129217)
Mevrouw VAN ROSSUM (SP): Voorzitter. Ik heb een berg
voorstellen voor mij liggen. Ik wilde dus graag het spits afbijten bij dit
onderwerp. Dan is de raad daarna van mij af.
Er is een ingewikkelde berg werk vanuit de landelijke
politiek tot ons gekomen. Het lijkt dus niet gek dat Delft heeft gekozen voor
een zogenaamde "beleidsarme verordening" voor komend jaar. Het gaat
echter niet om wat handig is voor de gemeente, maar om de mensen die met de WMO
te maken krijgen. Organisaties van mensen die zorg nodig hebben, zoals de
Chronisch zieken- en Gehandicaptenraad (CG-raad), hebben een goed beeld van de
manier waarop de WMO het beste kan worden ingericht. Zij weten wat zorgvragers
willen en nodig hebben; laten wij dus naar hen luisteren. De CG-raad heeft een
eigen verordening geschreven. Het college vindt ook dat deze verordening beter
bij de WMO past dan de verordening van de VNG die nu aan de orde is. Meerdere
fracties waren het daar ook mee eens tijdens de commissievergadering. Over het
algemeen wordt echter gezegd: volgend jaar kunnen wij zaken wijzigen. Ik vraag
de andere fracties: waarom? Waarom een jaar lang met een slechte verordening
werken als het ook meteen goed kan? Ik dien een motie in om toch voor het model
van de CG-raad te kiezen.
Als deze verordening wordt goedgekeurd, wordt de
zelfredzaamheid van mensen ingeperkt, wordt de maatschappelijke participatie
niet bevorderd en verplicht de gemeente zich nergens toe. Ik zeg niet dat de
zorg in Delft slecht is, maar veel kan beter. Mijn fractie wil dat de
keuzevrijheid en de zelfredzaamheid toenemen en dat de gemeente garant staat
voor zorg.
De SP-fractie heeft veel ideeën over verbetering,
bijvoorbeeld op het punt van de indicatiestelling, het persoonsgebonden budget,
de participatie en het behoud van medewerkers in de zorg. Niet alles kan in één
keer, maar de voorstellen die ik vanavond namens mijn fractie doe, zijn
realiseerbaar en kunnen in dit overgangsjaar bijdragen aan een socialere
verordening. Als de motie het niet haalt, laten wij een aantal amendementen in
stemming brengen. Deze zijn een paar dagen geleden onder de leden van de raad
verspreid en ik verzoek hun om daar goed naar te kijken. Ik zal de amendementen
even langslopen. Normaal gebeurt dat niet in de eerste termijn, maar in dit
geval zijn de voorstellen al in de commissie besproken. Ik ben overigens blij
dat de wethouder inmiddels een aantal toezeggingen heeft gedaan. Het amendement
over de huisgenoot dat was voorbereid, dien ik daarom niet in.
Het eerste amendement gaat over de uitzondering op het
primaat. De wethouder heeft hierover toezeggingen gedaan, maar het primaat op
verhuizing is gehandhaafd. Ik licht even toe wat het idee van mijn fractie
hierover is. Stel dat iemand ergens al tien jaar woont en zeer goed bevriend is
met de buren, bij wie hij elke dag even langsloopt. Als die persoon op een
gegeven moment een aangepaste woning nodig heeft, kan het gebeuren dat hij moet
verhuizen naar een woning die al aangepast is, met als gevolg dat hij zijn
buren bijna niet meer ziet. Ik geef dit voorbeeld om aan te geven dat de
primaten in sommige gevallen de zelfredzaamheid en de maatschappelijke
participatie kunnen beperken. Dat is niet de bedoeling. Dit soort dingen wordt
voorkomen met ons amendement. Mensen kunnen dan, als hun maatschappelijke
participatie bedreigd wordt, een aanvraag doen op uitzondering van het primaat
waardoor voor hen een andere oplossing wordt gezocht.
Mijn fractie wil verder dat een bezoekadres wordt uitgebreid
met een logeermogelijkheid. Het is voor de SP-fractie volkomen logisch dat
iemand die in een onzelfstandige woonruimte woont, gewoon bij zijn ouders of
andere familie kan logeren.
Ik kom bij de "kan"-bepaling. Overal in de
verordening staat dat de gemeente dingen kan verstrekken. Mijn fractie vindt
dat te vrijblijvend. De gemeente moet zich verplichten tot het aanbieden van
zorg. Hetzelfde geldt voor het amendement over de compensatieplicht. De
gemeente moet zich daartoe verplichten.
In artikel 37 over vervoersvoorzieningen staat alleen dat
eenzaamheid moet worden voorkomen. Dat is echter niet genoeg. Participatie aan
maatschappelijke activiteiten moet zoveel mogelijk verbeterd worden. Dat is ook
een doel van de WMO. Waarom staat dat niet in het artikel vermeld?
Amendementen over aantoonbare beperkingen en
rolstoelvoorzieningen lijken kleine puntjes, maar wij willen zeker stellen dat
mensen geen zorg of voorzieningen mislopen door een verkeerde interpretatie. Ik
weet ook niet waarom deze punten niet gewoon kunnen worden toegevoegd.
Ik dien de amendementen nu in. Ik verzoek alle fracties
nogmaals om er goed naar te kijken en de amendementen te steunen.
De VOORZITTER: Door de SP-fractie worden de volgende motie
(M-1) en amendementen (A-1 tot en met A-4) ingediend:
M-1
"De gemeenteraad van Delft, in vergadering bijeen op 30
november 2006,
constaterende dat:
·
de VNG-verordening Maatschappelijke Ondersteuning, waar de
Delftse verordening WMO op gebaseerd is, op cruciale punten strijdig is met de
wet;
·
dit zeer nadelige gevolgen kan hebben voor de mensen die van
de WMO afhankelijk zijn;
overwegende dat het college van mening is dat de verordening
van de Chronisch zieken en Gehandicaptenraad (CG-raad) meer WMO-gericht is;
draagt het college op, de voorliggende verordening te
vervangen door de verordening die is opgesteld door de Chronisch zieken en
Gehandicaptenraad,
en gaat over tot de orde van de dag."
A-1
"De gemeenteraad van Delft, in vergadering bijeen op 30
november 2006,
besluit in de verordening Maatschappelijke Ondersteuning toe
te voegen aan Hoofdstuk 2, vorm van de te verstrekken voorzieningen:
'Artikel 7 - aanvraag uitzondering primaat
en gaat over tot de orde van de dag.
Toelichting:
In de huidige verordening wordt een algemene voorziening
vooropgesteld. Dit is in sommige gevallen een oplossing, maar kan de
zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie enorm inperken. Voorbeeld:
Iemand kan met een aanpassing van het keukenblad prima zijn eigen maaltijden
bereiden. Door het primaat kan het zo zijn dat diegene een maaltijdvoorziening
als Tafeltje-dekje krijgt."
A-2
"De gemeenteraad van Delft, in vergadering bijeen op 30
november 2006,
besluit in de verordening Maatschappelijke Ondersteuning aan
artikel 23 Hoofdverblijf toe te voegen aan lid 3:
'alsmede gebruik kan maken van een slaapkamer.',
en gaat over tot de orde van de dag.
Toelichting:
In de huidige verordening is het niet mogelijk om
bijvoorbeeld te logeren. Om maatschappelijke participatie mogelijk te maken
en/of te behouden is deze toevoeging van groot belang."
A-3
"De gemeenteraad van Delft, in vergadering bijeen op 30
november 2006,
besluit in de verordening Maatschappelijke Ondersteuning in
onder andere artikel 2, 3, 7, 8, 10, 14, 15, 16, 17, 36, et cetera de ‘kan’-bepaling
te wijzigen in ‘De gemeente biedt de keuze’,
en gaat over tot de orde van de dag.
Voorbeeld:
Artikel 3
1. Een
individuele voorziening kan verstrekt worden in natura, als financiële
tegemoetkoming en als persoonsgebonden budget.
wijzigen in:
Artikel 3
1. De gemeente biedt
personen die aanspraak hebben op een individuele voorziening de keuze
tussen het ontvangen van een voorziening in natura, een financiële
tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget.
Toelichting:
De ‘kan’-bepaling gaat voorbij aan de verplichting van de
gemeente om zorg te dragen voor keuzemogelijkheden."
A-4
"De gemeenteraad van Delft, in vergadering bijeen op 30
november 2006,
besluit in de verordening Maatschappelijke Ondersteuning
artikel 1, lid f: 'Compensatiebeginsel: het compensatiebeginsel, zoals
vastgelegd in artikel 4, lid 1, van de wet.’
te wijzigen in:
'Compensatieplicht: de compensatieplicht houdt de algemene
verplichting in dat de gemeente beperkingen in zelfredzaamheid en
maatschappelijke participatie compenseert van burgers zoals omschreven in de
WMO, artikel 1, lid 1, onderdelen 4, 5 en 6. Hierbij is het functioneren van
iemand die geen voorzieningen nodig heeft norm voor de hoogte en de mate waarin
gecompenseerd wordt, evenals voor de aard van de compensatie.',
en gaat over tot de orde van de dag.
Toelichting:
Het compensatiebeginsel in de huidige verordening houdt geen
plicht in om burgers te compenseren. Het is belangrijk dat de gemeente zichzelf
verplicht en zo zelf de verantwoordelijkheid neemt mensen met beperkingen te
compenseren."
Door de fracties van de SP en het CDA wordt het volgende
amendement (A-5) ingediend:
"De gemeenteraad in vergadering bijeen op 30 november
2006,
besluit in de verordening Maatschappelijke Ondersteuning
artikel 37, lid 7: 'Bij te verstrekken vervoersvoorzieningen wordt ten aanzien
van de vervoersbehoefte uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsing in de
directe woon- en leefomgeving in het kader van het leven van alledag, tenzij
zich een uitzonderingssituatie voordoet waarbij het gaat om bovenregionaal
contact dat uitsluitend door de persoon als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder
G, onderdeel 5 en 6, van de wet bezocht kan worden, terwijl het bezoek
noodzakelijk is voor de persoon als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder G,
onderdeel 5 en 6, van de wet om dreigende vereenzaming te voorkomen.'
toe te voegen na 'te voorkomen': 'en de deelname aan het
maatschappelijke verkeer te bevorderen.',
en gaat over tot de orde van de dag.
Toelichting:
Het voorkomen van dreigende vereenzaming doet ernstig tekort
aan de doelstelling van de WMO, namelijk het bevorderen van de deelname aan het
maatschappelijke verkeer."
Door de SP-fractie worden de volgende amendementen (A-6 tot
en met A-8) ingediend:
A-6
"De gemeenteraad van Delft, in vergadering bijeen op 30
november 2006,
besluit in de verordening Maatschappelijke Ondersteuning
artikel 1, begripsbepalingen, lid 1, onderdeel G, en verderop in de verordening
wanneer hierover wordt gesproken, 'persoon met beperkingen: een persoon die ten
gevolge van ziekte of gebrek, inclusief chronisch psychische en psychosociale
problemen, aantoonbare beperkingen ondervindt bij de maatschappelijke
participatie'
te wijzigen in:
'persoon met beperkingen: een persoon die ten gevolge van
ziekte of gebrek, inclusief chronisch psychische en psychosociale problemen,
beperkingen ondervindt bij de maatschappelijke participatie.' (het woord
'aantoonbaar' is geschrapt),
en gaat over tot de orde van de dag.
Toelichting:
De term 'aantoonbare beperking' beperkt de reikwijdte van de
wet en komt in de hele WMO niet voor. Niet alle beperkingen in maatschappelijke
participatie kunnen aangetoond worden, dus hierdoor kunnen mensen voorzieningen
mislopen."
A-7
"De gemeenteraad van Delft, in vergadering bijeen op 30
november 2006,
besluit in de verordening Maatschappelijke Ondersteuning,
artikel 39, Soorten rolstoelvoorzieningen, toe te voegen aan de lijst met
rolstoelvoorzieningen als lid e:
'e. een elektrische rolstoel of een scootmobiel',
en gaat over tot de orde van de dag.
Toelichting:
Zoals de verordening er nu ligt, kunnen er geen elektrische
rolstoelen of scootmobielen verstrekt worden door de gemeente, terwijl mensen
deze voorziening wel nodig hebben.
A-8
"De gemeenteraad van Delft, in vergadering bijeen op 30
november 2006,
besluit in de verordening Maatschappelijke Ondersteuning,
artikel 2, lid 2, onderdeel a, b en c te schrappen:
‘2. Een voorziening kan slechts worden toegekend indien:
a. De voorziening langdurig noodzakelijk is;
b. De voorziening, objectief, als de goedkoopste adequate
voorziening kan worden aangemerkt;
c. deze in overwegende mate op het individu is gericht,’
en gaat over tot de orde van de dag.
Toelichting:
De term 'langdurig noodzakelijk' perkt de werking van de wet
in en komt in de WMO niet voor. Deze term wordt gebruikt om aanspraken op
compensatie te beperken.
De term 'goedkoopste adequate' is geen omschrijving die
voorkomt in de WMO. Maatstaf voor een voorziening is de mate waarin en hoeverre
een probleem wordt opgelost. Hierbij is de vraag naar goedkoopst adequaat niet
aan de orde.
De term 'in overwegende mate op het individu is gericht'
sluit feitelijk algemene voorzieningen uit. De WMO gaat uit van alleen
individuele voorzieningen.
Mevrouw VAN DER HOEK (VVD): Voorzitter. In twee
commissievergaderingen hebben wij uitvoerig de eerste Delftse WMO-verordening
aan de orde gehad. Aan het einde van de laatste commissievergadering gingen
acht van de tien fracties, waaronder de VVD-fractie, akkoord met de
voorliggende beleidsarme verordening. Ik gebruik bewust de woorden
"eerste" en "beleidsarme" in relatie tot de verordening. In
december wordt immers in de commissie gepraat over de verdere aanpak van de
WMO. Volgend voorjaar wordt in de raad een startnotitie vastgesteld. Er wordt
een vergadering van de commissie Extern belegd waaruit zal blijken hoe elders
de WMO wordt aangepakt. Wij hopen daar ons voordeel mee te doen voor de Delftse
situatie. Het college, de raad en de Delftse burgers gaan dus in de komende
periode bouwen aan een uitvoering van de WMO die past bij Delft. Wij gaan met
zijn allen een boeiend traject tegemoet. Na de nadere toelichting van het
college in de brief van 17 november was het nog wel te verwachten dat een enkel
amendement in de raadsvergadering zou worden ingediend. Ik begrijp echter niet
dat de SP-fractie weer komt met een motie om niet de verordening van de VNG
maar die van de CG-raad als uitgangspunt te gebruiken. Het onderwerp is
uitgebreid in de commissie aan de orde geweest. Acht fracties hebben aangegeven
de VNG-variant te steunen. Waarom wordt deze riedel vanavond herhaald? Waarom
houden wij commissievergaderingen? Die dienen toch als voorbereiding op de
raadsvergadering? Het is toch niet de bedoeling om alles in de raadsvergadering
te herhalen?
Mevrouw VAN ROSSUM (SP): U zegt dat wij dit allemaal
herhalen, maar dit is de eerste keer dat wij hierover praten in een
raadsvergadering. De SP-fractie vindt het belangrijk om direct een zo goed
mogelijke verordening in te voeren. Ik begrijp wel dat u daar in het komende
jaar rustig naar wilt kijken, maar mijn fractie vindt dat het om belangrijke
punten gaat. Zij probeert die vanavond te realiseren. U kunt daarover moeilijk
kwaad worden op mij.
Mevrouw VAN DER HOEK (VVD): Ik word helemaal niet kwaad. U moet
absoluut doen wat u niet kunt laten. Ik dacht echter dat er een soort afspraak
gold dat commissievergaderingen niet worden overgedaan in de raad. In de
commissievergadering tekende zich een grote meerderheid af voor het voorstel.
De VOORZITTER: Ik heb het gevoel dat wij deze discussie
moeten stoppen. Ik begrijp uw betoog, maar als de SP-fractie gebruik wil maken
van een recht van de raad, moet zij dat doen.
Mevrouw VAN DER HOEK (VVD): Dat zei ik ook.
De VOORZITTER: Dan zijn wij het eens.
Mevrouw
DE JONG (CDA): Voorzitter. De CDA-fractie is in een eerdere fase van de
besluitvorming akkoord gaan met een beleidsarme overgangsverordening die tot 31
december 2007 zal gelden. Wij moeten dus veel wensen doorschuiven naar het
volgende jaar. Dat geldt ook voor de meeste amendementen die de SP-fractie
heeft ingediend, hoewel mijn fractie één amendement steunt en mede heeft
ondertekend.
De
CDA-fractie was voor het eerst zeer te spreken over de behandeling van een
voorstel in de commissie WIJZO. Er was echt sprake van een dialoog met de
wethouder. Voorstellen van de verschillende fracties werden serieus behandeld.
Ik dank de wethouder daarvoor. Ik dank hem ook voor de wijzigingen die hij naar
aanleidingen van toezeggingen in de commissie heeft doorgevoerd. Veel van de
moties die ik had voorbereid, hoef ik daarom niet in te dienen. Mijn fractie
stemt in met de manier waarop de contra-indicaties voor het verkrijgen van een
persoonsgebonden budget zijn verwoord, met het schrappen van de algemene
voorziening voor huishoudelijke hulp en met de nieuwe omschrijving van het
begrip “huisgenoot”.
Over
het begrip “zorguitruil” wil de wethouder pas bij de herziening van de
verordening in het volgende jaar beslissen. Hij heeft in de commissie gezegd
dat het daarbij om een politiek besluit gaat waarover de raad zich moet
uitspreken. De CDA-fractie stelt de raad voor om daar toch nu al een uitspraak
over te doen. Ik dien daarover een motie in. De verordening is weliswaar
beleidsarm, maar zorguitruil is in het kader van de AWBZ al mogelijk. Ik ben
het eens met de stelling van de wethouder dat de gemeente daarmee een
financieel risico loopt. Dat risico schijnt maximaal 100.000 euro te bedragen
en is erin gelegen dat enkel de huishoudelijke hulp wordt overgeheveld naar de
gemeente. De persoonlijke verzorging blijft onderdeel van de AWBZ. De
CDA-fractie vindt dat een gemeente als Delft dat financiële risico goed kan
dragen omdat er nog 1,4 miljoen euro is gespaard in die pot. Mijn fractie meent
dat er voldoende geld is om het dit jaar te doen. Volgend jaar blijkt dan of er
meer geld is uit de AWBZ-gelden. Dat is dan vlugger terug te halen. Dit punt is
vooral belangrijk omdat het gaat om mantelzorgers die vaak overbelast dreigen
te raken. Zij zorgen vaak zelf voor hun dierbaren terwijl er wel een indicatie
is. Zij dreigen in de problemen te komen omdat zij daarnaast niet ook nog het
huishouden kunnen doen. Het ondersteunen van de mantelzorgers is de
belangrijkste taak van de gemeente voor het komende jaar. Om die reden wil ik
deze motie aanbevelen.
In
de commissie hebben wij één punt laten liggen omdat wij daar nog niet helemaal
uit waren. Het ging om de pm-post voor de gemeentelijke overhead. De overhead
staat in relatie tot de gelden die uitgekeerd worden aan de burgers. Hoe minder
geld wordt besteed door de gemeente, hoe meer geld beschikbaar is voor de
burgers. Ik verzoek de wethouder om een toezegging dat hij naar de reële
overhead een onderzoek uitvoert en de raad daarover zo spoedig mogelijk
informeert. Wij zijn het er intussen over eens dat de gemeente kosten maakt.
Het CIZ zal niet alleen de indicatiestelling maar ook de zorgtoewijzing
verzorgen. De gemeente wordt echter verantwoordelijk voor de betaling van zorg
aan nieuwe gevallen. De gemeente zal daar kosten voor moeten maken. Mijn
fractie krijgt graag inzicht in de hoogte van die kosten.
Ik
geef tot slot toch nog een reactie op de nul die Delft van de
cliëntenorganisaties heeft gekregen voor de communicatie tot nu toe. Mijn
fractie kan zich indenken dat de wethouder dat een nogal lage score vindt. Het
is echter het andere uiterste dat hij in de krant stelt dat hij een tien
verdient. Hij heeft net als ik lang voor de klas gestaan. Ik weet niet hoe hij
tegen leerlingen aankeek die dergelijke dingen zeiden, maar in de ogen van de CDA-fractie
getuigt dit van weinig realiteitszin bij de wethouder. Hopelijk weet hij de
geslaagde dialoog over deze verordening in de komende tijd vast te houden, want
dat is hard nodig om van deze wet een succes te maken.
De
VOORZITTER: U bent een strenge juffrouw.
Door
de CDA-fractie wordt de volgende motie (M-2) ingediend:
“De
gemeenteraad van Delft, in vergadering bijeen op 30 november 2006,
gehoord
de beraadslaging over de verordening WMO,
overwegende:
- dat het college niet bereid is om het principe van
‘zorguitruil’, zoals dat onder de AWBZ wel mogelijk is, in de verordening op te
nemen;
- dat hieraan louter argumenten van financiële aard ten
grondslag liggen;
voorts
overwegende:
- dat onder een aantal cliënten de behoefte blijft bestaan aan
de mogelijkheid van zorguitruil;
- dat de eventuele financiële risico’s voor de gemeente hier
niet tegenop wegen;
draagt
het college op om in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Delft
het principe van zorguitruil op te nemen,
en
gaat over tot de orde van de dag.”
De
heer DE KONING (Stadsbelangen): Voorzitter. Het is voor de fractie van
Stadsbelangen duidelijk dat deze verordening tijdelijk is. Het jaar 2007 is een
overgangsjaar en de huidige verordening moest “WMO-proof” worden gemaakt. Onze
fractie wil daarom niet te veel sleutelen aan deze verordening. De discussie
zal in 2007 uitvoerig worden gevoerd, in de brede zin van het woord. Daarbij
geldt dat de gemeente een groot financieel risico loopt omdat er nog genoeg
onduidelijkheden zijn. In onze bijdrage zullen wij kort ingaan op de notitie
van het college over het voorliggende raadsvoorstel, op de motie van de
CDA-fractie en op de motie en amendementen van de SP-fractie.
Ik
stel één vraag over de aanvullende notitie van het college met betrekking tot
de second opinion over de indicatiestelling. Ik hoor van de wethouder graag een
nadere toelichting op de bewering dat het niet mogelijk is om bij een second
opinion gebruik te maken van een ander adviesbureau. Vanuit de klant
geredeneerd heeft het CIZ de schijn tegen als bij hetzelfde bureau, al ligt het
in een andere regio, om een second opinion wordt gevraagd.
Wij
steunen niet de motie van de CDA-fractie omdat wij de uitleg van het college
volgen. Deze discussie zullen wij ook in 2007 voeren.
Wij
steunen ook niet de motie van de SP-fractie. De constateringen in die motie
zijn te zwaar aangezet. In 2007 moeten wij nader bezien of de modelverordening
al dan niet leidend moet zijn. Volgens mij heeft de wethouder deze toezegging
ook gedaan in de commissie.
Dan
de amendementen van de SP-fractie. De “kan”-bepaling heeft naar onze mening
dezelfde strekking als “de gemeente biedt”. Overigens is het niet zo’n zwaar
amendement dat ertegen moet worden gestemd.
Wij
gaan niet akkoord met het amendement waarmee wordt beoogd om in het
hoofdverblijf het gebruik van een slaapkamer mogelijk te maken. Wij volgen
hierin de redenering van het college.
Wij
gaan ook niet akkoord met het amendement over artikel 30, de soorten
rolstoelen. Wij kunnen niet instemmen met de toelichting van de SP-fractie op
dit amendement. Volgens de huidige verordening kunnen ook elektrische
rolstoelen worden verstrekt. De term “rolstoel” in het betreffende artikel moet
breed worden geïnterpreteerd. Scootmobielen worden nu ook verstrekt, maar vallen
onder de vervoersvoorziening, met name artikel 35, lid b. Om die reden zijn de
scootmobielen niet terug te vinden onder de rolstoelen. Volgens de huidige
verordening is de verschaffing daarvan inkomensafhankelijk. Het heeft nogal wat
financiële risico’s als deze voorziening ergens anders wordt ondergebracht. Wij
voeren de discussie hierover graag in het kader van de brede WMO-discussie in
2007.
Voor
een reactie op het amendement over het compensatiebeginsel wachten wij de
reactie van het college af.
Het
amendement over de aantoonbare beperkingen vinden wij ingewikkeld. Met de
redenering in dat amendement begeven wij ons op een hellend vlak. Vooralsnog
zijn wij van mening dat de beperkingen medisch moeten worden aangetoond. Wij
wachten echter de reactie van het college af.
Wij
stemmen tegen het amendement waarmee wordt beoogd om een artikel 7 toe te
voegen. Met de huidige verordening is het mogelijk om een individuele
voorziening aan te vragen. Als uit het onderzoek blijkt dat een collectieve
voorziening de beste oplossing is, kiezen wij daarvoor. Als uit het onderzoek
blijkt dat een individuele voorziening de beste oplossing is, wordt daarvoor
gekozen. Met lid 2 van artikel 7 wordt een vrijbrief afgegeven. Wie bepaalt of
door een individuele voorziening een betere maatschappelijke participatie
mogelijk is en of de zelfredzaamheid wordt vergroot? Dat is een eindeloze
discussie.
Het
amendement waarmee wordt beoogd om a, b en c te schrappen, zullen wij niet
steunen. Als de term “langdurig” – volgens ons is dat meer dan zes maanden –
wordt geschrapt, is het mogelijk dat voor elke verzwikte enkel een voorziening
wordt aangevraagd.
Mevrouw
DE JONG (CDA): Het gaat om huishoudelijke verzorging. De wethouder heeft in de
commissie gezegd dat die voorwaarde van “langdurig” niet geldt voor de
huishoudelijke verzorging.
De
heer DE KONING (Stadsbelangen): Toch blijf ik bij mijn standpunt.
Mevrouw
DE JONG (CDA): Wij horen ook graag van de wethouder of het nodig is om dit in
een amendement te gieten. Tot nu toe ben ik het eens met alles wat u zegt.
De
heer DE KONING (Stadsbelangen): Dank u wel.
Mevrouw
DE JONG (CDA): Nou ja, op één punt na.
De
heer DE KONING (Stadsbelangen): De toelichting op “goedkoopst adequaat”
onderschrijven wij niet. Wij vinden het te kort door de bocht om te stellen
“als het probleem maar wordt opgelost”. Als een goede voorziening kan worden
verstrekt voor €400 en de klant een soortgelijke voorziening van €1400 wil,
kiezen wij voor de goedkoopst adequate.
Het
amendement over het toevoegen van een lid 7 aan artikel 37 kunnen wij op zich
wel steunen, maar wij wachten toch eerst de reactie van het college af.
De
heer GULDEMOND (STIP): Voorzitter. In de krant zijn diverse cijfers uitgereikt
voor het WMO-beleid van Delft, variërend van nul tot tien. STIP ziet graag dat
pas met cijfers wordt gegooid als er zicht is op de echte uitvoering van de
WMO. Hopelijk kunnen tegen die tijd unaniem tienen worden uitgedeeld. Voor een
soepele invoering van de WMO is goede communicatie onmisbaar. Omdat alle taken
bij de gemeente komen te liggen, ligt het voor de hand dat de gemeente de regie
voert. Het verbaast mijn fractie dan ook dat vandaag nog in de lokale media
voorlichting van het Rijk over de WMO verscheen. Een meer prominente plaats
voor de Delftse WMO-website lijkt mij gepast. Op deze site ziet mijn fractie
graag een organogram van de verschillende organisaties die betrokken zijn bij
de WMO, zoals het zorgkantoor, het CIZ, de gemeente et cetera. Dit is in de
commissie overigens al toegezegd door de wethouder.
Over
de verordening zelf is in de commissie al uitgebreid gediscussieerd. Ik heb nog
twee punten openstaan. Ik kan de redenering van mevrouw De Jong over de
zorguitruil volgen. Voor STIP zijn maatwerk en keuzevrijheid erg belangrijk.
Het blijven aanbieden van zorguitruil is bovendien mogelijk in een beleidsarme
overgang. Ik ben dan ook benieuwd naar de reactie van de wethouder.
STIP
is ook benieuwd naar de mogelijkheden van een second opinion bij een andere
organisatie dan het CIZ, waar de heer De Koning op wees. Een second opinion is
een belangrijk middel om tot een optimale indicatie te komen. Dat kan met name
van belang zijn bij gevallen waarbij de beperking lastig is aan te tonen. Ik
denk dan aan klachten als gevolg van psychosomatische problematiek. Een second
opinion door een ander CIZ-kantoor vindt plaats op basis van dezelfde
procedures als de first opinion door het CIZ. In hoeverre is in dit verband
sprake van een waardetoevoegende second opinion? Ik hoor hierop graag de
reactie van de wethouder.
De
heer WITSENBOER (GroenLinks): Voorzitter. Ik sluit mij in heel grote lijnen aan
bij het verhaal van mevrouw Van der Hoek van de VVD-fractie. De verordening is
in de commissie ruimschoots aan bod geweest. Toch ligt er een grote stapel
amendementen voor van de SP-fractie. Daaruit blijkt een grote betrokkenheid bij
de versterking van de cliëntenpositie in de WMO. De GroenLinks-fractie vindt
ook dat cliënten en belangenorganisaties een belangrijke rol moeten spelen in
het opstellen en vaststellen van een zo sociaal mogelijk WMO-beleid in Delft.
Door de gedetailleerde amendementen is mijn fractie aan het werk gezet. De
verordening is weer eens doorgespit en nader bekeken op wat beter zou kunnen.
Mijn fractie meent echter dat het nu te laat is – of te vroeg; het is maar hoe
je het bekijkt – om heel gedetailleerd de tijdelijke overgangsverordening voor
2007 te veranderen of aan te vullen.
Mevrouw
VAN ROSSUM (SP): Dit is het moment waarop de verordening wordt vastgesteld.
Waarom zou dit niet het moment zijn om wijzigingen aan te brengen?
De
heer WITSENBOER (GroenLinks): Ik maak graag mijn verhaal af, want dan krijgt u
vanzelf antwoord.
Wij
hebben het over een tijdelijke overgangsverordening voor 2007. De discussie
over een goed WMO-beleid vanaf 2008 volgt nog. Het is volgens mijn fractie goed
om behoedzaam en beleidsarm over te stappen van WVG en AWBZ naar WMO, op basis
van de bestaande regelingen en zonder grote veranderingen te introduceren voor
de huidige gebruikers van voorzieningen. In de discussie die ons te wachten
staat, moeten meer belangen worden afgewogen dan alleen die van de cliënten. De
financiële consequenties voor de gemeente zijn nog vrij onduidelijk en daarmee
ook de betaalbaarheid van de voorzieningen die wij misschien allemaal graag
mogelijk willen maken. Daar zijn risico’s aan verbonden. Volgend jaar kunnen
wij op basis van de eerste ervaringen samen met cliënten, instellingen en
organisaties vormgeven aan een nieuw WMO-beleid. Dat kan heel sociaal worden.
Mijn fractie steunt daarom niet de amendementen en de motie van de SP-fractie.
Leefbaar
Delft is voornemens om een motie in te dienen. Wij hebben de tekst daarvan
gezien en die klinkt sympathiek. Wij vragen ons wel af of het mogelijk is om
een ander bureau een second opinion te laten verrichten.
De
heer STOOP (Leefbaar Delft): Wij dienen geen motie in maar een amendement.
De
heer WITSENBOER (GroenLinks): Ik zie hier “motie” staan, maar goed. Het
voorstel is in elk geval sympathiek en ik vraag de wethouder of het mogelijk
is.
Mevrouw
VAN ROSSUM (SP): Mevrouw Halsema noemt de SP conservatief, maar ik vind dat in
deze raad GroenLinks conservatief handelt. De enige reden om geen steun te
geven aan de amendementen van de SP-fractie is dat u bepaalde dingen niet weet.
Als wij het college nu opdragen om iets te doen, zoekt het dat wel uit. Ik zie
het probleem dus niet.
De
heer WITSENBOER (GroenLinks): De uitdaging is om volgend jaar samen aan een
heel goede verordening te gaan werken.
Ik
ga graag nog in op de motie van de CDA-fractie. Er lijkt geen wettelijk kader
te zijn voor de uitruil in de WMO. Om die reden is daar ook niet toe overgegaan
in andere gemeenten. Ook mijn fractie vraagt zich echter af of er nog andere
mogelijkheden zijn. Is het mogelijk om afspraken te maken met een zorgkantoor,
respijtzorg in te voeren en de zorg tijdelijk over te laten nemen door
vrijwilligers zodat mantelzorgers ontlast worden of om huishoudelijke zorg in
te voeren via de WMO? Hoeveel mensen maken op dit moment gebruik van een
uitruilregeling? Wat zijn de financiële risico’s daarvan voor de gemeente?
Mevrouw
THOOLEN (PvdA): Voorzitter. Wij zijn in de commissie akkoord gegaan met de
beleidsarme verordening. Om in schooltermen te spreken: wij gaan allen
voorwaardelijk over met de taak om volgend jaar een inspirerende discussie te
voeren en te komen tot een heel mooie Delftse verordening.
Wij
zijn tegen de amendementen van de SP-fractie omdat wij graag beleidsarm willen
overgaan. Wij hanteren daarbij het principe dat middelen op objectiveerbare
gronden moeten worden ingezet, op basis van gelijke berechtiging. Het is lastig
om op basis van onduidelijke indicaties zorg toe te wijzen.
De
strekking van het amendement van de SP-fractie over een vervoersvoorziening ten
behoeve van het bevorderen van de maatschappelijke deelname is sympathiek, maar
de financiële gevolgen hiervan zijn onmogelijk in te schatten. Wij zijn
benieuwd naar de reactie van de wethouder hierop.
Het
zou inderdaad consequent zijn om in een beleidsarme invoering het punt van de
zorguitruil op te nemen. Ook hiervan zijn de financiële risico’s voor de
gemeente echter onbekend. Wij horen daarover graag de mening van de wethouder.
De
heer STOOP (Leefbaar Delft): Voorzitter. Er is al veel gezegd. Er is ook al
veel gepraat over de WMO. Ik ga niet over de cijfertjes praten. In de commissie
is al veel emotie getoond, tot aan een arrestatie toe die ik mij kan
herinneren. Uit de discussie is in elk geval gekomen dat 2007 een overgangsjaar
is. Ik heb in de commissie aangegeven dat ik een voorstel zou doen met
betrekking tot de second opinion. In de verordening staat dat het CIZ het
alleenrecht krijgt bij de indicatiestelling. Dat zou ook gelden voor een
mogelijke second opinion. Wij vinden het niet juist dat een organisatie een
eerdere, zelf aangegeven indicatie moet heroverwegen. Het lijkt mij lastig om
het niet eens te zijn met de indicatie van een collega. Met ons amendement
wordt beoogd, een second opinion te laten verrichten door een geheel
onafhankelijke partij. Dit houdt mede in dat de cliënt zelf mag meebeslissen
over waar een second opinion plaatsvindt, zoals gebruikelijk is in de
zorgsector. Ook op de website van het CIZ staat dat een cliënt dat zelf mag
bepalen. De cliënt krijgt zelfs nog tips voor waar hij eventueel een second
opinion kan laten uitvoeren. In alle eerlijkheid ga ik ervan uit dat de
meerderheid van de raad hierin meegaat. Het is niet meer dan logisch dat de
burger zelf ook nog iets mag zeggen. Als artikel 47 vervalt, heeft het CIZ ook
niet meer het alleenrecht op de first opinion. Het is het beleid in Delft,
waarvoor de wethouder waarschijnlijk gekozen heeft, om de aanbesteding van de
second opinion aan het CIZ te geven. Hij had amendementen daarover dus kunnen
verwachten.
De
VOORZITTER: Door de fractie van Leefbaar Delft wordt het volgende amendement
(A-9) ingediend:
“De
gemeenteraad van Delft, in vergadering bijeen op 30 november 2006, besluit
onder vernummering van de artikelen 48 tot en met 57, artikel 47 te laten
vervallen,
en
gaat over tot de orde van de dag.
Toelichting:
In
de verordening staat dat het CIZ het alleenrecht krijgt voor de
indicatiestelling. Dit geldt dan ook voor een mogelijke second opinion. Het is
niet juist dat een organisatie een zelf eerder gegeven indicatie moet
heroverwegen. Dit amendement beoogt een second opinion te laten verrichten door
een geheel onafhankelijke partij. Dit houdt mede in dat de cliënt zelf mee mag
beslissen waar een second opinion plaatsvindt, zoals gebruikelijk is in overige
zorgsectoren.”
Wethouder
RENSEN: Voorzitter. Ik dacht niet dat ik die overvloed aan warme woorden van
mevrouw De Jong nog eens zou meemaken. Het voelde als een tien; misschien wordt
het dus nog wat met ons. Voordat ik aan de reactie op de opmerkingen en het
behandelen van de ingediende wijzigingsvoorstellen begin, vermeld ik kort de
uitreiking van het erratum. Dat is een onschuldig stukje papier. Als
wijzigingen worden aangebracht in het ene artikel; dan moet er verderop ook wel
eens wat gebeuren. Dat had wellicht in het oorspronkelijke gewijzigde voorstel
moeten worden gedaan, maar dat was te machtig. Ik verontschuldig mij daarvoor.
Het
college stelt voor om de WMO in 2007 beleidsarm in te voeren. Ten eerste worden
daarmee invoeringsrestricties voorkomen waarvan mensen in de stad last zouden
kunnen hebben. Wij hebben dat in het verleden meegemaakt met de invoering van
de WVG en het RIO. Wij wilden dat in dit geval voorkomen. Ten tweede krijgen
wij hiermee de kans om een uitvoerige beleidsdiscussie met elkaar te voeren.
Ten derde zijn wij niet helemaal zeker van onze financiële positie.
Ik
raak hiermee aan de ingediende wijzigingsvoorstellen. Veel van die voorstellen
hebben financiële gevolgen. In geen van de voorstellen is een concrete dekking
opgenomen. De gemeente Delft is in het nadeel op het punt van het budget voor
hulp bij huishouden. Het budget voor 2007 is een stuk kleiner dan de
productieafspraken die onder de AWBZ in 2006 met zorgaanbieders zijn gemaakt
door het zorgkantoor. Verder is het uitvoeringsbudget zeer krap bemeten. Wij
schatten in dat wij ongeveer vier keer meer nodig hebben dan van rijkswege
wordt verschaft. Alles bij elkaar moeten wij dus zeer behoedzaam omspringen met
de WMO-financiën in dit stadium. Wij moeten de beleidsdiscussie voeren binnen
een behoorlijk opgesteld financieel kader. Op basis van dat financiële inzicht
kunnen keuzes worden gemaakt en zaken tegen elkaar kunnen worden afgewogen. Op
dit moment is het daarvoor te vroeg.
Ik
maak een algemene opmerking in de richting van de SP-fractie. Ik heb niet
gezegd dat ik de verordening van de CG-raad beter vind. Ik heb geconstateerd
dat het karakter daarvan verschilt van de modelverordening van de VNG. Daarbij
heb ik aangegeven dat het goed is om beide gedachtelijnen in de discussie in
2007 aan de orde te laten komen. Ik heb geen voorkeur voor de ene of andere
verordening uitgesproken.
Mevrouw
VAN ROSSUM (SP): Dat heb ik ook niet gezegd. Het college heeft gezegd dat de
verordening van de CG-raad meer WMO-gericht is en daar beter bij past. Ik heb
niet gezegd dat u die beter vindt.
Wethouder
RENSEN: Dat is een betere verwoording.
Ik
kom op de verschillende wijzigingsvoorstellen en de moties. De heer De Koning
heeft een uitstekende reactie gegeven en ik zal omwille van de tijd proberen om
mijn woorden met de zijne te combineren. In motie M-1 wordt een uitspraak
gedaan over de modelverordening. Volgens mij is daar voldoende over gezegd. Als
nu wordt gekozen voor een andere verordening, ontstaat het risico dat in 2007
tegen allerlei invoeringsproblemen wordt aangelopen waar de mensen in de stad
veel last kunnen krijgen. Het college raadt het aannemen van de motie daarom
af.
Motie
M-2 betreft de zorguitruil. De mensen die op grond van de huidige indicatie
gebruikmaken van een zorguitruilconstructie en geen herindicatie aanvragen,
kunnen in 2007 gebruik blijven maken van de zorguitruil. Dat maakt deel uit van
het overgangsrecht AWBZ-WMO. De kosten van een en ander worden niet duidelijk
uit de registraties van het zorgkantoor en het CIZ. Ik kan echter een
rekenvoorbeeld geven. Als een gemiddelde klant wil overstappen van persoonlijke
verzorging AWBZ naar huishoudelijke verzorging 2, kost dat jaarlijks bruto
ongeveer 2200 euro. Als iemand een eigen bijdrage betaalt van 450 euro per
jaar, is de gemeente netto 1750 euro kwijt aan de verstrekking huishoudelijke
verzorging 2. Op jaarbasis kosten 50 klanten dus ongeveer 100.000 euro.
Overigens is dat een bedrag dat dan bespaard wordt op de AWBZ. Dat geeft een
extra merkwaardig tintje aan dit verhaal. Dit rekenvoorbeeld is niet
onrealistisch. Het college meent daarom dat dit financiële risico nu niet moet
worden gelopen, temeer daar mensen met een bestaande zorguitruilconstructie in
2007 geen gevolgen ondervinden van de gewijzigde situatie.
Mevrouw
DE JONG (CDA): Bent u het er wel mee eens dat op 1 januari 2008 een
herberekening wordt gemaakt aan de hand van de reële cijfers van gemeenten? Als
u het punt nu wel opneemt, kan op dat moment meer geld worden gekregen tot in
de lengte van jaren.
Wethouder RENSEN: Je zou kunnen zeggen dat het Rijk beschikt
over financiering vanwege de besparing op de AWBZ. Dat is een zodanige
macro-redenering dat die lijkt op te lossen in het totale landelijke verdelen.
Ik denk dus niet dat dat zoden aan de dijk zet.
Ik stap over naar de amendementen. Van amendement A1 heeft
de heer De Koning al gezegd dat dat feitelijk een vrijbrief is om je te
beroepen op verbetering van je maatschappelijke participatie om je te kunnen
vrijwaren van het primaat van bepaalde voorzieningen, bijvoorbeeld een
verhuisplicht of het gebruikmaken van collectief vervoer. Je kunt altijd
beredeneren dat je, als je geen gebruik hoeft te maken van een collectieve
voorziening, op basis van een individuele voorziening in jouw situatie beter
uit bent. Ik denk dat iedereen die redenering kan maken. Dat betekent dat je de
collectieve voorziening financieel ernstig uitholt. Daarom raadt het college de
aanneming van dit amendement af.
Mevrouw VAN ROSSUM (SP): Dat begrijp ik niet helemaal. U
doet alsof het dan meteen voor iedereen toegestaan zou zijn, maar wij bedoelen
met dit amendement dat er gevallen kunnen ontstaan waarin mensen wel ernstig
beperkt worden en dat voor die gevallen een uitzondering moet worden gemaakt.
Daarom staat er ook “uitzondering” in het amendement. Wij bedoelen niet dat
iedereen dat moet kunnen aanvragen. Wij hebben al een aantal voorbeelden
gegeven. Volgens mij begrijpt u best wat wij met het amendement bedoelen.
Wethouder RENSEN: Dan moet ik iets preciezer zijn ten
aanzien van punt 1. Zowel bij de verhuisplicht, waar een primaat op rust, als
bij het collectieve vervoer bestaan al uitzonderingsgronden die in de
dagelijkse praktijk worden toegepast als men zich kan beroepen op de
uitzonderingsclausule die in de verordening en het verstrekkingenboek is
opgenomen. Bij het niet toepassen van de verhuisplicht gaat het bijvoorbeeld om
een situatie waarin mensen kunnen laten zien dat zij juist in de omgeving waar
zij wonen, in sterke mate zijn aangewezen op het netwerk dat zij daar hebben en
dat het verlies van dat netwerk hen in een zodanige positie brengt dat wij als
gemeente dat primaat op dat ogenblik niet toepassen. Die uitzonderingsregeling
bestaat dus al. Ik heb er zojuist op gewezen dat met een algemene toepassing
van de redenering over een betere maatschappelijke participatie onze
collectieve voorzieningen en primaten echt op de glijbaan gaan. Dat kun je
overwegen, maar ik vind dat je dat niet nu moet doen. Dat moet dan worden
besproken in een bredere discussie op grond van een goede analyse van de
financiële gevolgen.
Amendement A2 gaat over het mogelijk maken van logeren. Het
staande beleid is dat wij bereid zijn om woningen bezoekbaar te maken. Als je
zou besluiten om ook logeren mogelijk te maken, realiseer je in feite een
tweede hoofdverblijf voor een cliënt naast een ander hoofdverblijf, intramuraal
of in een aangepaste woning, elders in de stad. Je zult dan niet alleen de
slaapkamer moeten aanpassen, maar er bijvoorbeeld ook rekening mee moeten
houden dat je op de eerste etage kunt komen. Je zult dus ook iets met de trap
moeten doen en je zult ook het sanitair op de eerste etage moeten aanpassen.
Dat betekent bijvoorbeeld dat je de douche of het bad zult moeten aanpassen.
Wij spreken dan dus over een behoorlijke tot grote woningaanpassing. Bij het
mogelijke bereik van een dergelijke voorziening gaat het om nogal wat mensen in
de stad. Met andere woorden: het gaat in beginsel om een vrij dure
woningaanpassing, met een potentieel grote doelgroep. Ook daarvoor geldt dat
je, als je dat zou willen, dat moet beoordelen in een breder kader. Daar valt vanuit
de WMO-optiek best iets voor te zeggen, maar het college raadt af om dat
vanavond in het kader van deze verordening te doen, want daar hangen grote
financiële gevolgen aan.
Amendement A3 gaat over de kan-bepaling over “in
natura”-verstrekkingen, financiële tegemoetkomingen en persoonsgebonden budget.
De SP-fractie stelt voor om de aanvrager over de hele breedte van de
verordening altijd de gelegenheid te geven om voor één van die drie te kiezen.
De keuze tussen verstrekking in natura en verstrekking in het kader van een pgb
wordt door de verordening nu al breed mogelijk gemaakt. Die keuze is er dus
altijd, behoudens bijvoorbeeld de uitsluitingsgronden die wij nu alsnog in de
verordening hebben opgenomen; dat is eigenlijk een andere kwestie. Als je de
financiële tegemoetkoming aan hetzelfde rijtje toevoegt, komen we met
lastigheden te zitten. Daarom raadt het college af om dit amendement aan te
nemen. Ik zal een voorbeeld geven van die lastigheden, maar er zijn door het
hele verstrekkingenboek heen behoorlijk wat voorbeelden te geven. De
verhuiskostenvergoeding is een forfaitaire vergoeding en dus gewoon een bedrag
dat de gemeente verstrekt. Als je zegt dat men naast die financiële
tegemoetkoming ook kan kiezen voor een verstrekking in natura – dat is nu niet
mogelijk – laat je de gemeente regelen dat er verhuist wordt. Dat betekent
financieel en organisatorisch nogal wat. Als je dat doet in de vorm van een
pgb, moet de cliënt – in plaats van zich niet te hoeven verantwoorden bij een
forfaitair verdrag – op basis van het verstrekken van dat pgb precies
verantwoorden waaraan de middelen zijn verstrekt. Van dit soort voorbeelden
zijn er meer. Het is dus gewoon niet altijd handig om te kunnen kiezen tussen
die drie mogelijkheden. Ik teken daarbij aan dat het wel altijd mogelijk is om
te kiezen tussen pgb en “in natura”-verstrekking. Ik denk dat dat in dit
stadium even voldoende moet zijn, want anders moeten wij het hele
verstrekkingenboek doorzoeken naar voor- en nadelen van het kunnen kiezen
tussen die drie mogelijkheden. Het college raadt de aanneming van dit
amendement dus af.
Amendement A4 gaat over het compensatiebeginsel. Ik vind dat
nu een ontijdig amendement. De discussie over het compensatiebeginsel en de
wens om allerlei beperkingen om deel te kunnen nemen aan het maatschappelijk
leven, te compenseren, is immers in hoge mate de kern van de beleidsdiscussie
die wij eind 2006 of het eerste deel van 2007 met elkaar gaan voeren. Dat
betekent dat je dit niet nu al moet vast timmeren op bepaalde termen, maar moet
openhouden om dat echt te kunnen invullen in die discussie. Dat staat nog los
van het feit dat het nu aannemen van dit amendement inhoudelijk geen
toegevoegde waarde zou hebben in de verordening, want het doet verder niets.
Amendement A5 gaat over het vervoer, concreet over een
uitzonderingssituatie op het punt van bovenregionaal contact. Die
uitzonderingssituatie bestaat al voor mensen die niet in staat zijn om gebruik
te maken van busjesvervoer. Het aannemen van dit amendement zou er echter toe leiden
dat de gemeente ook in de plaats gaat treden van het Valys-systeem en daarmee
feitelijk gaat betalen aan een bovenregionaal systeem dat al geregeld en
betaald is. Dat raadt het college absoluut af.
Mevrouw DE JONG (CDA): Waarom kan dat dan wel om dreigende
vereenzaming te voorkomen? Wordt het dan geen concurrent van het Valys-systeem?
Wethouder RENSEN: Als mensen wegens lichamelijke of
geestelijke beperkingen niet met het busjes- en treinensysteem van Valys kunnen
rijden terwijl zij daar wel gebruik van zouden moeten maken, dreigt
vereenzaming als hun familie buiten de regio woont. Zolang zij dat wel kunnen,
is er geen reden om in de plaats te treden van het Valys-systeem.
Amendement A6 gaat over de aantoonbare beperkingen. Op dat
punt volg ik kortheidshalve de argumentatie van de heer De Koning. Ook over
amendement A7 heeft de heer De Koning al een prima toelichting gegeven.
“Rolstoelen” mag inderdaad breed worden gelezen, want naast elektrische
rolstoelen kennen wij ook de rolstoelen met hulpmotor, de verblijfsrolstoel en
de transportrolstoel. Het zou te ver voeren om die allemaal apart op te nemen
in de verordening. “Rolstoel” mag dus algemeen worden gelezen. De SP-fractie
heeft de scootmobiel op de verkeerde plek in de verordening gezocht, want die
staat onder de vervoervoorzieningen.
Het enige punt dat ik moet toelichten bij amendement A8, is
dat kortdurende hulp bij huishouden wel degelijk kan. Dat is ook geregeld in de
verordening. Daar hoeft men zich dus geen zorgen over te maken. Over “goedkoopst
adequate” heb ik in de commissie al voldoende gezegd.
Tot slot het punt van de second opinion in het amendement
van de heer Stoop. Wat is er op dat punt aan de hand? Wij hebben het CIZ het
alleenrecht gegeven op het stellen van de indicatie. Door het verstrekken van
dat alleenrecht hebben wij kunnen voorkomen dat wij moesten aanbesteden voor de
klus van de indicatiestelling. Als wij daarvan af zouden stappen – wij hebben
overigens al stappen gezet, want het college heeft het CIZ het alleenrecht al een
tijdje geleden verstrekt – komen wij feitelijk in problemen met het
aanbestedingsrecht en zouden wij moeten gaan nadenken over hoe dat dan weer
moet. Daar ziet het college erg tegenop.
De heer STOOP (Leefbaar Delft): Wat voor problemen ziet u
dan ontstaan? Ik ken organisaties die goed werk verrichten en waarvoor ook een
aanbestedingsbeleid geldt, bijvoorbeeld Werkplan.
Wethouder RENSEN: Het betreft hier een bijzondere situatie.
Het is mogelijk gemaakt dat gemeenten op deze manier, door middel van het uitgeven
van een alleenrecht, een aanbestedingsprocedure voor het stellen van indicaties
voorkomen.
De heer STOOP (Leefbaar Delft): Daar doe je de burger toch
mee tekort? De burger heeft toch het recht om zelf te bepalen waar hij een
second opinion vraagt? U doet de burger gewoon tekort!
Wethouder RENSEN: Dat ben ik niet met u eens. Ik moet even
terug naar de wordingsgeschiedenis van het CIZ. Eigenlijk moeten wij beginnen
bij het RIO, dat later het CIZ is geworden. Dat is opgericht om in het land een
vakkundige en onafhankelijke indicatiestelling te hebben. Het CIZ heeft op geen
enkele manier belang bij budgetten van gemeenten of zorgkantoren, heeft geen
enkele binding met zorgaanbieders en kan op een volstrekt onafhankelijke wijze
en bovendien integraal over het hele pakket van zorg en voorzieningen in het
belang van de cliënt de indicatie vaststellen. Ik bestrijd dus dat de cliënt
tekort wordt gedaan als de gemeente het alleenrecht op de indicatiestelling
overdraagt aan het CIZ. Dat is gewoon een goede club.
De heer STOOP (Leefbaar Delft): Wij hebben natuurlijk al
vaak gediscussieerd over de positie van mensen met een handicap. Wij moeten
niet vergeten dat zij vaak emotioneel reageren omdat zij niet begrepen worden.
Ik leef mij een beetje in de situatie van de cliënt in. Als de cliënt een
eerste indicatiestelling krijgt waarmee hij het niet eens is – dat kan al heel
ingrijpend zijn in iemands leven – en dan alleen weer bij het CIZ een second
opinion kan krijgen, denkt de cliënt natuurlijk: die persoon van het CIZ gaat
toch niet zeggen dat zijn collega bij het CIZ het niet goed heeft gedaan? Ik
wil de schijn weghalen.
Wethouder RENSEN: Ik vind dit toch een miskenning van de
positie van het CIZ. Medewerkers van het CIZ Leiden, waar second opinions
worden gedaan voor het CIZ Delft, hebben er echt op geen enkele manier belang
bij om hoe dan ook te trachten om hun collega’s van een andere vestiging te
volgen. Daarnaast is het stellen van een indicatie strikt gebonden aan het
indicatieprotocol en het hebben van bepaalde informatie. Het is dus ook niet zo
makkelijk om te verzinnen hoe de indicatiestelling in een second opinion door
een andere organisatie zou kunnen plaatsvinden. Dat is moeilijk voorstelbaar.
Het CIZ is dus een onafhankelijke organisatie. In het belang van de cliënt en
in het kader van het goed overeind houden van onze keten, zeker in 2007, heeft
het college gemeend om dat alleenrecht te moeten afgeven.
De heer DE KONING (Stadsbelangen): Ik wil de heer Stoop op
dit punt toch steunen. Ik heb hem in de eerste termijn horen zeggen dat die
mogelijkheid op de website van het CIZ wordt geboden. Ik vraag de wethouder dus
om daarop in te gaan. Ik kan mij voorstellen dat dit het CIZ bij de reguliere
indicaties is gegund – dat lijkt mij in dit voorbeeld logisch – maar bij een
second opinion, waarbij het op jaarbasis gaat om vijf of zes gevallen, kan ik
mij voorstellen dat elders een second opinion wordt gevraagd. Ook bij een
ziekenhuis is er, als je het niet helemaal vertrouwt, de mogelijkheid om bij
een ander ziekenhuis een second opinion te vragen. Volgens mij is er geen
enkele aanbieder die heel erg moeilijk gaat doen over de twee of drie gevallen
op jaarbasis waarin een second opinion wordt gevraagd. Ik heb daar ook in mijn
eigen praktijk nog nooit problemen mee ondervonden.
Wethouder RENSEN: Dit punt is ook in de commissie aan de
orde geweest. U moet echt een verschil maken tussen enerzijds het stellen van
een medische diagnose en het vragen van een second opinion van een andere
medicus – daarbij gaat het om een professionele inschatting van het probleem
waarmee een patiënt te maken kan hebben – en anderzijds het werk dat in de
CIZ’en plaatsvindt. Dat laatste is een volstrekt geprotocolleerd proces,
waarbij niet dezelfde inschattingsruimte bestaat als bij het stellen van een
medische diagnose. Dat maakt het geweldig ingewikkeld om voor deze second
opinion te gaan buurten bij andere organisaties. Dat vergt een heel speciale
infrastructuur en werkwijze.
De VOORZITTER: Ik stel voor dat wij de tweede termijn heel kort
houden, want ik denk dat de politieke punten wel zijn gemaakt.
Mevrouw VAN ROSSUM (SP): Voorzitter. Ik wil graag een
schorsing van een paar minuten om met mijn fractie te overleggen.
De vergadering wordt van 21.30 uur tot 21.35 uur geschorst.
Mevrouw VAN ROSSUM (SP): Voorzitter. Het moet mij even van
het hart dat ik het jammer vind dat ik er blijkbaar niemand van heb kunnen
overtuigen dat wij vanavond in deze verordening een hoop verbeteringen kunnen
aanbrengen, maar ik kijk ernaar uit om in de commissie Extern over de
verordening van volgend jaar te gaan praten.
Ik heb een paar opmerkingen over amendementen die volgens
mij niet helemaal goed begrepen zijn. Bij amendement A3 had de wethouder het
over drie keuzes, maar in dat amendement is alleen een voorbeeld van een
artikel opgenomen. Het gaat over het bieden van een keuze en niet zozeer over
de drie keuzes die er staan; dat zijn dus alleen voorbeelden. Dat staat er ook
boven.
Met amendement A5 willen wij die zin toevoegen omdat die
voorziening zichzelf ook ten doel moet stellen om de deelname aan het
maatschappelijk verkeer te bevorderen. Daarmee wordt het gewoon wat
ambitieuzer. Volgens mij heeft dat dus geen effect op allerlei dienstregelingen
van busjes en zo.
Amendement A6 gaat over de aantoonbare beperkingen. Dan heb
ik het niet over aantoonbare medische beperkingen, maar over aantoonbare
beperkingen van de maatschappelijke participatie. Ons probleem met de huidige
formulering is vooral: hoe maak je dat aantoonbaar? Je hebt er geen bonnetje van
als je maatschappelijk ergens niet meer aan kunt meedoen. Daarom willen wij dat
eruit hebben. Het gaat er gewoon om dat mensen op dat punt beperkt worden. Hoe
zij dat precies aantonen, is niet aan de orde. Dat kan ook nu niet volledig
worden getoetst en dat zal nooit kunnen. Vandaar dat amendement.
Tot slot de voorstellen van andere fracties. De motie van de
CDA-fractie over zorguitruil steunen wij. Wij kunnen ons goed voorstellen dat
iemand die bijvoorbeeld mantelzorg heeft, de persoonlijke verzorging liever
door die mantelzorger laat doen en die dus wil inruilen voor de huishoudelijke
verzorging. Dat moet ook komend jaar kunnen. Ook het amendement van Leefbaar
Delft steunen wij. Het slaat nergens op om ook de second opinion door het CIZ
te laten doen, al was het maar om het simpele feit dat het dan geen second
opinion is maar een “second first opinion”. Wij steunen dat amendement dus van
harte.
Mevrouw VAN DER HOEK (VVD): Voorzitter. Ik zal mijn tweede
termijn alleen gebruiken om te reageren op de ingediende moties en
amendementen. De motie en amendementen van de SP-fractie zullen wij niet
steunen. Zij zijn te vroeg. Wij gaan over een aantal zaken nog praten. Zij zijn
overbodig, slordig of financieel ondoorzichtig. Wij zullen die dus niet
steunen.
Het amendement van de fractie van Leefbaar Delft klinkt
buitengewoon sympathiek, maar gelet op de uitleg van de wethouder en op het
feit dat het hierbij niet gaat om een medische diagnose die opnieuw zou moeten
worden bezien, zullen wij dat amendement niet steunen.
Gelet op de mogelijke financiële consequenties, zullen wij
ook de motie van de CDA-fractie niet steunen.
Mevrouw DE JONG (CDA): Voorzitter. De CDA-fractie denkt iets
anders over de grootte van bepaalde risico’s en over het feit dat je dit jaar
wat risico’s moet lopen om volgend jaar meer geld binnen te krijgen en om dit
jaar ervaring op te doen. Wij handhaven dus onze motie over de zorguitruil.
Wij zitten met het probleem dat ik niet alert genoeg ben
geweest om de wethouder te vragen om alsnog te reageren op mijn verzoek om iets
toe te zeggen over de overhead.
Wethouder RENSEN: Mag ik dat direct goedmaken? Dat was
immers inderdaad een vraag in de eerste termijn. Er komt binnenkort een
financieel overzicht van de uitvoeringskosten van de WMO.
Mevrouw DE JONG (CDA): Dat is mooi. Dan hoef ik daar geen
motie over in te dienen.
Wij zullen het amendement van de fractie van Leefbaar Delft
over de second opinion steunen. Wij willen daar dit jaar graag ervaring mee
opdoen. Alles waarvan wij dit jaar weten hoe het werkt, kunnen wij volgend jaar
goed verwerken in de definitieve verordening. Dat geldt ook voor de motie die
wij samen met de SP-fractie hebben ondertekend. Daarin wordt ervoor gepleit om
het vervoer niet alleen mogelijk te maken om dreigende vereenzaming tegen te
gaan maar ook om maatschappelijk te kunnen functioneren. Dat zijn de twee
criteria in de wet, maar op dit ogenblik zijn er zulke stringente beperkingen
dat erg veel mensen in problemen komen. Een heleboel zaken willen wij graag
naar de volgende verordening doorschuiven, maar met een aantal zaken willen wij
nu al ervaring opdoen om de volgende verordening beter te kunnen maken en om de
financiële gevolgen beter te kunnen inschatten.
De heer DE KONING (Stadsbelangen): Voorzitter. Ik had aangegeven
dat ik bij een x-aantal amendementen van de SP-fractie nog een slag om de arm
hield, maar na de uitleg van de wethouder kan ik aangeven dat wij geen enkel
amendement zullen steunen. Het amendement van de fractie van Leefbaar Delft
zullen wij wel steunen. Volgens mij is het wel mogelijk om dat amendement uit
te voeren. Ik ga dat zelf nog uitzoeken en daar kom ik op een ander moment op
terug.
De heer GULDEMOND (STIP): Voorzitter. Wat de motie en de
amendementen van de SP-fractie betreft, kunnen wij de redenering van de
wethouder volgen. Wij zijn er ook door meerdere mensen van overtuigd om niet
voor die motie en amendementen te stemmen.
Ook ten aanzien van het amendement van de fractie van
Leefbaar Delft over de second opinion heeft de wethouder ons kunnen overtuigen.
Bovendien hebben wij in de schorsing kort contact gehad met een
ervaringsdeskundige op dit gebied, zodat wij even over het functioneren van het
CIZ en de verschillende afdelingen hebben kunnen praten. Dat sterkt ons om dit
amendement niet te steunen.
Dan kom ik bij de motie van de CDA-fractie over de
zorguitruil. Wij volgen de redenering van mevrouw De Jong nog steeds. Bij de
STIP-fractie is het uitgangspunt altijd geweest dat deze verordening beleidsarm
zou ingaan. De wethouder zegt dat de mensen die voorheen gebruik konden maken
van de zorguitruil – dat vinden wij belangrijk – dat nog steeds kunnen blijven
doen, maar dat dat niet mogelijk is voor mensen die dat na het ingaan van deze
verordening alsnog willen doen. Wat ons betreft, is de verordening dan niet
beleidsarm, maar beleidsarmer. Wij zullen de motie van de CDA-fractie daarom
steunen.
Ongeacht de uitslag van de stemming over die motie geeft
STIP een positief advies over de verordening. Toch willen wij zeggen dat dit
pas het begin is. Wij zijn zeer benieuwd naar de startnotitie over de WMO,
waarin inhoudelijk invulling wordt gegeven aan de negen prestatievelden. Wij
verwachten ook veel van de commissie Extern, waarin de participatie centraal
staat. Graag zouden wij vanaf nu meer ingaan op de uitwerking van de WMO voor
cliënten in plaats van op deze voornamelijk technische discussie over de
verordening.
De heer WITSENBOER (GroenLinks): Voorzitter. Na het verhaal
van de wethouder gaan wij met geen van de ingediende amendementen en moties
akkoord. Wij zeggen: nu aan de slag voor een goed beleid vanaf 2008!
Mevrouw THOOLEN (PvdA): Voorzitter. De motie en amendementen
van de SP-fractie zullen wij niet steunen. Wij vinden de antwoorden van de
wethouder afdoende; wij waren daar ook op basis van onze eigen beoordeling in
eerste termijn al niet voor.
Wat de second opinion betreft: wij denken dat het CIZ een
professionele onafhankelijke organisatie is die ook de mogelijkheid biedt om
bezwaar aan te tekenen dan wel in beroep te gaan. Wij gaan ervan uit dat het
CIZ ook een klachtenprocedure heeft. Daar hebben wij dus vertrouwen in.
De heer MEULEMAN (Stadsbelangen): Volgens mij gaat de
discussie niet over de vraag of die organisatie onafhankelijk is. Het gaat om
het gezichtspunt van de klant, die het belangrijk vindt om door een
onafhankelijke partij opnieuw te worden gezien en niet door de partij die de
eerste beoordeling heeft gedaan. Het is helemaal niet in het geding of de
organisatie wel of niet onafhankelijk is, wel of niet te vertrouwen is of wel
of geen slecht werk levert. Het gaat om het gezichtspunt van de klant.
Mevrouw THOOLEN (PvdA): In sommige gevallen moeten klanten
er misschien genoegen mee nemen dat er een interne procedure is bij een
organisatie. Daar wil ik het op dit punt bij laten.
Wat de zorguitruil betreft: wij vinden die motie nog steeds
heel sympathiek, maar zien daarvoor geen dekking. Wij zullen dus tegen die
motie stemmen.
De heer STOOP (Leefbaar Delft): Dan wil ik wel eens van de
PvdA weten wat zij ervan vindt dat op de website van het CIZ staat dat iedere
cliënt recht heeft op een second opinion van een onafhankelijke arts. Dit is
puur Delfts beleid. In de eerste ronde heb ik niemand van de collegepartijen
gehoord, maar ik had niet anders verwacht. Dat maakt niet uit, maar op de
website van het CIZ staat letterlijk dat iedere cliënt bij het CIZ recht heeft
op een second opinion van een onafhankelijke arts. Het gaat niet om de vraag of
het CIZ een goede organisatie is. Zoals de heer Meuleman al zei: het gaat om
het recht van de cliënt. Daar praten wij over.
Mevrouw THOOLEN (PvdA): Het antwoord van de wethouder hield
een bepaalde juridische formulering in. Als het contract met het CIZ inhoudt
dat het CIZ zelf zegt dat het kan, kan ik daar geen bezwaar tegen hebben. Het
gaat mij om de afspraken die gemaakt zijn met het CIZ.
De heer STOOP (Leefbaar Delft): Wij praten nu over een
verordening waarin staat dat het CIZ ook de second opinion doet, omdat er
anders aanbesteed moet worden. Dat is vanwege Delfts beleid dat het college
zelf heeft gemaakt. Dat is het verhaal.
Mevrouw THOOLEN (PvdA): Ja, dat heb ik gehoord.
Mevrouw DE JONG (CDA): Ik wil iets zeggen over de dekking
van onze motie. Wij hebben in de begroting in de afgelopen jaren 1,4 miljoen
euro gespaard die wij hebben toegevoegd aan een speciale WMO-reserve. Die
reserve is er om zulke risico’s dit jaar te bekostigen. De bedoeling is dat je
dat volgend jaar bij het Rijk kunt terugvragen. Wat dat betreft, ben ik het dus
niet met de PvdA-fractie eens dat er hiervoor geen dekking zou zijn.
Mevrouw THOOLEN (PvdA): Misschien is er dan wel een dekking
hiervoor, maar wij weten absoluut niet welke risico’s wij allemaal nog gaan
lopen. Ik houd dus graag een reserve achter de hand voor zaken die wij nog niet
kunnen voorzien.
Mevrouw DE JONG (CDA): Ik snap niet hoe het mogelijk is dat
u wel een risico van 500 miljoen euro wilt lopen voor een treintunnel en op dit
punt geen risico van 100.000 euro wilt lopen.
Mevrouw THOOLEN (PvdA): Ik ga niet over de treintunnel.
De VOORZITTER: Nou, die is vandaag niet aan de orde; zullen
wij het daarop houden?
De heer STOOP (Leefbaar Delft): Voorzitter. Ik haak aan bij
de aanvullende notitie. Het amendement is trouwens eerder deze week al door de
griffie naar de partijen gestuurd. Als de STIP-fractie dan tijdens de
gemeenteraadsvergadering nog even met een ervaringsdeskundige in overleg gaat
om tot de conclusie te moeten komen dat zij tegen het amendement is, vraag ik
mij af waarom zij dat de afgelopen week niet heeft gedaan. In plaats daarvan stelt
zij loze vragen aan zichzelf; maar goed, dat is haar probleem.
Het is mij opgevallen dat in eerste termijn niemand van de
collegepartijen het woord heeft gevoerd. Ik wist ook al van tevoren dat men
tegen ons amendement zou gaan stemmen. Waar praten wij over? Wij praten over
een second opinion en men praat over geld, maar in dezelfde notitie staat dat
het volgend jaar hoogstwaarschijnlijk om vijf mensen gaat. Het maakt mij
overigens niet uit of het er vijf of honderd zijn, want iedereen heeft rechten.
Waarschijnlijk is het landelijk zelfs in de wet vastgelegd dat je recht hebt op
een second opinion van een onafhankelijke arts. Morgen krijg ik daar
uitsluitsel over. Daarom ben ik blij dat de heer De Koning dit in ieder geval
serieus neemt. Het lijkt echter wel alsof alleen de oppositie zulke dingen
serieus neemt en dat de collegepartijen niet beseffen wat zij mensen aandoen
als de second opinion bij dezelfde organisatie moet plaatsvinden. Ik zie er nu
weer eentje van de PvdA lachen alsof hij wil zeggen: je kletst maar. Het gaat
mij alleen om het weghalen van de schijn. Wij komen hier waarschijnlijk nog op
terug, want gelukkig gaat ook de heer De Koning dit uitzoeken. Ik sta er dus
niet alleen voor. Ook de fracties van het CDA en de SP hebben mij gesteund, waarvoor
mijn dank.
Mevrouw VAN ROSSUM (SP): Voorzitter. Mag ik tussendoor nog
een opmerking maken?
De VOORZITTER: Vooruit.
Mevrouw VAN ROSSUM (SP): Ik vergat in mijn tweede termijn te
melden dat wij amendement A7 intrekken omdat de rolstoel inderdaad op de
verkeerde plek stond. Dat amendement is dus overbodig.
De VOORZITTER: Aangezien amendement A7 is ingetrokken, maakt
het geen onderdeel van de beraadslaging meer uit.
Wethouder RENSEN: Voorzitter. Volgens mij stond de rolstoel
op de goede plek, maar stond het amendement op de verkeerde plaats.
Mevrouw VAN ROSSUM (SP): Ja, het was iets in die richting.
Wethouder RENSEN: Ik hoef niet veel reacties te geven.
Amendement A3 geeft alleen een voorbeeld, maar dat neemt niet weg dat bij het
aannemen van dat amendement de verordening op die wijze wordt gewijzigd. Dat
vind ik om de eerder genoemde redenen bezwaarlijk.
Met betrekking tot amendement A5 zegt mevrouw Van Rossum dat
zij op dat punt ambitieuzer wil zijn. Dat sluit aan bij mijn stelling dat dit
amendement nieuwe extra ruimte veroorzaakt. Ik denk niet dat dat bij deze
voorziening op deze wijze handig is, maar als mevrouw Van Rossum haar ambities
kwijt wil, moet dat gewoon gebeuren in het kader van de beleidsdiscussie. Dan
kunnen wij de effecten en financiële gevolgen ook keurig netjes tegen andere
gevolgen afwegen.
Wat amendement A6 betreft: in een indicatiestellingprocedure
kan wel degelijk heel goed worden beoordeeld hoe stevig het sociale netwerk van
mensen is. Ook op dat punt is aantoonbaarheid wel degelijk aan de orde en die
kan ook in een bezwaarprocedure getoetst worden.
De second opinion kan naar mijn oordeel niet door een arts
worden gegeven, tenzij die arts exact hetzelfde is toegerust als een
indicatiesteller van het CIZ, met alles erop en eraan. Je hebt geen vrije
beweegruimte om op basis van een heel andere professionaliteit tot een ander
indicatieoordeel te komen. Dat kan gewoon niet.
De heer STOOP (Leefbaar Delft): Hoe komt u aan die wijsheid?
Is er onderzocht of er geen andere organisatie is die dezelfde
indicatiestelling kan doen als het CIZ? Dan wil ik wel eens op papier zien dat
er werkelijk geen andere onafhankelijke arts is die een second opinion kan
geven.
Wethouder RENSEN: Misschien is het misverstand dat u denkt
dat de indicatiesteller een arts is, maar dat is niet het geval. De mensen die
bij het CIZ werken, hebben een ander vak. Zij raadplegen artsen voor een
deskundige beoordeling van medische aspecten in een kwestie, maar de
indicatiestellers zijn geen artsen. Omdat ik heel goed snap waarom u dit
amendement indient, wil ik nog een keer bekijken hoe het juridisch exact ligt
met het wel of niet kunnen stellen van een second opinion. Ik zal dat melden in
de eerstkomende vergadering van de commissie WIJZO. Dan weet u dat in ieder geval
zeker.
De VOORZITTER: De stemmingen beginnen met de amendementen.
Mevrouw VAN ROSSUM (SP): Voorzitter. Onze motie is
verstrekkender. Moet dan niet eerst daarover worden gestemd?
De VOORZITTER: Ik kijk even naar het presidium. Wij hebben
de gewoonte dat wij eerst over de amendementen stemmen en daarna over de
moties, maar wij gaan vandaag voor de verstrekkendheid.
De heer DE KONING (Stadsbelangen): Voorzitter. Ik heb een
punt van orde over het amendement van de fractie van Leefbaar Delft. Houdt zij
na de toezegging van de wethouder dat amendement in de lucht? De wethouder
heeft immers aangegeven dat hij dit voor de volgende commissievergadering
uitzoekt.
De VOORZITTER: Mijnheer Stoop, trekt u het amendement in of
handhaaft u het?
De heer STOOP (Leefbaar Delft): Ik trek het amendement niet
in.
De VOORZITTER: Dat dacht ik al.
De heer STOOP (Leefbaar Delft): Ik houd het amendement
gewoon aan, want ik ben reuze benieuwd. Men heeft mij immers andere dingen
verteld dan waar de wethouder nu mee komt.
In stemming komt motie M1.
De motie wordt bij handopsteken verworpen.
De VOORZITTER: Ik constateer dat de fracties van de SP en
Leefbaar Delft voor deze motie hebben gestemd.
In stemming komt amendement A1.
Het amendement wordt bij handopsteken verworpen.
De VOORZITTER: Ik constateer dat de fracties van de SP en
Leefbaar Delft voor dit amendement hebben gestemd.
In stemming komt amendement A2.
Het amendement wordt bij handopsteken verworpen.
De VOORZITTER: Ik constateer dat de fracties van de SP en Leefbaar
Delft voor dit amendement hebben gestemd.
In stemming komt amendement A3.
Het amendement wordt bij handopsteken verworpen.
De VOORZITTER: Ik constateer dat de fracties van de SP en
Leefbaar Delft voor dit amendement hebben gestemd.
In stemming komt amendement A4.
Het amendement wordt bij handopsteken verworpen.
De VOORZITTER: Ik constateer dat de fracties van de SP en
Leefbaar Delft voor dit amendement hebben gestemd.
In stemming komt amendement A5.
Het amendement wordt bij handopsteken verworpen.
De VOORZITTER: Ik constateer dat de fracties van de SP, het
CDA en Leefbaar Delft voor dit amendement hebben gestemd.
In stemming komt amendement A6.
Het amendement wordt bij handopsteken verworpen.
De VOORZITTER: Ik constateer dat de fracties van de SP en
Leefbaar Delft voor dit amendement hebben gestemd.
In stemming komt amendement A8.
Het amendement wordt bij handopsteken verworpen.
De VOORZITTER: Ik constateer dat de fracties van de SP en
Leefbaar Delft voor dit amendement hebben gestemd.
In stemming komt amendement A9.
Het amendement wordt bij handopsteken verworpen.
De VOORZITTER: Ik constateer dat de fracties van Leefbaar
Delft, de SP, het CDA en Stadsbelangen voor dit amendement hebben gestemd.
In stemming komt motie M2.
De motie wordt bij handopsteken verworpen.
De VOORZITTER: Ik constateer dat de fracties van het CDA, de
SP, Leefbaar Delft en STIP voor deze motie hebben gestemd.
In stemming komt het voorstel.
Het voorstel wordt bij handopsteken aangenomen.
De VOORZITTER: Ik constateer dat de fracties van de SP en
Leefbaar Delft tegen het voorstel hebben gestemd.
318. Voorstel inzake uitvoering gesubsidieerd werk 2007.
(Stuk 215
– 20141162)
De heer STOOP (Leefbaar Delft): Voorzitter. Ik heb namens
Leefbaar Delft in de commissie al aangegeven dat wij helemaal niet tegen
aanbesteding zijn, maar dat wij een jaar gewoon te kort vinden voor
aanbesteding. Voordat een organisatie als aanbesteder op gang is, loop je het
risico dat er het volgende jaar een andere aanbesteder komt die goedkoper is,
zodat je het werk weer kwijt raakt. De wethouder zegt wel dat hij voor
kwaliteit gaat, maar dat is niet altijd zo. Leefbaar Delft gaf immers al het
voorbeeld van het gesubsidieerde werk: wij weten dat Werkplan de expertise en
het netwerk heeft, terwijl Combiplan volgens ons het wiel opnieuw moet gaan
uitvinden. Wij lopen dan ook het risico dat wij om de haverklap met een andere
aanbieder te maken krijgen en dat de cliënten daardoor door de bomen het bos
niet meer zien. In de nota staat ook dat spanningsvelden kunnen ontstaan tussen
de twee aanbieders, Combiwerk en Werkplan, want beide organisaties zijn
potentiële aanbieders van het product gesubsidieerd werk. Dat is voor ons reden
om tegen deze nota te gaan stemmen. Wij hebben bijvoorbeeld ook al slechte
ervaringen met de Regiotaxi en er staat niet klip en klaar wat er gaat gebeuren
als blijkt dat de aanbieder niet aan zijn opdracht voldoet of zijn werk niet
naar behoren doet. Wij zullen dus in ieder geval tegen de nota stemmen. Ons
hoofditem is dat wij de aanbesteding van een jaar gewoon te kort vinden. Wij
hadden liever gezien dat de aanbesteding voor vier jaar had gegolden, zodat je
in het gesubsidieerde werk continuïteit kunt bieden en zodat net als bij de WMO
een overgangsjaar was gecreëerd. Dan zou, als er een andere aanbieder komt, een
degelijke overdracht mogelijk zijn en daar zou dan geld voor beschikbaar
gesteld moeten worden.
Mevrouw DEKKER (SP): Voorzitter. Hoewel verzelfstandigd
heeft Werkplan wel ervaring en expertise opgedaan. Ik sluit mij dus aan bij de
heer Stoop. Er wordt van ons gevraagd om in te stemmen met een
aanbestedingsprocedure die nog ingevuld moet worden. Gelet op eerdere
ervaringen met aanbestedingsprocedures heb ik daar niet heel veel vertrouwen
in. Nog los van onze inhoudelijke bezwaren tegen aanbesteding van dit soort
organisaties kunnen wij ook daarom niet akkoord gaan met dit voorstel.
De heer VAN DOEVEREN (CDA): Voorzitter. Wij hebben in de
commissie al betoogd dat dit punt eigenlijk niet in de raad thuishoort, omdat
er een hoop uitwerking in zit van de interne organisatie van de gemeente. Dat
vinden wij primair een verantwoordelijkheid van het college. Als zaken
uiteindelijk niet goed gaan, zullen wij het college daarop aanspreken. Het is
bij de raad terechtgekomen omdat er ook een aanbestedingsprocedure in zit, want
wij hadden afgesproken dat de raad – althans de commissie – over die procedure
zou meedenken. Wij vinden het verloop van deze procedure geen voorbeeld van hoe
het zou moeten, maar ik heb begrepen dat dit de dag na het aannemen van de
motie is ingebracht. Wat ons betreft, is dit echter zeker niet de norm voor de
toekomstige behandeling van aanbestedingsprocedures.
Wethouder BOLTEN: Voorzitter. De heer Van Doeveren heeft
groot gelijk: zulke stukken zouden wij eigenlijk niet naar de raad willen
sturen. Het stuk is gemaakt op de dag dat de algemene beschouwingen afgesloten
werden met een motie waarin gevraagd werd om aanbestedingen over politiek
gevoelige onderwerpen via de commissie te laten lopen. Dat hebben wij toen
meteen besloten, omdat wij wisten dat in ieder geval een paar partijen over dit
soort onderwerpen graag het woord zouden voeren. Die kans hebben wij die
partijen willen geven, maar een volgend stuk dat eventueel politiek gevoelig is
en verband houdt met aanbestedingen, wordt op een andere manier voorbereid.
Mevrouw DEKKER (SP): Volgens mij ging die motie vooral over
de inhoud van de aanbestedingsprocedure. Nu hebben wij een stuk van drie
pagina’s gekregen waarin staat dat de aanbestedingsprocedure nog verder wordt
ingevuld. Ik ben erg blij dat de wethouder gevolg heeft willen geven aan de
motie, maar volgens mij is dit niet waar de motie om vroeg.
Wethouder BOLTEN: Dat weet ik en dat is ook uitgebreid
besproken in de commissie. Daar was uw fractie bij. Ik had gehoopt dat dat naar
u teruggekoppeld zou zijn, maar dat is kennelijk niet het geval.
Mevrouw DEKKER (SP): Dit is, na mevrouw Van der Hoek, al de
tweede keer dat er verwezen wordt naar de commissie. Volgens mij worden hier
beslissingen genomen, wordt hier gestemd en worden gedachten hier, weliswaar
korter dan in de commissie, nog eens uitgewisseld. Als ik die vraag nog eens
wil stellen voor de Handelingen en voor de historie, moet ik daar de
gelegenheid voor krijgen. Ik vind het prima dat u over dingen in de commissie
besluit, maar wij doen dat hier in de raad.
De VOORZITTER: Volgens mij moeten wij ook dit punt maar eens
bespreken in het presidium en in het overleg van de fractievoorzitters. Over
het algemeen is het in de raad en in de algemene bestuurlijke praktijk
gebruikelijk om te proberen om de commissiebehandeling niet over te doen. Dat
laat onverlet dat u de politieke punten eruit moet halen en hier naar voren
moet brengen. Daarover is af en toe wel eens een verschil van inzicht. Mag ik
het zo formuleren?
Mevrouw DEKKER (SP): Ik heb het heel kort gehouden. Volgens
mij heb ik vijf zinnen uitgesproken. De wethouder kan dus niet zeggen dat ik
hier de hele commissiebehandeling over zit te doen. Ik wilde inderdaad onze
punten gewoon nog even aanstippen.
Wethouder BOLTEN: Dat heb ik ook niet gezegd en dat zou ik
ook niet willen zeggen.
Wij hebben de mogelijkheid om de aanbesteding te verlengen
tot een maximum van vier jaar. Elk jaar willen wij dus bekijken of wij het
verlengen. Als het goed gaat, zullen wij het verlengen. Wij mogen niet
“niet-aanbesteden”. Wij moeten voor 2007 aanbesteden en wij willen zeker weten
dat het werk kwalitatief goed ingevuld wordt. Daarom hebben wij dat jaar juist
ingebouwd om ervoor te zorgen dat degene die de aanbesteding wint, het werk
goed doet.
De heer STOOP (Leefbaar Delft): U zegt dat het verlengd kan
worden tot vier jaar. Dat had ik niet gelezen, maar het is goed dat dat zo is.
Dan blijft er echter de vraag hoe het college daarmee omgaat. In de commissie hebt
u gezegd dat men op de aanbesteding kan reageren, maar als je weet dat een
organisatie zoals Werkplan goed werkt en expertise in huis heeft, kun je de
aanbesteding dan niet ontwijken, net zoals bij de vorige casus over het CIZ?
Als je het niet hoeft aan te besteden, weet je immers zeker dat er continuïteit
is.
Wethouder BOLTEN: De ellende is dat wij van Europa moeten
aanbesteden. Wij kunnen dus niet anders, maar door een uitnodiging aan Werkplan
om in te schrijven op de aanbesteding proberen wij wel om de bestaande
kwaliteit in ieder geval niet verloren te laten gaan. Dat staat ook in het
stuk. Het is echter een openbare aanbesteding. Ook andere organisaties hebben
dus het recht om in te schrijven. In de commissie zijn ook een aantal kaders
meegegeven die in het bestek opgenomen zouden kunnen worden, bijvoorbeeld het
behoud van de kennis van het Delftse netwerk, de contacten met werkgevers en
een aantal andere dingen die een willekeurig re-integratiebedrijf uit Groningen
waarschijnlijk niet kan inbrengen, terwijl bedrijven in Delft dat wel kunnen.
Als op grond van de eisen en wensen een re-integratiebureau het werk krijgt, is
overigens nog niet gegarandeerd dat dat bureau alle klanten krijgt. Wij hebben
in de aanbesteding niet opgenomen hoeveel klanten het bedrijf krijgt. Ook dat
is het inbouwen van een kwaliteitstoets. Als het goed gaat, krijgt het bedrijf
er veel; als het slecht gaat, houden wij ermee op en kunnen wij opnieuw gaan
aanbesteden. Wij proberen dus echt om de kwaliteit voorop te stellen. Wij gaan
er ook van uit dat het om mensenwerk gaat en wij geven de mensen die op dit
moment via Werkplan aan het werk zijn, de garantie dat zij bij de jaarwisseling
niet ineens op straat staan.
De VOORZITTER: Ik constateer dat er geen behoefte bestaat
aan een tweede termijn.
In stemming komt het voorstel.
Het voorstel wordt bij handopsteken aangenomen.
De VOORZITTER: Ik constateer dat de fracties van Leefbaar
Delft en de SP tegen het voorstel hebben gestemd.
319. Voorstel tot vaststelling van de update van de Algemene
Plaatselijke Verordening voor Delft.
(Stuk 199
– 30153711)
De heer SIPKEMA (SP): Voorzitter. Ik wil er twee punten
uitlichten, ten eerste de gebiedsontzegging. De update van de APV voegt een
artikel toe dat de mogelijkheid biedt om aan iemand een gebiedsontzegging op te
leggen. Ik heb in de commissie al aangegeven dat ik daar niet principieel tegen
ben, zeker omdat de gebiedsontzegging pas bij herhaaldelijke overtreding wordt
opgelegd. Ik wil echter goed onderbouwd zien waarom dit artikel nodig is. Welke
problemen zijn er nu die naar verwachting met dat nieuwe artikel kunnen worden
opgelost? Die onderbouwing krijg ik niet. De burgemeester geeft aan dat het
artikel vooralsnog niet gebruikt gaat worden. Het artikel is met name bedoeld
om overloop van problemen vanuit Den Haag en Rotterdam te voorkomen. Dat is
voor mij op zich geen reden om dan maar de APV van Den Haag over te nemen. Er
zijn ook wel degelijk nadelen van dit artikel te bedenken en daar wordt wel
heel makkelijk aan voorbij gegaan.
In de commissie heb ik ook aangegeven dat ik graag in de
verordening opgenomen zou zien dat, als iemand in het gebied woont of daar een
hulpverleningsinstantie bezoekt, daar rekening mee gehouden zou moeten worden.
Daar kan volgens mij niemand tegen zijn. Daar dien ik een amendement over in.
Het tweede punt is de overlast van fietsen of bromfietsen.
In de APV maakt artikel 5.1.6 het mogelijk dat in aangewezen gebieden fietsen
worden verwijderd die niet in fietsenrekken staan. Toen voor het eerst een
artikel van deze strekking aan de APV werd toegevoegd, is toegezegd dat eerst
voor voldoende stallingmogelijkheden zou worden gezorgd. De gemeente maakt nu
van dit artikel gebruik om het plaatsen van fietsen naast de rekken te
verbieden op plaatsen waar volstrekt onvoldoende fietsparkeerplaatsen aanwezig
zijn. Ik wil die mogelijkheid daarom uit de APV halen. Ook daarvoor dien ik een
amendement in. Het is maar zeer de vraag of een dergelijk artikel überhaupt
nodig zou zijn als er wel voldoende fietsenrekken zouden zijn.
De VOORZITTER: Door de SP-fractie worden de volgende
amendementen (A-10 en A-11) ingediend:
A-10
“De raad van de gemeente Delft, in vergadering bijeen op 30
november 2006,
besluit:
in het voorstel ‘Update van de Algemene Plaatselijke
Verordening voor Delft’, stuk 199 I, bij wijziging nummer 7 toe te voegen
artikel 2.1.24, lid 5 met de tekst ‘De burgemeester houdt bij zijn beslissing
rekening met eventuele zwaarwegende belangen die betrokkene kan hebben bij
aanwezigheid in het gebied, zoals het aldaar wonen, werken of
hulpverleningsinstantie bezoeken',
en gaat over tot de orde van de dag.”
A-11
“De raad van de gemeente Delft, in vergadering bijeen op 30
november 2006,
besluit:
in het voorstel ‘Update van de Algemene Plaatselijke
Verordening voor Delft’, stuk 199 I, een nieuwe wijziging toe te voegen met de
tekst ‘Artikel 5.1.6, lid 1 en 2 komen te vervallen',
en gaat over tot de orde van de dag.
Toelichting: Er is, toen voor het eerst een artikel van deze
strekking aan de APV werd toegevoegd, toegezegd dat er eerst voor voldoende
stallingmogelijkheden zou worden gezorgd. De gemeente maakt nu van dit artikel
gebruik om het plaatsen van fietsen naast de rekken te verbieden op plaatsen
waar volstrekt onvoldoende fietsparkeerplaatsen aanwezig zijn.”
Mevrouw NORBRUIS (GroenLinks): Voorzitter. Na de vergadering
van de commissie Wijk, Verkeer en Beheer hebben wij het artikel over de
gebiedsontzegging nog even teruggenomen en nader besproken. Wij staan niet
achter de huidige formulering, omdat die betekent dat de burgemeester de
politie mandaat kan geven om personen de toegang tot een bepaald gebied te
ontzeggen. Wij vinden dat alleen de burgemeester die bevoegdheid moet hebben.
In de commissie gaf de burgemeester aan dat dit in de praktijk niet werkbaar
is. Aangezien dit instrument een allerlaatste redmiddel is, zoals in de
toelichting staat, denken wij dat dat wel zal meevallen. Wij zouden dus heel
graag willen dat er komt te staan dat de burgemeester de bevoegdheid heeft om
de toegang tot het gebied te ontzeggen. Om die reden dienen wij een amendement
in.
De VOORZITTER: Door de fractie van GroenLinks wordt het
volgende amendement (A-12) ingediend:
“De raad van de gemeente Delft, in vergadering bijeen op 30
november 2006,
besluit in de Algemene Plaatselijke Verordening voor Delft,
artikel 2.1.24, lid 1,
‘nadat door of namens de burgemeester hem een daartoe
strekkend bevel is gegeven,’
te wijzigen in:
‘nadat door de burgemeester hem een daartoe strekkend bevel
is gegeven,’
en artikel 2.1.24, lid 3 en 4,
‘dient zich terstond na bevel van of namens de burgemeester
uit dat gebied te verwijderen …’
te wijzigen in:
‘dient zich terstond na bevel van de burgemeester uit dat
gebied te verwijderen …’,
en gaat over tot de orde van de dag.
Toelichting: In de huidige formulering kan de burgemeester
de politie het mandaat over de bevoegdheid geven en dat vindt de fractie van
GroenLinks onwenselijk. GroenLinks vindt dat gebiedsontzegging alleen een
bevoegdheid van de burgemeester is.”
De heer VOKURKA (D66): Voorzitter. Op het punt van de
gebiedsontzegging volg ik de heer Sipkema wel een beetje. Wij hebben het in de
fractie ook nog even besproken. Mijn partij is niet voor overbodige
regelgeving. U kunt het niet heel helder uitleggen. U legt het wel een beetje
uit. Wij willen u graag het voordeel van de twijfel geven, maar willen graag
nog even de toezegging dat u dit gaat evalueren en dat u daar bij ons op
terugkomt.
De heer VAN TONGEREN (CDA): Voorzitter. Ik heb een opmerking
over de voorgenomen wijziging van artikel 4.1.7 over uitbreiding van het aantal
incidentele evenementen van maximaal acht naar maximaal twaalf. Wij vinden het
verstandig dat eerst met de stad wordt besproken wat men daarvan vindt. Wij
willen nog wel even bekijken of dat kan betekenen dat de uitkomst ook een
andere kan zijn dan het in het collegeprogramma genoemde aantal van twaalf; dat
is eigenlijk meer een vraag aan de collegepartijen in brede zin. Wat ons
betreft, moet een andere uitkomst ook mogelijk zijn.
Mevrouw VAN EMPEL (STIP): Voorzitter. Hoewel STIP graag had
gezien dat de horecagelegenheden in de binnenstad een verruiming hadden
gekregen van het aantal liveoptredens van acht naar twaalf per jaar, vinden wij
het goed om dat nog even uit te stellen totdat het nieuwe evenementenbeleid
voorligt. Wij wachten dat dan ook even af.
Wij zouden ook graag zien dat er een overleg komt met de
bewonersvereniging in de binnenstad. Verder wachten wij de reactie van het
college nog even af.
De heer VAN LEEUWEN (VVD): Voorzitter. De VVD-fractie is
blij dat het artikel 4.1.7 over de kennisgeving van incidentele festiviteiten
voorlopig geschrapt is uit de update van de APV. Het verhogen van acht naar
twaalf festiviteiten in de binnenstad moet eerst in de commissie besproken
worden. Ook de scheiding tussen professionele horeca en de paracommerciële
horeca in de sportkantines willen wij eerst in de commissie bespreken.
Wat artikel 2.1.24 over de gebiedsontzegging betreft: het
lijkt ons moeilijk om handhavend op te treden. Hoe wil het college erop toezien
dat de uit het gebied verwijderde persoon of personen zich houden aan de
gebiedsontzegging? En wat gebeurt er als dezelfde persoon zich na de vierde
overtreding weer misdraagt in hetzelfde of in een ander gebied? Dat lijkt ons
een beetje moeilijk te handhaven.
De heer DE PREZ (PvdA): Voorzitter. Ik sluit mij aan bij de
vraagtekens van de VVD-fractie bij de handhaafbaarheid van de
gebiedsontzegging. Daar hebben ook wij in de commissie opmerkingen over
gemaakt.
Ik wil heel kort ingaan op het punt van de evenementen. Ik
heb zelf niet de indruk dat de mensen tegen uitbreiding van het aantal
evenementen zijn, maar dat zij vooral problemen hebben met de geluidsoverlast
die dat oplevert. Mijn fractie breekt graag een lans voor een effectief
handhavingsbeleid, zodat mensen die last hebben van evenementen, ergens
terechtkunnen met hun klachten en zodat daar dan ook tegen opgetreden kan
worden.
De VOORZITTER: Als portefeuillehouder veiligheid zal ik
reageren. Er zijn enkele onderwerpen benoemd. Ik begin met de uitbreiding van
de ontheffing voor festiviteiten. Met name mevrouw Van Empel heeft daar in haar
maidenspeech indringend over gesproken. Dat noopt dus sowieso tot een reactie.
In de commissie is nadrukkelijk gebleken dat de uitbreiding politiek en maatschappelijk
iets beter moet worden voorbereid. Ik stel voor dat wij daar ruim de
gelegenheid voor nemen. Ik heb voorgesteld om dat te betrekken bij het
evenementenbeleid en bij het overige beleid met betrekking tot de binnenstad.
Ik zal verder niet ingaan op de argumenten die in dat kader zijn genoemd. Er
zijn natuurlijk mensen die ervoor zijn en er zijn natuurlijk mensen die ertegen
zijn. Laat dat dus maar afgewogen worden in een bredere discussie met
betrekking tot het evenementenbeleid in de stad. Ik zeg daar vanaf deze plaats
nogmaals bij dat wij de komende jaren flink aan de slag gaan met de handhaving
van de geluidsoverlast door buitenevenementen. Dat aspect zal dus zijn plek
krijgen wanneer wij hier verder over gaan spreken. Wordt dus vervolgd in 2007.
De heer Sipkema heeft een lans
gebroken voor het uit de APV halen van de bepaling dat bij overlast van fietsen
de fietsen verwijderd kunnen worden. Dat staat niet in het voorstel en het is
ook niet ter sprake gekomen in de commissie. Ik zie op dit moment geen redenen
om het voorstel van de heer Sipkema te volgen. Ik denk dat het instrument goed
gebruikt kan worden om daar waar die overlast er is, handhavend te kunnen
optreden. Daar is behoefte aan, want dit soort gevallen doet zich voor. Ik zie
dus geen aanleiding om dit er nu uit te halen.
De
heer SIPKEMA (SP): Er zouden natuurlijk ook fietsenstallingen neergezet kunnen
worden. Daarmee wordt overlast ook voorkomen. De overlast wordt veroorzaakt
door mensen die hun fiets graag kwijt willen.
De
VOORZITTER: Wij zijn ook hard bezig met het uitvoering geven aan het
fietsenstallingbeleid. Wethouder Koning kan u daarover in de desbetreffende
commissie uitgebreid informeren. In dit kader is er naar mijn mening geen reden
om de bepaling te schrappen.
Een
aantal fracties heeft gesproken over de gebiedsontzegging. In de commissie is
daar uitgebreid over gesproken en in de stukken is ook uitgebreid gemotiveerd
waarom het instrument wordt ingevoerd. Ik heb daar zelf over gesproken en ik
verwijs naar de stukken. Ik merk nog wel op dat er behoefte is aan een extra
instrument voor de handhaving van de openbare orde, als er in een bepaalde wijk
of buurt te veel overlast voorkomt en de normale trajecten niet voldoen. Veel
steden zijn ons voorgegaan in het gebruik van dit middel, dat met de grootste
zorgvuldigheid moet worden toegepast. Ik heb dat ook gezegd: het is het laatste
middel omdat iemand uit zijn normale doen en laten wordt gehaald. Dat is geen
gering middel, maar het is soms geboden om rust te creëren in een wijk of
buurt. De ervaringen in andere steden leren dat dit goed werkt en dat daar met
tevredenheid naar wordt gekeken. Om die reden willen wij het in Delft graag
gebruiken.
Aan
dit instrument is een lange procedure verbonden. Eerst moet bij besluit een
gebied worden aangewezen. Ik wil daar de raad zeker bij betrekken. Als dat
gebied is aangewezen, kan de volgende stap worden gezet in de toepassing en de
handhaving. Daarmee moet op een buitengemeen zorgvuldige manier worden
omgegaan. Ook daarvoor geldt vervolgens een procedure. Politieagenten die in
een aangewezen gebied aan het werk zijn en op een geval stuiten, kunnen op
basis van de openbare orde constateren dat het instrument moet worden ingezet.
Ik stel mij voor dat de burgemeester daarover wordt geïnformeerd. Vaak komen
dergelijke gebeurtenissen niet uit de lucht vallen en is van tevoren al meer
bekend over de desbetreffende persoon. In bestuurlijke zin beslist echter de
burgemeester. Hij is echter niet feitelijk aanwezig op de plek waar iemand
terstond – in de APV
wordt nadrukkelijk de uitdrukking "terstond" gebruikt – wordt verwijderd. Het gaat dus om een zeer operationele
omgang met die bevoegdheid. Het gaat ook om een soort noodbevel dat ingegeven
wordt door een acute situatie waarna terstond actie moet worden ondernomen. De
burgemeester kan dan met een telefoontje zeggen: ik acht het geboden dat er nu
actie wordt ondernomen. Feitelijk komen de politieagenten dan in actie, in
operationele zin. Om die reden wordt de "namens"-bepaling gebruikt,
niet om een andere reden. Het gaat om het exact uitvoeren van de verwijdering
uit het gebied. Het besluit ligt bij de burgemeester of zijn vervangers. De
bestuurlijke autoriteiten moeten besluiten over gebiedsverwijdering. Ik stel
mij voor dat in voorkomend geval daarover wordt gerapporteerd aan de raad,
zodat die dat zelf kan volgen.
Gevraagd
is of dit wordt gehandhaafd. Het antwoord daarop is: natuurlijk. Als iemand
voor de vierde keer een overtreding begaat, zijn de trajecten al een heel eind
gevolgd. Dan is er echt iets met die persoon aan de hand. Die staat dan onder
behandeling of bevindt zich in een maatschappelijk sociaal traject. Ik maak mij
daar niet veel zorgen over, want dan hebben al veel ogen gekeken naar zo'n
persoon.
In
de richting van de heer Sipkema geef ik aan dat ik in de commissie al heb
verteld hoe ik wil omgaan met personen die in het gebied wonen waarin de
gebiedsontzegging plaatsvindt. Met de maatschappelijke zorg die bij die
personen betrokken is of zou moeten zijn, moet bekeken worden hoe de woonsituatie
wordt ingevuld. Het is een zware maatregel om iemand uit zijn woongebied te
halen, want dan kan hij daar niet meer slapen. Er moet dan voor 24 uur een
oplossing worden gevonden bij de maatschappelijke instanties. Als nog een keer
een ontzegging moet worden opgelegd, geldt die voor een langere tijd en dan
worden dezelfde zorginstanties betrokken bij de gebiedsontzegging. Die
adviseurs, die betrokken zijn bij de handhaving van de openbare orde, geven hun
mening als wij handhavend optreden in het gebied. Ook op dit punt is dus sprake
van buitengemene zorgvuldigheid.
De
heer VOKURKA (D66): Kunt u nog ingaan op de evaluatie?
De
VOORZITTER: Ieder jaar kan de zaak bij de update nog eens worden bekeken. Ik
heb wel behoefte aan opneming van het instrument. De politie heeft die behoefte
ook. Maatschappelijke ontwikkelingen kunnen heel snel uit de hand lopen en dan
is het prettig als er een instrumentarium voor handen is.
De
heer VOKURKA (D66): Ik bestrijd dat ook niet. Ik wil echter alleen
noodzakelijke regels, geen overbodige. Daarom vraag ik naar die evaluatie.
De
VOORZITTER: Wij achten deze regels noodzakelijk. Ik begrijp uw behoefte aan een
evaluatie en ik zeg u die graag toe. Ik stel mij voor dat wij ieder jaar bij de
update hier nog eens naar kijken. Als zich incidenten voordoen waarbij
overgegaan moet worden tot een gebiedsaanwijzing en vervolgens tot een
gebiedsontzegging, zal ik de raad daar zeker bij betrekken.
De
heer DE PREZ (PvdA): Voorzitter. Ik reageer graag nog even op de motie van de
GroenLinks-fractie. Mijn fractie steunt die motie niet, omdat zij zich aansluit
bij de redenering van de burgemeester. Een instrument zoals het onderhavige
biedt de mogelijkheid aan agenten om "lik op stuk"-beleid te voeren.
Het instrument lijkt ons zelfs geschikt in het kader van het wijkgericht werken
door de politie, omdat daarmee goed inzichtelijk gemaakt kan worden wat er
gebeurt in de wijken en waar de overlastplegers zitten. Op die manier kan een
en ander direct worden toegepast.
De
heer VAN TONGEREN (CDA): Voorzitter. Ik geef een korte reactie op de ingediende
amendementen. Mijn fractie steunt geen van alle. Ik maak nog een opmerking over
het amendement van de SP-fractie over de fietsenstallingmogelijkheden. Het
lijkt mijn fractie niet handig om dat artikel te schrappen, maar er moet een
balans zijn tussen de handhaving en de stallingmogelijkheden. De CDA-fractie
steunt dus wel de strekking van het amendement.
Mevrouw
NORBRUIS (GroenLinks): Voorzitter. Gelet op uw uitgebreide uitleg en uw
toezegging van een schriftelijke rapportage hebben wij besloten om de zaak in
2007 aan te zien. Wij trekken ons amendement in. De anderen hoeven daar dus
niet op te reageren.
Met
betrekking tot amendement A-11 merk ik op dat de evaluatie van het
fietsparkeren eraan komt. De laatste tijd zijn er ook veel fietsparkeerplaatsen
bij gekomen. Wij zullen dat amendement daarom niet steunen. Wij steunen wel
amendement A-10.
De
VOORZITTER: Aangezien amendement A-12 is ingetrokken, maakt het geen onderdeel
van de beraadslaging meer uit.
De
heer VOKURKA (D66): Voorzitter. Ik ga in op de twee amendementen. Mijn fractie
steunt amendement A-10 wel en A-11 niet. Ik volg hierin de redenering van de
heer Van Tongeren.
Mevrouw
VAN EMPEL (STIP): Voorzitter. Omdat STIP een fietspartij is, wil ik graag nog
even wat zeggen. Tijdens de behandeling van de programmabegroting heeft de
wethouder toegezegd de handhaving te stoppen tot na de evaluatie. Na de
evaluatie wordt het onderwerp besproken in de commissie. Afhankelijk van de
uitkomst daarvan moet wijziging van de APV mogelijk zijn.
De
heer SIPKEMA (SP): Voorzitter. Op het punt van de gebiedsontzetting merk ik op
dat er een verschil is tussen hetgeen u verstaat onder een goede onderbouwing
en hetgeen ik daaronder versta. In relatie tot amendement A-10 geef ik aan dat
ik ervan uitga dat zorgvuldig wordt omgegaan met het instrument. Dat kan echter
geen reden zijn om dat niet nog eens te vermelden in de verordening. Ik laat
dat amendement daarom in stemming brengen.
Bij
het fietsparkeren gaat het niet om gevaarlijke situaties of om fietsen die op
de weg geparkeerd zijn, maar om plekken waar te weinig fietsenstallingen zijn
en waar mensen noodgedwongen hun fiets naast de stalling zetten. Toen het punt
werd opgenomen in de verordening, is toegezegd dat daarop alleen gehandhaafd
zou worden als er voldoende stallingen waren. Er wordt nu echter continu
gehandhaafd op plekken waar onvoldoende stallingmogelijkheid is. Om die reden
stelt mijn fractie voor om het artikel te schrappen. Het college houdt zich
immers niet aan de eerdere toezegging dat alleen van het instrument gebruik
wordt gemaakt als er voldoende stallingen zijn. Ik wil dus druk zetten op het
voorzien in voldoende stallingen. Als dat het geval is, kan de bepaling worden
geherintroduceerd.
De
heer VAN LEEUWEN (VVD): Voorzitter. De wethouder heeft in de commissie
ingestemd met een binnenstadsforum. Het lijkt mij goed om een toename van het
aantal festiviteiten in de binnenstad met dat forum te bespreken. Wij steunen
geen van de amendementen.
De
VOORZITTER: Ik zal nog even kort reageren op het verwijderen van fietsen.
Volgens mij moet de bepaling niet worden geschrapt, omdat er behoefte aan is.
Als bij de evaluatie in volle breedte wordt gesproken over het fietsparkeren,
kan de heer Sipkema zijn punt altijd nog maken.
De
heer SIPKEMA (SP): U zegt dat de bepaling moet blijven staan omdat daar
behoefte aan is. Er is echter behoefte aan omdat er te weinig
fietsparkeerplaatsen zijn.
De
VOORZITTER: Ik denk dat het al gauw in orde komt. Wacht u de besprekingen in de
vakcommissie af, want dan ziet u dat u op uw wenken wordt bediend. Ik ga daar
tenminste van uit.
Ik
ga nog even in op amendement A-10. Ik begrijp dat u waarborgen wilt voor de
mensen die in de gebieden wonen. Ik heb uitgebreid mijn visie daarop
aangegeven. Ik heb geen behoefte aan dit amendement omdat uit mijn betoog over
de toepassing van het artikel voldoende blijkt hoe ik ermee omga. Als de raad
echter aandringt op de toevoeging, is daar ook geen bezwaar tegen.
De
heer DE PREZ (PvdA): Voorzitter. Ik verzoek u om een korte schorsing.
De
vergadering wordt van 22.32 uur tot en met 22.36 uur geschorst.
In
stemming komt amendement A-10.
De
VOORZITTER: Ik geef gelegenheid tot het afleggen van stemverklaringen.
De
heer DE PREZ (PvdA): Voorzitter. Wij steunen dit amendement niet, omdat wij het
overbodig vinden. Verder willen wij de burgemeester niet beperken in de
handelingsvrijheid die juist bij een onderwerp als dit bijzonder belangrijk is.
De
heer SIPKEMA (SP): Voorzitter. De suggestie wordt gedaan dat amendement A-10
overbodig is of de burgemeester beperkt. Als het amendement overbodig is, laat
ik het in stemming brengen, want dan is het niet beperkend.
Het
amendement wordt bij handopsteken verworpen.
De
VOORZITTER: Ik constateer dat de fracties van de SP, Leefbaar Delft,
GroenLinks, D66 en Stadsbelangen voor dit amendement hebben gestemd.
In
stemming komt amendement A-11.
Het
amendement wordt bij handopsteken verworpen.
De
VOORZITTER: Ik constateer dat de fracties van de SP en Leefbaar Delft voor dit
amendement hebben gestemd.
Het
voorstel wordt bij handopsteken aangenomen.
De
VOORZITTER: Ik constateer dat het voorstel met algemene stemmen is aangenomen.
320. Voorstel tot vaststelling van het
bestemmingsplan Zuidwest, deelgebied 1.
(Stuk 211 - 20158852)
De
heer KEUVELAAR (CDA): Voorzitter. Ik heb in de commissie al aangegeven dat ik
op één onderwerp zou terugkomen, namelijk het percentage woningen dat gebruikt
mag worden als bedrijf, om werken aan huis mogelijk te maken. De CDA-fractie
ziet een verhoging van dat percentage als een ideale manier om woon-werkverkeer
in te perken. Op die manier wordt ook iets aan het milieu gedaan, worden
gemengde wijken bevorderd en wordt de vrijheid van de burger vergroot. Toch
dien ik vandaag geen amendement in. Mijn fractie redeneert dat, als op dit
bestemmingsplan een amendement wordt ingediend, ongelijkheid tussen de wijken
wordt gecreëerd. In januari of februari komt het Handboek bestemmingsplannen
aan de orde. De CDA-fractie stuurt liever op dat moment aan op een verhoging
van dat percentage. Ik hoor van de wethouder wel graag dat het dan mogelijk is
om partiële herziening van alle geldende bestemmingsplannen in één keer door te
voeren. Als dat het geval is, is dat de beste manier om de genoemde verhoging
door te voeren. Mijn fractie was verder positief over het plan.
De
heer VOKURKA (D66): Voorzitter. Met het voorliggende bestemmingsplan wordt
vooral aanzienlijke verdichting rond winkelcentrum In de Hoven mogelijk
gemaakt. Dat is goed voor de woningzoekende, voor het openbaar vervoer en voor
de economie. Is er dan niets op aan te merken? De D66-fractie heeft al
aangegeven, de wijk voor het nog intensievere ruimtegebruik te willen
compenseren in de vorm van openbaar groen. In dat groen moet men zich kunnen
bewegen en andere culturen kunnen leren kennen. Met dat groen moet de
leefbaarheid worden vergroot in deze dichtbevolkte wijk. Inmiddels bijna de
gehele gemeenteraad, met uitzondering van de fracties van het CDA en Leefbaar
Delft, stelt voor om de vrijkomende ruimte langs de Voorhofdreef, als deze
wordt versmald, grotendeels tot park om te vormen. Daartoe dienen wij een motie
in.
De
VOORZITTER: Door de fracties van D66, GroenLinks, de PvdA, Stadsbelangen, STIP,
de SP en de VVD wordt de volgende motie (M-3) ingediend:
"De
gemeenteraad van Delft, in vergadering bijeen op 30 november 2006,
gelezen
het bestemmingsplan Zuidwest deelgebied 1 (Voorhof);
constaterende
dat:
-
het voorgestelde
bestemmingsplan een aanzienlijke hoeveelheid extra woningen en voorzieningen
mogelijk maakt op en rond winkelcentrum In de Hoven;
-
de wijk reeds
dichtbevolkt is en niet voldoet aan de landelijke richtlijn voor de hoeveelheid
groene ruimte;
-
steeds meer mensen
gezondheidsklachten krijgen door gebrek aan beweging en overgewicht;
-
de gemeente
voornemens is om de Voorhofdreef te versmallen tot 2x1 rijstroken na
aansluiting van de Martinus Nijhofflaan op de Provinciale Weg;
-
de gemeenteraad op 7
november 2006 een motie Versterking van het groen in en om de stad met unanieme
stemmen heeft aangenomen;
overwegende
dat:
-
de voorgenomen
intensivering van het grondgebruik in het gebied zal leiden tot een hogere druk
op het aanwezige openbaar groen;
-
een voorwaarde voor
een prettige leefomgeving voldoende kwalitatief goed openbaar groen is;
-
openbaar groen mensen
in beweging brengt;
-
een park mensen van
verschillende bevolkingsgroepen met elkaar in contact brengt;
-
toepassing van stil
asfalt (dat nu al op één zijde is toegepast) en een 40-kilometerregime, het
eventuele verwijderen van verkeerslichten conform het LVVP en/of het uitvoeren
van de motie-Steffen voor een Groene Golf de leefbaarheid langs de Voorhofdreef
sterk kan verbeteren;
draagt
het college op, bij versmalling van de Voorhofdreef tot 2x1 rijstroken de
vrijgekomen ruimte langs de Voorhofdreef grotendeels in te richten als groene
openbare verblijfsruimte (bij voorkeur als park),
en
gaat over tot de orde van de dag."
De
heer DE WIT (Leefbaar Delft): Voorzitter. In de commissie heb ik al betoogd dat
door het nieuwe bestemmingsplan en de grote uitbreiding rond In de Hoven geen
plaats meer is voor de dinsdagmarkt aan de Martinus Nijhofflaan. Op dit moment
heeft die markt de ruimte langs de hele lengte van de Torenhove tot aan het
benzinestation van 17 meter breed. Volgens het nieuwe bestemmingsplan wordt een
muur van 24 meter hoog geplaatst met winkels in de pui en flats erbovenop met
een maximale hoogte van 52 meter tot 75 meter. De ingang van In de Hoven wordt
midden in het winkelcentrum geplaatst, tussen de twee huidige ingangen. Voor de
markt blijft maar 4 meter stoep beschikbaar. In feite komt het erop neer dat er
geen ruimte overblijft voor de dinsdagmarkt. Deze bestaat nu uit twee rijen
kramen vanaf het begin tot het einde langs In de Hoven. Wij hebben de wethouder
gevraagd om een situatieschets van de kramen. Hoe gaat het er in de toekomst
uitzien? De andere parkeerplaatsen aan de Papsouwselaan en aan de achterkant
verdwijnen. Daar komen parkeergarages voor in de plaats. Er is dus geen
vervangende ruimte beschikbaar in de Poptahof. Wij vinden het ontzettend zonde
dat deze markt na dertig jaar moet verdwijnen of fors moet inkrimpen. Het is
vreemd dat de wethouder zonder enig bewijs beweert dat er meer ruimte voor de
markt komt. Dat bewijs is vanavond niet gegeven. Ik heb gesproken met een
aantal marktkooplieden. Zij weten dat er iets aan de hand is maar zij denken
dat alles zich nog in het stadium van overleg bevindt, terwijl vanavond de
beslissing valt. Als de raad vanavond dit bestemmingsplan aanpast, verdwijnt de
dinsdagmarkt langs In de Hoven.
De
heer KEUVELAAR (CDA): Ik vind het jammer dat de heer De Wit zijn bijdrage uit
de commissie overdoet. Verder vind ik het bijzonder betreurenswaardig dat hij
niet heeft geluisterd naar de argumenten van de wethouder. De marktkooplui zijn
voor het plan. De heer De Wit vertelt aperte onwaarheden als hij zegt dat
alleen op de stoep mogelijkheden zijn. Als hij had geluisterd naar de
antwoorden van de wethouder, hadden wij dit verhaal niet opnieuw hoeven te
horen. Ik vind dit buitengewoon jammer.
De
heer DE WIT (Leefbaar Delft): Ik denk dat de heer Keuvelaar beter even kan
afkoelen op de gang. Ik kan hier niets mee. Een interruptie zou een vraag
moeten zijn, maar ik heb geen vraag gehoord.
De
heer KEUVELAAR (CDA): Ik wil best een vraag formuleren. Wilt u de volgende keer
niet uw bijdrage in de commissie herhalen?
De
heer DE WIT (Leefbaar Delft): Dat maak ik zelf wel uit, niet jij.
Mevrouw
VAN HOLST (PvdA): Ik heb nog wel een vraag. Als de marktkooplieden het eens
zijn geworden met de gemeente en geen probleem zien, vraag ik mij af welk
probleem Leefbaar Delft aan het scheppen is. Ik verzoek de heer De Wit om een
scheve voorstelling van zaken achterwege te laten.
De
heer DE WIT (Leefbaar Delft): Daar reageer ik graag op. De marktkooplieden zijn
niet geïnformeerd. Zij weten niet wat er speelt. Zij denken dat het wel goed
komt, maar wij denken dat het niet goed komt. Ik heb nog steeds geen
overtuigend antwoord van de wethouder gekregen waaruit blijkt dat het goed
komt. Dat is het enige wat ik vanavond vertel. Waarom krijgen wij dit niet te
horen? De wethouder is dat verplicht aan die marktmensen.
Mevrouw
NORBRUIS (GroenLinks): Voorzitter. Tijdens de commissievergadering hebben wij
onze tevredenheid geuit over het plan, met name over de herstructurering van de
Poptahof. Ik zal dat hier niet overdoen. Onze fractie blijft twijfels houden
over de hoogbouw die naast het wijkcentrum moet verrijzen, in veld 10. Naast de
vleugel is nu een speelplek voor kinderen en buitenruimte voor de bezoekers van
de vleugel. In het plan komt op die plek een toren van 52 meter hoog. Het
wijkcentrum komt daardoor letterlijk en figuurlijk in de schaduw te liggen, met
als mogelijke keerzijde sociale onveiligheid. Door de toezegging van de
wethouder dat veel aandacht besteed wordt aan de aansluiting van de toren op
het wijkcentrum, kunnen wij echter toch akkoord gaan met dit bestemmingsplan.
Wij
hebben met de fractie van D66 een motie ingediend. In het verlengde van het
LVVP zullen de Martinus Nijhofflaan, de Papsouwselaan en de Voorhofdreef op
termijn een andere verkeersfunctie krijgen. De herinrichting van de Martinus
Nijhofflaan en de Papsouwselaan is al uitgewerkt in het bestemmingsplan, maar
die van de Voorhofdreef nog niet. Het betreft een typisch geval van ruimte
zien. Volgens het bestemmingsplan kan een herverdeling van de huidige
verkeersruimte mogelijkheden bieden voor andere functies, zoals groen en water.
Wij hebben dat uitgangspunt aangegrepen om een motie in te dienen. Ik ben blij
dat de meerderheid van de raad deze steunt.
Mevrouw
VAN HOLST (PvdA): Voorzitter. Mijn woorden kunnen worden opgevat als een
stemverklaring. In de commissie hebben wij al lof toegezwaaid over de
veranderingen die in het plan zijn aangekondigd. De aanpassingen die na de
inspraak zijn gedaan, zijn prima. Mijn fractie heeft de motie van D66 en
GroenLinks om de Voorhofdreef groen te maken, gesteund, hoewel ik hoop dat niet
eerst alle bomen moeten verdwijnen voordat het weer groen wordt.
De
heer HARPE (VVD): Voorzitter. Wij sluiten ons aan bij de opmerkingen van de
heer Keuvelaar over de verhoging van 30% naar 40% om een woning te kunnen
gebruiken als bedrijfsruimte. Dat kan voor meer delen van de stad gelden dan
alleen voor dit plan; dat komt dus terug. Wij zijn blij met de toezegging van
de wethouder om ons over zes maanden te informeren over de voortgang van de in
het document genoemde handhavingsactiviteit. Verder is het goed dat de bewoners
van diverse woningen in het zuidwestelijke deel van de Voorhof vergelijkbare
dakopbouwen kunnen realiseren als eerder door andere bewoners zijn
gerealiseerd. Ten slotte zijn ook wij voor een groene Voorhofdreef en hebben
wij daarom de ingediende motie ondertekend.
Wethouder
KONING: Voorzitter. Ik reageer allereerst op de mogelijke verhoging van het
percentage van woningen dat voor bedrijfsmatige doeleinden kan worden gebruikt
van 30% naar 35% of meer. Ik kan de redenering van de heren Keuvelaar en Harpe
goed volgen; bij de bespreking van het Handboek bestemmingsplannen kan grondig
vergeleken worden hoe dat in andere situaties gaat en of dat tot overlast
leidt. Hopelijk leidt het tot minder mobiliteit doordat mensen niet de weg op
hoeven omdat zij hun werk aan huis goed kunnen verrichten. Als wij dat punt in
een nieuw Handboek bestemmingsplannen hebben vastgesteld, lijkt het mij logisch
om dit bestemmingsplan overeenkomstig aan te passen. Hiermee wordt een gedegen
discussie mogelijk zonder dit gebied achter te stellen. Een handboek gaat
immers zo tien jaar mee. Overigens heb ik in de commissie gezegd dat die
discussie voor de zomer gevoerd kan worden. In de eerste maanden van 2007 voert
het college echter graag eerst een verkennende discussie. Het vergt veel tijd
om alle artikelen te toetsen op de opmerkingen uit de raad en uit de praktijk.
Het lukt niet om dat voor maart voor te leggen. Zowel vanavond als de vorige
keer is bij de bespreking van het bestemmingsplan een aantal onderwerpen aan de
orde geweest en het leek het college dan ook goed om eens globaal te verkennen.
De commissievoorzitter heeft daar ook nadrukkelijk om gevraagd. Wij zaten dus
op dezelfde lijn.
Het
is prettig dat de raad na de behandeling van de programmabegroting de daad
direct bij het woord voegt door het college de mogelijkheid te bieden om daar
ruimte te scheppen. Ik heb in de commissievergadering al aangegeven geen moeite
te hebben met de formulering van de motie, omdat daarmee voldoende ruimte wordt
geboden om ook naar andere functies te kijken rond de Voorhofdreef. Het gaat
dan niet alleen om de Voorhofdreef, maar ook om de randen ervan en om de andere
kant van het water. Het lijkt mij beter om die erbij te betrekken. Ik merk op
dat de raad na de bespreking in de commissie die ruimte aan het college heeft
gegeven en ik dank de raad daarvoor.
Ik
citeer graag twee brieven die aan de raad zijn verstuurd ter voorbereiding van
de commissievergadering. Een is afkomstig van de heer Boomkens van de Centrale
Vereniging Ambulante Handel. Hij geeft aan dat met het college en de
projectorganisatie is afgesproken dat de markt op de Martinus Nijhofflaan
blijft. De andere brief is afkomstig van de heer Ooms van de CVAH, afdeling
Delft en het marktteam Dinsdagmarkt Delft, waarin staat dat in overleg met
partijen is gebleken dat de betrokken ondernemers zich zeer goed kunnen vinden
in de nieuwe marktlocatie op de Martinus Nijhofflaan. Deze signalen heeft de
raad ontvangen voorafgaand aan de commissievergadering waaruit blijkt dat er
overleg is geweest. In overeenstemming met de marktkooplieden is gekomen tot
deze locatie, waarbij er meer marktkramen opgesteld kunnen worden.
Op
de bestemmingsplankaart staat niet waar de warenmarkt geplaatst wordt. Wij
weten echter natuurlijk dat dit soort verbouwingen vragen oproept. Gelukkig
zijn wij daar in samenspraak met betrokkenen uitgekomen. Voor het geval het u
in de commissie nog niet helder was, hoop ik dat het de heer De Wit hierbij
helder is.
De
heer KEUVELAAR (CDA): Voorzitter. Ik ben tevreden met de beantwoording van de
wethouder. Het lijkt mij heel goed om daarover bij de bespreking van het handboek
nog eens te spreken. Mij rest nog het oordeel over de motie van GroenLinks, D66
en een aantal andere fracties. De CDA-fractie kan zich uitstekend vinden in het
doel van deze motie: een groene Voorhofdreef. Het is echter wat prematuur om
dit voorstel te doen. De Ruys de Beerenbrouckstraat is nog niet geëvalueerd. Er
is afgesproken dat dat eerst zou gebeuren. Er wordt nu een ruimtelijke claim
gelegd die nog niet gelegd zou mogen worden. De CDA-fractie wacht liever eerst
de evaluatie af en steunt de motie daarom niet.
De
heer VOKURKA (D66): Voorzitter. Dat is jammer, maar de motie haalt het toch
wel. Ik hoop dat de heer Keuvelaar na de evaluatie alsnog blij is dat een en
ander op de voorgestelde manier wordt gerealiseerd. Ik dank de wethouder voor
haar reactie. Ruimte zien en ruimte maken gaat vanavond inderdaad redelijk
goed.
De
heer DE WIT (Leefbaar Delft): Voorzitter. Wij constateren dat de wethouder geen
antwoord geeft op onze vraag. Zij citeert wat brieven die ons bekend zijn. Er
is geen antwoord gegeven op onze vraag. Als alles zo duidelijk is, had zij dat
vanavond moeten aangeven. Dat heeft zij echter niet gedaan.
Mevrouw
VAN HOLST (PvdA): Wat wil je hier nu mee?
De
heer DE WIT (Leefbaar Delft): Wij zien wel, over een tijd, als het plan
doorgaat. Dan zien wij wel wie er gelijk heeft.
De
heer VOKURKA (D66): Niemand heeft een probleem met dat hele verhaal behalve u.
De
heer DE WIT (Leefbaar Delft): U hebt ook wel eens problemen, maar dan zeg ik
ook niet dat u uw mond moet houden.
De
heer BOT (GroenLinks): Wij brengen die echter niet in de raad naar voren. Dat
is het verschil.
De
VOORZITTER: De heer De Wit mag zijn betoog vervolgen. Hij begrijpt dat de rest
van de raad zijn reactie onbegrijpelijk vindt, gelet op het antwoord van de
wethouder.
Mevrouw
DEKKER (SP): Wilt u voor uzelf spreken, niet namens mij? Ik vind het namelijk
nogal gênant hoe de heer De Wit bejegend wordt door een flink deel van de raad.
Ik ben het inhoudelijk niet met hem eens, maar het geeft geen pas om buiten de
microfoon opmerkingen te maken en heel hard te lachen. Ik vind dat echt de raad
onwaardig.
De
VOORZITTER: Daar zal ik u ook aan houden op momenten dat er kritiek is op uw
werkwijze.
De
heer DE WIT (Leefbaar Delft): Wij snappen niet wat het doel is van de motie
over de Voorhofdreef. Waarom wachten wij niet gewoon het LVVP af? Waarom praten
wij bij de behandeling van een bestemmingsplan over wegen? Ik begrijp daar
helemaal niks van. Dat is een totaal overbodige motie.
De
heer VOKURKA (D66): Wij praten niet over wegen maar over groen. Dat maakt Delft
leefbaarder, hetgeen u toch zou moeten aanspreken.
De
heer DE WIT (Leefbaar Delft): Wij kunnen van alle wegen wel een grasveld maken
en dan ziet het er groen uit. Wij kunnen dan alleen nergens meer komen. Dat is
het probleem dat wij zien in de Voorhofdreef. Er ligt daar een prima weg waar
geen files komen te staan. Waarom moet die weg opeens worden versmald? Waarom
moet daar opeens een grasveld worden aangelegd? Dat plan komt zomaar uit de
lucht vallen. Wij steunen dat dus niet.
De
heer HARPE (VVD): Voorzitter. Ik vraag mij af of er zakelijke argumenten te
bedenken zijn op basis waarvan de fractie van Leefbaar Delft kan instemmen met
een voorstel. Het gaat een beetje lijken op: nee, nee, tegen, tegen.
De
heer STOOP (Leefbaar Delft): Dat hebben wij van jullie overgenomen.
De
heer HARPE (VVD): Dat bedoel ik dus. Dank u.
De
heer MEULEMAN (Stadsbelangen): Voorzitter. Ik maak toch nog een opmerking. Mijn
fractie heeft de motie ondertekend uit het oogpunt van het belang van openbaar
groen. In de motie wordt echter ook gesproken over het 40km-regime en daarover
wil ik opmerken dat wij hebben afgesproken dat dat pas van toepassing is na een
evaluatie van de Ruys de Beerenbrouckstraat. Het feit dat het in de motie
staat, betekent niet dat mijn fractie het ermee eens is dat een 40km-regime op
de Voorhofdreef wordt ingevoerd.
De
heer STOELINGA (Leefbaar Delft): Steunt u de motie nu wel of niet?
De
heer MEULEMAN (Stadsbelangen): Jawel, maar ik heb daar een duidelijke
kanttekening bij gemaakt.
Wethouder
KONING: Voorzitter. Ik maak een geruststellende opmerking. Ik had in deze motie
nog niet de ruimte gezien om de evaluatie van de Ruys de Beerenbrouckstraat
achterwege te laten. Als de raad mij die ruimte wil geven, hoor ik dat graag.
In
stemming komt motie M-3.
Motie
M-3 wordt bij handopsteken aangenomen.
De
VOORZITTER: Ik constateer dat de fracties van het CDA en Leefbaar Delft tegen
de motie hebben gestemd.
In
stemming komt het voorstel.
Het
voorstel wordt bij handopsteken aangenomen.
De VOORZITTER: Ik
constateer dat de fractie van Leefbaar Delft tegen het voorstel heeft gestemd.
321. Voorstel tot vaststelling van de nota Arbeidsmarkt,
Inkomen en Emancipatie 2007-2010.
(Stuk 213
– 20163790)
De heer STOOP (Leefbaar Delft): Voorzitter. Wij hebben in de
commissie al een aantal zaken aangegeven en ik wil niet in herhaling vallen,
maar wij hebben besloten om in ieder geval niet tegen dit voorstel te stemmen.
Wel willen wij de wethouder een aantal punten voorleggen met het verzoek om daar
aandacht aan te besteden.
Wij hebben serieuze signalen dat de samenwerking tussen de
verschillende hulp- en dienstverleningsinstanties niet goed verloopt. Vorig
jaar, toen de heer Rensen als wethouder deze portefeuille nog vervulde, heb ik
dat al aangegeven in de commissie. Toen was de enige reactie: ja, dat klopt,
Parnassia werkt niet zo goed samen met de politie. Naar onze mening is er nog
steeds geen sprake van een goede samenwerking en van een integrale aanpak. Dat
is ook naar voren gekomen tijdens het directeurenoverleg van de
woningbouwcorporaties. Dat vinden wij een zorgelijke ontwikkeling en dat willen
wij aan de wethouder meegeven.
In de nota staat dat er sprake is van een toenemend
uitvalpercentage van klanten in een schuldhulpverleningstraject en dat een
groeiende groep burgers zogezegd niet “saneringsrijp” is. Wij denken dat dat
samenhangt met het feit dat de integrale aanpak niet goed werkt. Enkele
instanties zijn met dezelfde doelgroep bezig, maar weten van elkaar niet wie
wat doet. Mensen moeten vaak drie keer uitleggen wat hun problematiek is. Zij
komen bij Maatschappelijk Werk en moeten bij andere instanties, bijvoorbeeld
Parnassia, hun probleem weer uitleggen, omdat de integrale aanpak niet goed
werkt. Wij roepen de wethouder ertoe op om daar de komende tijd in te
investeren, zodat er daadwerkelijk een goede samenwerking tussen de hulp- en
dienstverleningsinstanties komt. Daar hebben wij al eerder om gevraagd. Wij
vragen de wethouder of wij een tussenrapportage kunnen krijgen over de huidige
stand van zaken met betrekking tot de integrale aanpak op het punt van de
verschillende hulp- en dienstverleningsinstanties. Het is nu al ruim anderhalf
jaar geleden dat ik dat tijdens de vorige collegeperiode naar voren heb
gebracht. Ook toen liep die samenwerking tussen de verschillende instanties
niet zo goed. Ik mag mij dus in alle eerlijkheid afvragen of er al iets bekend
is over de huidige stand van zaken, maar wij stemmen in ieder geval wel voor
het voorstel.
Mevrouw DEKKER (SP): Voorzitter. Wij zijn het met de
wethouder eens dat het hebben van werk een belangrijk instrument kan zijn voor
economische zelfstandigheid, maar dat geldt voor een grote groep niet. Die
groep wordt ook groter. Ik heb daar bij de behandeling van de
programmabegroting al over gesproken. Ik mis aandacht voor die groep.
Ik mis ook een ruimere aandacht voor onderwijs. Tijdens
dezelfde behandeling van de programmabegroting heb ik vragen gesteld waarop ik
nooit antwoord heb gekregen. Ik doe nu dus nog een poging. Voordat ik daar weer
een opmerking over krijg: mijn collega is dat in de commissie vergeten. Waarom
is Delft niet bereid om een hoger opleidingsbudget toe te staan? Landelijk ligt
dat gemiddeld op ongeveer 3500 euro, maar in Delft op ongeveer 2200 euro. Als
werk zo belangrijk is, mag daar ook best wat meer in geïnvesteerd worden.
Wij hebben de indruk dat in de passage over de kinderopvang
een afzwakking zit. Daar zal ongetwijfeld een reden voor zijn, maar dat vinden
wij toch erg jammer.
Ik wacht nog even de reactie van de wethouder af, maar wij
denken niet dat wij positief kunnen zijn over dit stuk.
De heer GULDEMOND (STIP): Voorzitter. De voorliggende nota
getuigt van een duidelijke visie. Ik wil twee zaken nog even kort aanstippen.
Volgens STIP is het cruciaal dat jongeren de arbeidsmarkt met voldoende kennis
betreden. Schooluitval moet dan ook op alle mogelijke manieren worden
bestreden. STIP vindt het behalen van een startkwalificatie voor jongeren in
deze nota een onderbelicht onderdeel. Het belang van het behalen van die
startkwalificatie wordt weliswaar geconstateerd, maar de manier waarop komt
niet aan bod. De wethouder heeft al aangegeven dat dit aan bod komt in het
programma Jeugd en brede school. Wij zullen later dan ook terugkomen op dit
punt.
STIP is altijd voorvechter geweest van het behoud van de
verschillende niveaus taalcursussen. Op dat punt gaf de wethouder aan dat dit
onderwerp in december in de commissie WIJZO wordt behandeld. Ook daar zullen
wij dan op terugkomen.
Wij moeten dus nog even geduld hebben om meer inzicht in de
startkwalificaties en de taalcursussen te krijgen. Vol verwachting klopt ons
hart, maar nu zijn wij positief.
De VOORZITTER: Dat rijmt niet.
De heer GULDEMOND (STIP): Vol verwachting klopt ons hart,
wij wachten met smart.
De heer HARPE (VVD): Voorzitter. Wij hebben al eerder gezegd
dat wij dit een goed verhaal vinden. Het is ook goed dat er een
behoefteonderzoek komt naar 24-uurs kinderopvang. Om direct op de opmerking van
mevrouw Dekker te reageren: over dat punt is in de commissie inderdaad van
gedachten gewisseld met de wethouder. Er is niet zozeer sprake van een
afzwakking als wel van het feit dat wij met elkaar hebben vastgesteld dat je
eerst moet bekijken of er behoefte is om vervolgens met elkaar het besluit te
kunnen nemen om door te pakken. Wij zien de uitkomsten van dat
behoefteonderzoek overigens met vertrouwen tegemoet.
Ik ga in op het belangrijke punt van social return. In de
commissie heb ik de wethouder gevraagd aan welke criteria ondernemers moeten
voldoen om van de gemeente het predikaat “heeft een sociale visie” te krijgen.
Met dat predikaat kunnen ondernemers een soort voorkeurspositie krijgen om
opdrachten van de gemeente Delft gegund te krijgen. Ik heb die criteria nog
steeds niet helder voor ogen gekregen. Ik heb in de media wel gelezen dat de
wethouder heeft aangegeven dat hij met een aantal grote bedrijven, zoals IKEA,
Eneco en de Rabobank, in gesprek is. Ik heb begrepen dat er nog geen overleg is
gestart met de ondernemersverenigingen, zoals VNO-NCW en MKB. Dat is een
belangrijk punt, maar ik hoor straks graag of ik dat goed heb begrepen.
In de commissie Bestuur & Werk hebben wij afgesproken
dat wij het inkoop- en aanbestedingsbeleid eens grondig gaan doorspreken met de
portefeuillehouder inkoop. Ik zou mij kunnen voorstellen dat wij op hetzelfde
moment ook het begrip “social return” aan de orde hebben, want dat maakt daar –
zoals het in deze nota staat – in feite deel van uit. Ik zou mij zelfs kunnen
voorstellen dat ook de wethouder van economische zaken daar iets over wil
zeggen. Wij hebben het bij dit onderwerp dus eigenlijk over drie
portefeuillehouders. Die uitnodiging geef ik dus graag; dat lijkt mij een goed
punt.
De heer VAN DOEVEREN (CDA): Voorzitter. Toen wij dit punt in
de commissie behandelden, bleek dat de oogst van de begrotingsbehandeling nog
niet was verwerkt, maar die komt begin volgend jaar aan de orde. Zoals ik al
zei: piketpalen die wij bij de begrotingsbehandeling hebben geslagen, zullen
wij daar ongetwijfeld wederom slaan. Daarmee doel ik met name op de
versnippering. Wij zouden ook wel eens willen exploreren in hoeverre
“categoraal-achtige” regelingen binnen de kaders van de wet en binnen de door
het ministerie gegeven kaders mogelijk zijn.
Voor ons is ook de verhouding tussen de kosten van de
verstrekkingen en de verstrekkingen zelf een belangrijk punt. Onze ambitie voor
een goed anti-armoedebeleid gaat verder dan de ambitie die het college zichzelf
oplegt. Wij zouden het aantal uitkeringsgerechtigden aanzienlijk verder willen
terugdringen.
Wij zijn het absoluut eens met het uitgangspunt van betaald
werk boven een uitkering. Dat levert minder armoede op en is ook effectief
tegen sociale isolatie. Wanneer wij verder gaan spreken, zullen wij de focus op
bepaalde groepen leggen. Ik heb al gezegd dat het daarbij gaat om de
eenoudergezinnen en de kostwinners van niet-westerse afkomst. Niet te vergeten:
ook een aantal zelfstandigen in Delft zit op een vrij minimaal niveau.
Ik ben het met de heer Guldemond eens dat het terugdringen
van het aantal schoolverlaters zonder startkwalificatie aandacht vergt. Ik heb
zowel bij de begrotingsbehandeling als in de commissie al voorstellen gedaan om
daarbij wat ambitieuzer te werk te gaan dan het college nu doet. Maar goed, bij
de verdere discussie kunnen wij de ambities nog eens uitwisselen.
De heer Harpe is al ingegaan op social return, waarover ik
in de commissie ook al een noot heb gekraakt. Ik ben het volstrekt met de heer
Harpe eens dat het erg vaag is en dat er weinig criteria zijn. Hoe verhoudt dit
zich tot andere beleidsdoelen, met name de economische? Daar kan de wethouder
van economische zaken misschien iets over zeggen. En hoe breed moet je dit
zien? Wij vinden dat het in zichzelf gekeerd opereert. Ik wil de heer Harpe
behulpzaam zijn, want hij was een beetje vaag bij het trekken van consequenties
uit zijn betoog. Daarom wil ik een motie indienen waarin wij het college vragen
om hierover in contact te treden met de werkgevers- en werknemersorganisaties
om te bekijken of hierover goede criteria af te spreken zijn. Dan gaan wij eens
bekijken hoe wij daarmee omgaan.
De VOORZITTER: Door de CDA-fractie wordt de volgende motie
(M-4) ingediend:
“De gemeenteraad van Delft, in vergadering bijeen op 30
november 2006,
overwegende dat
verzoekt het college om over duidelijke criteria voor de
invulling van hetgeen in de eerste overweging wordt vermeld en wie dat gaat
bepalen met de betrokken sociale partners (bijvoorbeeld werkgevers- en
werknemersorganisaties) te overleggen; over het resultaat daarvan wordt nader
overlegd met de betreffende commissie,
en gaat over tot de orde van de dag.”
De heer TAS (GroenLinks):Voorzitter. Wij hebben reeds
aangegeven dat wij voor deze nota gaan stemmen. In de commissie hebben wij de
wethouder gevraagd om aan te geven wat met de waardevolle aanbevelingen van het
panel Werk en Inkomen is gedaan. Toen hebben wij van de wethouder vernomen dat
het standpunt van het college nog niet bekend was. Wij zien benieuwd of dat
standpunt intussen bekend is. Daar krijg ik graag een reactie op.
Wethouder BOLTEN: Voorzitter. Ik zat net in mijn agenda op
te zoeken wanneer ik die afspraak met VNO-NCW en MKB heb. Dat is begin januari.
Die afspraak is vorige maand gemaakt. Kennelijk was er bij hen geen eerdere
gelegenheid voor een officiële afspraak. In de tussentijd kom ik regelmatig
vertegenwoordigers van VNO-NCW en MKB tegen en hebben wij het heel vaak over
dingen zoals social return. Dat betekent dat opdrachtgevers die de voorkeur van
de gemeente genieten, iets sociaals terug doen voor de stad. Wat is nou “iets
sociaals”. Dat staat bijvoorbeeld in onze sociale beleidsnota’s. Het kan gaan
om op het opnemen van mensen via opstapbanen of anderszins in projecten, maar
het kan ook iets anders zijn. Er worden geen onhaalbare eisen gesteld, ook niet
aan Delftse ondernemers. U moet het allemaal op zijn schaal zien.
In de commissie heb ik al verteld dat de woningcorporatie
Woonbron bij de herstructurering van Poptahof bij de aanbesteding van de
aannemers vraagt om voor het werk in de Poptahof vijf uit de Poptahof
afkomstige mensen aan te nemen via een opstapbaan. Dat is social return. Het is
helemaal niet groot; het is gewoon iets terugdoen voor de stad en in dit geval
voor de wijk. Het is ook een opdracht aan onszelf, want wij moeten ervoor
zorgen dat wij die mensen hebben. Dat doen wij via re-integratietrajecten en
opleidingen.
Daarmee kom ik direct bij de vraag van mevrouw Dekker:
waarom verhogen wij de onderwijsbudgetten niet? Omdat wij geen signalen hebben
dat dat nodig is. Wij redden het met de nu beschikbare budgetten. Voor zover er
aanvullend iets nodig is, vragen wij ook extra budget. De raad heeft vanavond
per hamerslag bijvoorbeeld besloten om 40.000 euro beschikbaar te stellen voor
budgetteringscursussen door Mondriaan.
De heer Stoop ging in op signalen die hij over de
samenwerking tussen verschillende instanties heeft gekregen, volgens mij
tijdens de stage van raadsleden bij corporaties. Bij de begrotingsbehandeling
hebben wij daar ook al over gesproken, evenals in de commissie. Ik heb
aangegeven dat op dit moment een onderzoek plaatsvindt naar de wijze waarop wij
de schuldhulpverlening kunnen verbeteren en kunnen uitbreiden naar meer mensen,
ook mensen die op dit moment nog niet saneringsrijp zijn. Ik geef bij voorbaat
al toe dat dat een vreselijk woord is. Wij zijn daarover in gesprek met de
landelijke vereniging van kredietbanken. Die hanteert een code die wat ons
betreft uitgebreid moet worden. Wij zijn daarover ook in gesprek met
“Leeuwarden”, de instantie die de boetes int, om te bekijken of boetes ook in
saneringstrajecten meegenomen kunnen worden. Wij zijn ook op andere plekken in
gesprek om ervoor te zorgen dat mensen niet met schulden blijven zitten als zij
dat niet aankunnen. Ik heb in de commissie ook al aangegeven dat het
onderzoeksrapport in januari op mijn bureau komt. Daarna zullen wij dat
zorgvuldig bekijken en zullen wij bezien welke aanbevelingen erin staan; die
zullen wij aan de raad voorleggen. Dat zal dus waarschijnlijk in de
commissievergadering en eventueel de raadsvergadering van februari gebeuren.
Er is aandacht gevraagd voor de groep die geen werk heeft en
die dat ook niet zal krijgen, omdat die niet voldoet aan de startkwalificatie.
Daarbij is gezegd dat in de nota onderbelicht blijft dat sommige mensen geen
startkwalificatie zullen halen. Wij zijn ons er zeer van bewust dat niet
iedereen een startkwalificatie kan halen. Wij zijn wel bezig om de startpositie
van die mensen toch zo goed mogelijk te maken.
Daarmee stap ik direct over naar degenen die gesproken
hebben over de jongeren. Op dit moment zijn wij bezig met onder andere Pieter
van Foreest, het CWI en Mondriaan om te bekijken of er op of vanuit Pieter van
Foreest voor minimaal 50 jongeren zonder startkwalificatie die verloren lijken
te raken, een mogelijkheid is om via werk toch tot een startkwalificatie te
komen. Dat project hebben wij toevallig vanmiddag uitgebreid besproken. Als dat
project gaat lukken – dat hoop ik van harte en ik heb collega’s uit de regio
ook aangegeven dat zij wat mij betreft mogen meedoen met hun jongeren die
buiten de mogelijkheden vallen – zetten wij weer een stap vooruit.
Ik ben het niet met de heer Van Doeveren eens dat hij een
beter anti-armoedebeleid voorstaat dan het college, maar ik wil de wedloop
graag met hem aan. Laten wij elkaar op dit punt maar opjutten. Dat vind ik
goed, want armoede is gewoon niet verdraaglijk.
De heer HARPE (VVD): Voorzitter. Ik ben benieuwd of de
wethouder nog iets wil zeggen over de suggestie om aan te schuiven bij het
overleg in de commissie Bestuur & Werk; dat hoor ik nog graag.
Voor alle helderheid: wij vinden het punt van social return
belangrijk. Het hoort bij het maatschappelijk ondernemen en bij wat ondernemers
vandaag de dag moeten doen. Je zou het ook gewoon “modern ondernemen” kunnen
noemen. Laat daar dus geen misverstand over bestaan, maar de wethouder moet op
het punt van inkoop en het wegen van criteria, met alle respect, meer
helderheid moeten bieden dan een verwijzing naar de nota. Als zij straks twee
offertes heeft waarbij de ene ondernemer twee mensen in dienst wil nemen die
langdurig werkloos zijn terwijl de andere ondernemer twee mensen met een
lichamelijke beperking, zal immers helder moeten zijn hoe zij gaat wegen. Of
het nou een Europese aanbesteding is of een onderhandse aanbesteding, u zult
die helderheid moeten bieden aan de partijen die meedoen. Die helderheid hebben
wij nog niet gekregen. Kijkend naar de op zich sympathieke motie van de
CDA-fractie, is mijn vraag: is datgene wat hier gevraagd wordt, in ieder geval
het resultaat van het overleg dat de wethouder in januari zal voeren. Als dat
het geval is en als de wethouder dus geen behoefte aan die motie heeft omdat
zij in januari, na dat overleg, wel helderheid kan bieden en terug kan naar de
commissie, hebben ook wij geen behoefte aan die motie.
De heer VAN DOEVEREN (CDA): Als de wethouder gewoon toezegt
dat zij zal uitvoeren wat er in de motie staat, trekken wij de motie uiteraard
in. Dat is logisch, want dan hebben wij gewoon een toezegging van de wethouder.
Ook ik ben dus benieuwd naar het antwoord op uw vraag.
De heer STOOP (Leefbaar Delft): Voorzitter. Ik ben benieuwd
naar de reactie van de wethouder op de motie, die wij überhaupt zullen steunen.
Wij wachten af. Wij zijn in ieder geval voor het voorstel.
Mevrouw DEKKER (SP): Voorzitter. Wij zijn nog wat in
verwarring over de motie. Wij wachten de reactie van de wethouder dus af. Ik
begrijp de in de motie genoemde criteria niet zo goed, maar misschien kan de
heer Van Doeveren op dat punt nog een toelichting geven.
De heer VAN DOEVEREN (CDA): Voorzitter. Wat social return
betreft: wij zijn niet apert tegen dat principe, integendeel. De wethouder
blijft echter een beetje hangen in de voorbeeldensfeer. Wij willen een
helderder beleid hebben, zodat duidelijk is wat er wordt bedoeld en beoogd. Ik
ben blij dat de wethouder zich een beetje door ons laat opjutten, want
uiteraard stellen ook wij ons ten doel om de armoede zo effectief mogelijk te
bestrijden.
Wethouder BOLTEN: Voorzitter. Mijn excuses voor het feit dat
ik in de eerste termijn twee vragen niet heb beantwoord. De eerste vraag over
social return kan ik meteen beantwoorden bij mijn reactie op de motie. Deze
passage is zowel in deze nota als in de inkoopnota terechtgekomen omdat de
gemeenteraad bij de algemene beschouwingen van 2005 een motie heeft aangenomen
die het college de opdracht gaf om dit te regelen. Dat is geregeld in de
inkoopnota, die de raad vorige maand heeft ontvangen. Sindsdien is er veel te
doen over aanbesteding. Volgens mij is ook een voorlichting over het
aanbestedingsbeleid toegezegd. Daar kan dit wat mij betreft een rol in krijgen.
De heer VAN DOEVEREN (CDA): Wat bedoelt u met
“voorlichting”? Voorlichting is immers een vrij eenzijdig verhaal.
Wethouder BOLTEN: Ik bedoel inderdaad een eenzijdig verhaal,
maar misschien wil de portefeuillehouder inkoopbeleid, dus de burgemeester,
daar na mijn tweede termijn iets aan toevoegen.
De VOORZITTER: Dat zal ik doen. Maakt u uw punten maar af.
Wethouder BOLTEN: In ieder geval wordt per aanbesteding
boven de drempelwaarde bekeken wat er in het eisen- of wensenpakket wordt
opgenomen. Aan die wensen wordt een bepaalde waarde gehecht. Die waarde –
althans, de optelsom van de punten die bij een aanbesteding worden gehanteerd –
is daarna doorslaggevend voor wie wel of niet de opdracht zal krijgen. Per
aanbesteding wordt dus bekeken wat wij in dat geval zullen vragen. Daarmee heb
ik volgens mij de motie afgedaan.
De andere vraag die ik had laten liggen, was van de fractie
van GroenLinks. De heer Tas vroeg wat wij doen met de vragen van het panel werk
en inkomen. Wij hebben alle vragen inmiddels beantwoord aan het panel werk en
inkomen. Die beantwoording is voor de eerstvolgende vergadering geagendeerd om
met het panel besproken te worden. Een aantal vragen nemen wij gedeeltelijk
over, omdat op een aantal punten nog beleid in ontwikkeling is. Sommige nemen wij
helemaal over en enkele wijzen wij op dit moment af. Dat laatste wil nog niet
zeggen dat wij daarover inhoudelijk van mening verschillen. Wij willen nog een
echte discussie over de vragen en onze antwoorden. Wij zullen de raad de
antwoorden, zoals die dan vastgesteld worden, doen toekomen.
Wethouder VUIJK: Voorzitter. Er werd enkele keren
rechtstreeks verwezen naar de wethouder van economische zaken. Bij het soort
kwesties zoals social return is het gebruikelijk om de nadere invulling met
werkgeversorganisaties te bespreken. Dat is volgens mij al jaren staand beleid.
Daarbij is er bijvoorbeeld het platform economische zaken. Daaraan nemen MKB
Delft, VNO-NCW, de Kamer van Koophandel en de Koninklijke Horeca deel. Dat is
te beschouwen als de lokale SER. Daar komt ook dit soort onderwerpen aan de
orde. Daar is vorig jaar ook al eens uitgebreid gesproken over het
aanbestedingsbeleid van de gemeente en daarbij is onder andere aandacht besteed
aan social return.
Mevrouw DEKKER (SP): Ik heb de opsomming misschien niet goed
gehoord, maar zit er ook een werknemersorganisatie in die lokale SER?
Wethouder VUIJK: Nee.
Mevrouw DEKKER (SP): Waarom niet? Werknemers hebben immers
ook met dit soort onderwerpen te maken en hebben daar misschien ook een visie
op. Als u een lokale SER gaat optuigen, zou ik u dus willen adviseren om ook
met werknemersorganisaties te overleggen.
Wethouder VUIJK: Ik neem die suggestie onmiddellijk over en
ik laat u in het voorjaar weten hoe dat afgelopen is.
MKB Delft heeft al uitgebreid van de gelegenheid gebruik
gemaakt om ook ambtelijk voorlichting te vragen over bijvoorbeeld het
aanbesteden en wat daar allemaal mee te maken heeft. Dat heeft echter nog niet
geleid tot opmerkingen terug. Ik zou dus vanuit de werkgeversorganisatie nog
wel willen horen wat men daarvan vindt. Dat geldt ook voor allerlei andere
onderwerpen.
Een andere mogelijkheid – dus naast dat platform economische
zaken – is het voeren van aparte gesprekken met de werkgeversorganisaties. De
portefeuillehouder van arbeidsmarktbeleid heeft die weg gekozen. Dat betekent
dat de wethouder van arbeidsmarktbeleid op dit punt een sluitende aanpak heeft
gekozen, waarbij voor de wethouder EZ op dit moment op dit punt nog even geen
rol is weggelegd.
De heer VAN DOEVEREN (CDA): Vindt u dat nou niet verwarrend?
U praat met de werkgeversorganisaties, zonder de werknemersorganisaties erbij.
Daarnaast zijn er de gesprekken van de wethouder arbeidsmarktbeleid. Dat lijkt
mij niet erg helder voor organisaties die wel onder één vlag opereren.
Wethouder VUIJK: Het is niet ongebruikelijk dat meerdere
portefeuillehouders met organisaties in deze stad spreken. In dit college is
ervoor gekozen om het arbeidsmarktbeleid en het economische beleid in handen
van verschillende portefeuillehouders te stellen. Mij hebben nog geen geluiden
bereikt dat dat verwarrend zou zijn.
De VOORZITTER: Als portefeuillehouder inkoopbeleid houd ik
mij vooral bezig met de kaderstelling bij de inkoop. U ziet regelmatig inkoop-
en aanbestedingsvoorstellen via de portefeuillehouders lopen. Dat zijn
uitwerkingen van het algemene beleid. Dat algemene beleid is ongeveer een maand
geleden door het college vastgesteld en ter kennisneming aan de raad gestuurd.
Dat heeft in de commissie niet tot verdere bespreking geleid. Ik denk ook dat
het vooral een codificatie was van de dingen die wij al deden. Daarin is echter
wel al de uitwerking van de aangenomen motie inzake social return opgenomen.
Dat is een moeilijke Engels term, maar betekent niets anders dan dat in het
gemeentelijke aankoop- en aanbestedingsbeleid gewerkt wordt met het gegeven dat
wij proberen om iets te doen voor langdurige werklozen. Bij grote
aanbestedingsopdrachten mag dat volgens mij ook wel gevraagd worden: als de
gemeente dan toch zoveel geld besteedt aan een aankoop of inkoop, is het niet
raar dat je bekijkt of andere gemeentelijke beleidsdoelen daarmee gediend
kunnen zijn. Volgens mij is dat een goede manier van besturen. Ik heb het nog
niet eens over politiek bedrijven, maar wel over besturen. Je doet dan immers ook
iets aan de uitgaven aan sociale lasten. Nog belangrijker is dat je mensen aan
het werk helpt. Ik denk dat wij het erover eens zijn dat het buitengewoon
zinvol is om de mensen weer aan het werk te helpen. Dat is niet alleen iets wat
wij vanuit de overheid propageren. Ook door het bedrijfsleven wordt het als een
belangrijk doel gezien om mensen aan het werk te helpen en aan de slag te
houden. Dat wordt natuurlijk ook ingegeven door arbeidsmarktmotieven, maar ook
door het maatschappelijk ondernemen waarvoor ondernemingen zich met name de
laatste jaren bijzonder sterk hebben gemaakt. Dat kan in velerlei vormen,
bijvoorbeeld door het in dienst nemen van langdurig werklozen of mensen met een
andere arbeidsmarkthandicap. Er kunnen echter bijvoorbeeld ook milieudoelstellingen
en solidariteitsdoelstellingen, ook internationaal, bij horen. Over het
algemeen wordt dat vrij breed geaccepteerd door het bedrijfsleven, omdat men
daarmee maatschappelijk bezig wilt zien. Iets anders is scherp concurreren op
allerlei kwaliteiten en prijzen. Daar moet je het juiste midden in zoeken.
Inmiddels maken vele steden gebruik van het instrument “social return”. Dat
leidt over het algemeen niet tot conflicten met het bedrijfsleven, maar ik heb
het gevoel dat wij er in Delft nog een beetje aan moeten wennen. Waarschijnlijk
hebben wij verzuimd om het georganiseerde bedrijfsleven daar tijdig bij te
betrekken toen wij volop bezig waren om de motie van de raad tot uitvoering te
brengen. Ik wil mijzelf dat wel aanrekenen. Daar zit volgens mij een oorzaak
van de onvrede die je bij het bedrijfsleven ziet. Wij hebben dat opgepakt en
wij gaan daarmee aan de slag. Ik heb er het volste vertrouwen in dat, wanneer
wij in dat overleg aan de slag gaan, ook de georganiseerde Delftse ondernemers
zich goed zullen kunnen vinden in dit beleid. Het is een kwestie van even eraan
wennen, even uitleggen en even iets verder kijken.
De heer VAN DOEVEREN (CDA): U maakt melding van het feit dat
over dit punt misschien wat duidelijker overleg had kunnen worden gevoerd met
het bedrijfsleven. Laat ik helder zijn: wij onderschrijven op zich deze lijn en
in de motie vragen wij niet meer dan een expliciete agendering en bespreking
hiervan. Begrijp ik nu dat u in feite toezegt wat er in de motie staat of mag
ik dat niet zo interpreteren?
De VOORZITTER: Nee, ik kijk wel uit. Ik zeg helemaal niets
toe over wat in de motie staat. Ik leg u uit hoe het begrip “social return”
naar aanleiding van de door de raad aangenomen motie is verwerkt in het
inkoopbeleid. Daar ga ik over. Op die manier is het tot stand gekomen. Het is
alleen niet gesignaleerd bij het toezenden naar de raad. Het is gewoon een
B&W-bevoegdheid om dat te doen en het is ter kennisname naar de raad
gestuurd. Dat heeft niet de aandacht getrokken die het wellicht – dat weet ik
niet – verdiende, maar daarmee is in ieder geval een begin gemaakt met het gaan
werken met het begrip “social return”. Ik heb dus uitgelegd hoe dat tot stand
is gekomen.
De heer VAN DOEVEREN (CDA): Ja, maar u legde ook uit dat er
nog een slag te maken is bij het bedrijfsleven. Om die slag vragen wij nu
juist.
De VOORZITTER: U hebt gezien dat het college zich breed
maakt om dit met het bedrijfsleven te bespreken. Ik voel mij gestimuleerd door
uw woorden en ik heb er het volste vertrouwen in dat wij daar op een goede
manier uitkomen. Dat is alles wat ik zeg. Dat is de uitleg van de door de raad
aangenomen motie.
Verder heeft de raad nog een motie aangenomen over het
aanbestedingsbeleid. Volgens mij was de CDA-fractie daarvan de initiator. Ik heb
bij die gelegenheid gezegd dat het goed is dat wij met elkaar eens goed
bespreken waarom het bestedingsbeleid er zo is gekomen. De gedachte van de EU
is dat concurrentie goed is voor kwaliteit en ook een beetje helpt om de
prijzen te laten zakken. Het gaat dus om vrije concurrentie in Europa en een
vrije markt. Op zich is dat een heel goed doel, maar wij leren ook dat er nog
wel wat randvoorwaarden en elementen bij moeten om het ook slagvaardig te laten
zijn. Wij hebben in de praktijk enkele voorbeelden gezien van waar wij tegen
aanlopen. Het is dus heel goed dat wij dat doornemen. Dat is wat mij betreft
wat meer dan voorlichting. Er komt een uitgebreide tekst en uitleg waarom de
zaken in elkaar zitten zoals zij in elkaar zitten. Dan kunnen wij ook direct
bekijken welke beleidsruimte er in de kaderstelling nog is. Ik zeg daar wel van
tevoren bij dat wij in de inkoopnota de drempel heel bewust hebben gelegd bij
100.000 euro. Het gaat dus om de grotere aanbestedingen die interessant en
belangrijk kunnen zijn voor de markt en die op dat niveau bij een onjuiste
toepassing van de mededingingsregeling zouden kunnen leiden tot verstoring van
de marktverhoudingen. Daar is het Europa om te doen. Wij hebben daar dus op
zich al op ingespeeld door die drempel daar te leggen. Wij spreken hier graag
nader over wanneer wij dit onderwerp, wat mij betreft bij de themabespreking,
bij de kop pakken.
De heer BLINKER (PvdA): Uw woorden herinneren mij eraan dat
u mij tijdens de behandeling van de programmabegroting hebt toegezegd dat de
nota Inkoop- en aanbestedingsbeleid ter vaststelling in de raad zou komen,
omdat daarin ook kaders worden gesteld. Als in een nota kaders worden gesteld,
moet die altijd door de raad worden vastgesteld. Dat hebt u toen gezegd en nu
komt bij mij de vraag naar boven wanneer wij dat ter vaststelling in de raad
krijgen.
De VOORZITTER: Ik weet niet hoe snel wij daarmee aan de slag
kunnen.
De heer BLINKER (PvdA): Die nota is er al.
De VOORZITTER: Ja, is er een nota Inkoopbeleid.
De heer BLINKER (PvdA): Ja, de nota Inkoop- en
aanbestedingsbeleid.
De VOORZITTER: Ik weet niet of het aanbestedingsbeleid er
precies zo in zit zoals u die bedoelt. In ieder geval kwam de motie bij de
begrotingsbehandeling na de nota Inkoopbeleid. Dat is dus een nieuw politiek
gegeven en daar gaan wij dus politiek mee aan de slag.
De heer BLINKER (PvdA): Het gaat mij erom dat u tijdens de
behandeling van de programmabegroting hebt toegezegd dat u ons de nota ter
vaststelling zou voorleggen. Mijn vraag is gewoon wanneer wij dat gaan doen.
De VOORZITTER: Volgens mij weiden wij een beetje uit. Het is
terecht dat de wethouder daarop wijst. Het aanbesteden is iets anders dan
inkopen. Het is in ieder geval een nadere precisering van de inkoop. Dat duidt
erop dat er behoefte is aan nadere kadervaststelling. Dat staat in die motie.
Daar gaan wij mee aan de slag. Ik hoop daar komend voorjaar bij de commissie
mee aan te komen. Het komt dus allemaal goed.
De heer BLINKER (PvdA): Nee, ik heb gewoon gevraagd wanneer
de nota Inkoop- en aanbestedingsbeleid aan de raad ter vaststelling worden
voorgelegd. Daarin worden immers ook kaders neergelegd.
De VOORZITTER: Ik zei al dat er een nieuw politiek gegeven
na de nota Inkoop is gekomen, namelijk een motie bij de begrotingsbehandeling.
Die motie wordt in uitvoering genomen. U hoort daar dus nog over.
In stemming komt motie M-4.
De VOORZITTER: Ik geef gelegenheid voor het afleggen van een
stemverklaring.
De heer HARPE (VVD): Voorzitter. Over social return hebben
wij geen discussie: dat punt is belangrijk. Het ging over de criteria. Ik heb
de wethouder horen zeggen dat de criteria in feite terugkomen in programma’s
van eisen en bestekken, zodat een evenwichtige vergelijking kan worden gemaakt.
Ik heb ook begrepen dat in de komende periode verdere aanscherpingen plaats
gaan vinden. Om in inkooptermen te blijven: wij willen het college graag de
ruimte gunnen voor een verdere aanscherping. Dat betekent dat wij geen behoefte
hebben aan de motie van de CDA-fractie.
Mevrouw THOOLEN (PvdA): Voorzitter. Ik sluit mij aan bij de
woorden van de heer Harpe: ook wij zullen de motie niet steunen.
De heer VOKURKA (D66): Voorzitter. Ik sluit mij aan bij de
woorden van mevrouw Thoolen en de heer Harpe: ook wij zullen de motie niet
steunen.
De heer TAS (GroenLinks): Voorzitter. Idem.
Mevrouw DEKKER (SP): Voorzitter. Ook wij zullen de motie
niet steunen. Wellicht is de reden iets anders: als het college gedwongen wordt
om allerlei criteria op te stellen, zijn wij bang dat dat beperkend zou kunnen
werken. Wij willen het college de ruimte geven om met bedrijven
onderhandelingen aan te gaan om te bekijken of er goede zaken voor de stad uit
kunnen komen.
De heer STOELINGA (Leefbaar Delft): Voorzitter. Omdat de
heer Harpe tegenstemt, stemmen wij voor.
De motie wordt bij handopsteken verworpen.
De VOORZITTER: Ik constateer dat de fracties van het CDA en
Leefbaar Delft voor de motie hebben gestemd.
In stemming komt het voorstel.
De VOORZITTER: Ik geef gelegenheid voor het afleggen van een
stemverklaring.
De heer DE KONING (Stadsbelangen): Voorzitter. De fractie
van Stadsbelangen gaat akkoord met het voorstel. Ik heb begrepen dat in de
commissie nagenoeg alle fracties akkoord zijn gegaan. Het verbaast mij dus heel
erg dat wij hier intussen al drie kwartier over aan het praten zijn. Volgens
mij waren de ideeën goed aan elkaar uitgewisseld.
De heer VAN DOEVEREN (CDA): Voorzitter. Het is jammer dat de
motie het niet heeft gehaald. Vooral van de VVD-fractie bevreemdt mij dat,
omdat er een hoop in staat dat de fractievoorzitter bij de
begrotingsbehandeling letterlijk heeft gezegd. Blijkbaar gaat het de ene keer
de ene kant uit en de andere keer een andere kant. Ondanks het afwijzen van de
motie zullen wij het voorstel wel steunen.
De heer HARPE (VVD): Mijnheer Van Doeveren, als u dezelfde
woorden van het college hebt beluisterd als ik, hebt u gehoord dat in de
komende periode datgene gaat gebeuren waar de motie voor pleit.
De heer STOOP (Leefbaar Delft): Voorzitter. Ik sluit mij aan
bij de opmerking van de fractie van Stadsbelangen. Wij hebben in de commissie
een eindeloze discussie over deze nota gehad. Die nota kreeg daar unanieme
steun, maar wij zijn blijkbaar in staat om ruim veertig minuten te praten over
iets waarover wij in de commissie al twee uur hebben gesproken.
Mevrouw VAN DER HOEK (VVD): Voorzitter. Naar aanleiding van
de woorden van de heer Stoop: de CDA-fractie heeft dit voorstel na de commissie
mee teruggenomen naar de fractie. Er was dus geen unaniem advies.
Mevrouw DEKKER (SP): Voorzitter. Ook de SP-fractie heeft dit
voorstel mee teruggenomen naar de fractie. Ik heb in de eerste termijn al
aangegeven wat wij niet voldoende uitgewerkt vinden. Als wij in deze
raadsvergadering, bij elkaar opgeteld, niet veertig minuten hadden besteed aan
het elkaar afvangen van vliegen over wie wat in de commissie al heeft gezegd,
hadden wij volgens mij al veel eerder klaar kunnen zijn.
Het voorstel wordt bij handopsteken aangenomen.
De VOORZITTER: Ik constateer dat de SP-fractie tegen het
voorstel heeft gestemd.
De heer BOT (GroenLinks): Voorzitter. Ik geef de raad in
overweging om de orde van de vergadering te veranderen. Ik denk niet dat wij de
vergadering vanavond af kunnen maken, want ik weet in ieder geval dat er een
aantal moties en amendementen komen over de verordening voorzieningen fracties,
raads- en commissieleden en dat er met betrekking tot die verordening in de
commissie ook een aantal echte bespreekpunten waren. Maandag is er een
reguliere fractievergadering, omdat wij in december een verkorte cyclus hebben.
Ik kan mij voorstellen dat wij de verordening in de raadsvergadering van
december bespreken, die al over drie weken plaatsvindt. Dan kunnen wij vanavond
nog wel de actuele moties behandelen.
De VOORZITTER: Dat is een ordevoorstel om het voorstel tot
vaststelling van de verordening voorzieningen fracties, raads- en
commissieleden door te schuiven naar de decembervergadering. Ik constateer dat
niemand daarover het woord wenst te voeren.
In stemming komt het ordevoorstel.
Het ordevoorstel wordt bij handopsteken aangenomen.
De VOORZITTER: Ik constateer dat mevrouw Stolker van de
PvdA-fractie tegen het ordevoorstel heeft gestemd. Het voorstel tot
vaststelling van de verordening voorzieningen fracties, raads- en
commissieleden wordt dus van de agenda afgevoerd. Ik hoop wel dat er enig
politiek beraad kan plaatsvinden over de moties en amendementen, zodat wij in
december een vlotte behandeling zullen hebben. Ik denk wel dat dat de
behandeling bespoedigt. Volgens mij is het niet erg dat wij nog een maandje
hiermee wachten.
322. Motie van de fractie van Stadsbelangen inzake
terrasboten.
De VOORZITTER: Door de fractie van Stadsbelangen is de
volgende motie ingediend:
“De gemeenteraad van Delft, in vergadering bijeen op 30
november 2006,
overwegende dat:
draagt het college op:
en gaat over tot de orde van de dag.
Toelichting
Op basis van de evaluatie van de uitvoering van het
terrasbotenbeleid in 2005 en 2006, evenals de informatie over de (on)mogelijkheden
om het aantal terrasboten uit te breiden, kan de raad bezien of er aanleiding
bestaat door middel van een kaderstellende discussie het terrasbotenbeleid te
handhaven dan wel te wijzigen.”
De heer MEULEMAN (Stadsbelangen): Voorzitter. Ik denk dat
onze fractie in de overwegingen en de toelichting in de motie voldoende
duidelijk hebben gemaakt waarom wij deze motie willen indienen. De motie is
inmiddels overigens door bijna alle fracties medeondertekend. Wij hebben de
aantrekkingskracht van de binnenstad, de economie, de werkgelegenheid en de
levendigheid van de binnenstad genoemd. Wij hebben het beeld dat deze
voorziening aantrekkelijk is voor de bezoeker van onze binnenstad.
Het moet gezegd worden dat, totdat wij de motie indienen en
bekend werd dat wij die motie indienden, bij ons geen signalen bekend waren dat
de afgelopen jaren sprake zou zijn geweest van grote overlast door terrasboten.
Afgelopen dinsdagavond meldde een bewoner mij echter telefonisch zeer kwaad dat
hij veel overlast had gehad. De Bewonersvereniging Grachtengebied Zuid heeft
vandaag een brief gestuurd. Ik heb overigens het idee dat die vereniging de
strekking van de motie niet helemaal goed heeft begrepen, maar dat neemt
natuurlijk niet weg dat ook dit heel serieuze signalen zijn. Wij vragen het
college met deze motie om de raad te voorzien van een evaluatierapportage over
de afgelopen twee jaar en om aan te geven welke mogelijkheden er nog zijn om
het aantal terrasboten al dan niet uit te breiden. Wat ons betreft, wordt
natuurlijk ook het element van overlast in die discussie meegenomen. De heer De
Prez zei eerder vanavond al dat handhaving een heel belangrijk element is.
De VOORZITTER: Volgens de spelregels van de raad kan het
college nu reageren op de indiening van deze motie.
Wethouder MERKX: Voorzitter. Ik kan alleen op de motie
reageren door te zeggen dat ik, als de raad een evaluatie van het beleid van de
afgelopen twee jaar, inclusief dit jaar, wil zien, de motie zal uitvoeren.
Mevrouw DEKKER (SP): Voorzitter. Wij hebben de motie niet
ondertekend, maar wij zullen haar wel steunen, ten eerste omdat er gevraagd
wordt om een onderzoek. Je kunt moeilijk tegen een onderzoek zijn. Wij gaan er
echter van uit dat het college, als de motie wordt aangenomen, de door de
bewoners geuite kritiekpunten uitgebreid zal meenemen.
De heer BOT (GroenLinks): Voorzitter. De fractie van
GroenLinks heeft de motie wel ondertekend. Ik ben dus blij dat de wethouder de
motie gaat uitvoeren. Ik dring er wel op aan om bij de evaluatie en eventuele
beleidssuggesties te komen tot heel transparante criteria. Terugkijkend op de
discussie die wij twee jaar geleden hierover hebben gehad, is dat immers een
van de vervelendste discussies die ik in deze raad heb meegemaakt, omdat
onduidelijk was welke criteria waren gehanteerd. Daardoor werd het een heel
vervelende discussie. Ik verzoek het college dus om bij een eventuele
verruiming van het beleid te komen tot een heel duidelijk gedefinieerde
criteria die ook inzichtelijk worden gemaakt voor de raad en voor de burgers
van Delft.
De heer VAN LEEUWEN (VVD): Voorzitter. De VVD-fractie heeft
de bezwaren van de binnenstadbewoners gelezen. Wij willen dat die bewoners
zeker worden betrokken bij dit voorstel. De wethouder heeft toegezegd dat er
weer een binnenstadforum komt; daar hebben wij het al eerder over gehad. Dat
forum kan de evaluatie en het eventuele voorstel mooi van een advies voorzien.
Het aantal terrasboten en de mogelijke overlast zijn twee verschillende zaken.
Overlast moet altijd worden aangepakt, ook als er niet méér boten worden
toegelaten. Na de evaluatie en het advies van het binnenstadforum is het
toevoegen van enkele terrasboten voor ons bespreekbaar. Daarom hebben wij de
motie van de fractie van Stadsbelangen ondertekend.
Wethouder MERKX: Voorzitter. Volgens mij hoef ik niet te
herhalen wat ik zojuist heb gezegd. Wij hopen uit de evaluatie inderdaad
suggesties voor transparante criteria te halen. Ik had nog geen toezegging
gedaan over het binnenstadforum. Ik was er nog niet aan toegekomen om toe te zeggen
dat ik weer met de binnenstadbewoners ga praten, maar dat gaat zeker gebeuren.
De VOORZITTER: Ik begrijp dat het college de aanneming van
de motie niet ontraadt.
De heer MEULEMAN (Stadsbelangen): Voorzitter. Ik zou nog erg
graag van de wethouder willen horen of zij erin slaagt om het evaluatierapport,
gecombineerd met mogelijkheden en onmogelijkheden voor uitbreiding, in ieder
geval voor de aanvang van het toeristenseizoen van 2007 naar de raad te sturen.
Wethouder MERKX: Ik zal mijn uiterste best doen.
In stemming komt de motie.
De motie wordt met algemene
stemmen aangenomen.
323.
Motie van de fracties van GroenLinks, D66, de SP en de PvdA inzake de A4.
De
VOORZITTER: Door de fracties van GroenLinks, D66, de SP en de PvdA is de
volgende motie ingediend:
"De
gemeenteraad van Delft, in vergadering bijeen op 30 november 2006,
constaterende
dat:
-
minister Peijs in een
brief van 25 oktober jongstleden aan de Tweede Kamer heeft aangekondigd dat de
trajectnota over de A4 (Midden-Delfland en alternatieven) over de keuze A4
Midden-Delfland of Uitbreiding Capaciteit op de A13 plus A13/A16, de zogenaamde
'stap 1', deels moet worden overgedaan omdat berekeningen over het knooppunt
Ypenburg in eerdere versies niet juist blijken te zijn;
-
de trajectnota A4
over deze keuze volgens planning in het eerste kwartaal van 2007 zal
verschijnen;
-
in het MIT geld is
uitgetrokken voor een vervroegde aanleg van de verbinding A13/A16 uitsluitend
in combinatie met de A4 Midden-Delfland;
-
de trajectnota
A13/A16 pas zal verschijnen na een besluit van de Tweede Kamer over het al dan
niet aanleggen van de A4 Midden-Delfland, daarmee mogelijk na een besluit over
het aanleggen alléén de A4 Midden-Delfland;
-
de minister niet
voornemens is om de invloed van de aanleg van de A4 Midden-Delfland zonder of
met de A13/A16 op de verkeersintensiteiten en (eventuele) filevorming op de A13
en overige autowegen in de regio in de conclusies in beide trajectnota's te
betrekken;
-
de minister niet
voornemens is om de invloed van de Uitbreiding Capaciteit op de A13 plus
A13/A16 op de verkeersintensiteiten en (eventuele) filevorming op de A13 en
overige autowegen in de regio, in de conclusies in beide trajectnota's te
betrekken;
-
de minister niet
voornemens is om de volgens de onderliggende rapporten van Adviesbureau DHV
benodigde uitbreiding van de capaciteit van de A13 Ypenburg-Doenkade bij aanleg
van de A4 Midden-Delfland zonder of met A13/A16 bij genoemde trajectnota's te
betrekken;
overwegende
dat zorgvuldige besluitvorming vereist dat alle relevante gegevens over de
verkeersintensiteit bij verschillende scenario's in de regio worden betrokken;
spreekt
uit dat naar het oordeel van de Delftse gemeenteraad de nieuwe Trajectnota A4
(Midden-Delfland en alternatieven) alle beschikbare informatie moet bevatten,
dat wil zeggen inclusief:
-
gegevens en
conclusies over de aanleg van de A4 Midden-Delfland zonder en met aanleg van de
A13/A16 en over de uitbreiding van de capaciteit op de A13 + A13/A16;
-
informatie over de
gevolgen voor de verkeersintensiteiten en files op de A13 en op de overige
autowegen in de regio;
-
een doorrekening van
de gevolgen van wél en géén uitbreiding van de capaciteit van de A13;
draagt
het college op, dit standpunt ter kennis te brengen van de ministers van
Verkeer en Waterstaat en VROM, de Tweede Kamer, Provinciale Staten van
Zuid-Holland, Rijkswaterstaat en de voorzitter en leden van de Adviescommissie
IODS en van de Klankbordgroep IODS,
en
gaat over tot de orde van de dag."
De
heer BOT (GroenLinks): Voorzitter. De aanleiding voor de motie is vrij simpel.
Ik hoef daar ook geen lange verhalen over te houden. De minister heeft moeten
erkennen dat de eerste fase van de trajectnota MER over de A4 een belangrijk
lacune bevat. Die eerste fase moet daarom worden overgedaan. Het gaat daarbij
om de capaciteit bij het knooppunt Ypenburg. In de discussie die is ontstaan
over het overdoen van die eerste fase, heeft de minister aangegeven dat zij een
aantal gegevens niet mee wil nemen in de tracénota, terwijl die in onze ogen
heel belangrijk zijn. De zorgvuldigheid van het onderzoek moet vooropstaan. Ik
wijs iedereen erop dat, als het onderzoek niet zorgvuldig wordt uitgevoerd, hoe
dan ook vertraging ontstaat.
Ik
heb bij de behandeling van de programmabegroting de angst van de
GroenLinks-fractie uitgesproken dat Delft met een heel vervelende situatie
wordt geconfronteerd als eerst de A4 wordt aangelegd, daarna versneld de
verbinding A13/A16 en vervolgens uit de twee stappen onvermijdelijk volgt dat
de A13 verdubbeld moet worden. Dat scenario kan bewaarheid worden zonder een
integrale afweging op enig moment, waarbij Delft wordt ingeklemd tussen twee
grote autosnelwegen. Ik heb dat bij de behandeling van de programmabegroting
een nachtmerrie genoemd. Dat hoeft niet in de motie te staan en dat staat er ook
niet in. In de motie wordt alleen uitgesproken dat de tracénota zorgvuldig moet
worden opgesteld waarbij de verkeersintensiteit en de gevolgen daarvan in
samenhang moeten worden beoordeeld.
Wethouder
KONING: Voorzitter. In de commissie maakte de heer Bot een soortgelijke
opmerking. Hij vroeg toen wat het college hiermee kon doen. Ik heb toen
aangegeven dat het van belang is dat er eerst overeenstemming is in de
gemeenteraad over de richting die moet worden gevolgd. Daaruit is de motie
voortgevloeid.
De
heer KIELA (PvdA): Voorzitter. Soms is het nodig om nog eens aan Den Haag te
laten weten hoe de zaken staan. Wij hebben af en toe de indruk dat men in Den
Haag kwijt is wat de besluitvormingsformule is bij de A4, namelijk: als deze
wordt aangelegd, dan alleen via de IODS-variant. Het cruciale zinsdeel is
hierbij: "als deze wordt aangelegd". Achter dat zinnetje zit een
besluitvormingswereld waarbij geldt dat zorgvuldig naar de alternatieven wordt
gekeken en dat relevante gegevens bij de studie moeten worden betrokken. Wij
onderstrepen dat nadrukkelijk met de ingediende motie. Dat kunnen wij eigenlijk
niet vaak genoeg doen. Wij willen de minister en de Tweede Kamer nog eens laten
weten dat het van groot belang is om zaken die van invloed zijn op de aanleg
van de A4, te betrekken in het geheel. Het is anders onmogelijk om een
zorgvuldige afweging te maken terwijl dat wel onze bedoeling is. Dat moet de
bedoeling van alle betrokkenen zijn, want anders is een zaak voor de Raad van
State onvermijdelijk. Wij steunen daarom deze motie.
De
heer VAN DOEVEREN (CDA): Voorzitter. Wij hebben ook nadrukkelijk gekeken naar
de motie en deze uitdrukkelijk besproken in onze fractie. Bij ons staat ook
zorgvuldigheid voorop, maar wij hebben toch ook het collegeprogramma erbij
gepakt. Daarin is aan de A4 een hele passage gewijd waarin staat dat de
gemeente Delft zich buiten de discussie over het besluit houdt, hoewel er ook
in staat dat de gemeente zich hard maakt voor een zorgvuldige uitvoering van de
MER. Ik neem aan dat de motie in het kader van deze laatste bepaling moet
worden verstaan. Toch ben ik benieuwd naar de verhouding tussen die punten. Hoe
moeten de door mij genoemde zinnen met elkaar in verband worden gebracht? Hoe
kijken de verschillende fracties die het coalitieakkoord hebben ondertekend,
daartegen aan?
De
minister heeft een danige fout gemaakt. Zij heeft dat recht gezet met haar
brief van 25 oktober. Er wordt een nieuwe studie uitgevoerd naar aanleiding van
de verbreding van het knooppunt Ypenburg. Wij vinden dat die eerst moet worden
afgewacht.
De
heer VAN LEEUWEN (VVD): Voorzitter. De VVD-fractie is niet blij met de door de
fractie van GroenLinks ingediende motie. Deze motie is vooral gericht op
vertraging. Sinds het aantreden van de huidige coalitie wordt de A4 voor de
tweede keer ter discussie gesteld in de raad. Voor de goede orde verwijs ik nog
maar eens naar de afspraak in het coalitieakkoord. De heer Van Doeveren wees
daar ook al op. Hierin staat letterlijk dat het Rijk het besluit neemt over het
al dan niet doortrekken van de snelweg A4 of het eventueel realiseren van een
alternatieve route. De gemeente Delft blijft buiten deze discussie. De al door
de gemeenteraad genomen besluiten over de aanleg van de A4 blijven onaangetast.
Voor
onze fractie is de besluitvorming nog steeds aan het Rijk. Wij willen eigenlijk
niets meer over de A4 horen. Wij willen alleen nog het geluid van het aanleggen
van deze weg horen.
De
heer VAN DOEVEREN (CDA): Dit is een interessante visie. De tweede zin in het
coalitieakkoord noemt u nu net niet, maar die doorkruist de eerste zin. Voelt u
zich nu gepakt?
De
heer VAN LEEUWEN (VVD): Ik kom daar nog op.
De
heer VOKURKA (D66): Voordat de heer Van Leeuwen verder gaat met zijn
enthousiasme voor bulldozers in relatie tot de A4 vraag ik hem waar hij precies
bang voor is. In de motie wordt slechts uitgesproken dat alle informatie op
tafel moet komen. De minister heeft een fout gemaakt. Wij kijken er nog eens
goed naar.
De
heer VAN LEEUWEN (VVD): Dat gaan wij ook doen.
De
heer VOKURKA (D66): Dan hoeft u toch niet zo'n lang betoog te houden? U kunt de
motie dan toch gewoon steunen?
De
heer VAN LEEUWEN (VVD): Laten wij eens ophouden met dat vertragen en gewoon wat
gaan doen.
De
heer BOT (GroenLinks): De vertraging die nu is opgetreden, is veroorzaakt door
een fout van de minister.
De
heer VAN LEEUWEN (VVD): Dat heeft zij allang toegegeven. Wij vertrouwen erop
dat het allemaal goed komt.
Mevrouw
DEKKER (SP): Hoe verhoudt het enthousiasme voor de aanleg van de A4 van de heer
Van Leeuwen zich tot het collegestandpunt dat Delft geen standpunt heeft? Dit
viel mij al op toen het convenant werd besproken. De heer Van Leeuwen vertelde
toen dat hij taart had gegeten terwijl de wethouder krampachtig volhield dat
Delft geen standpunt heeft. Hij heeft dat blijkbaar wel. Hoe verhoudt zich dat
tot het collegestandpunt dat Delft geen standpunt heeft?
De
heer VAN LEEUWEN (VVD): Er staat niet in dat Delft geen standpunt heeft. Er
staat in dat er al een besluit genomen is over de A4.
De
heer KIELA (PvdA): Nee dat staat er niet in. Er staat in: als er een A4 komt,
dan wordt die via de IODS-variant gerealiseerd.
De
heer VAN LEEUWEN (VVD): Laat dat dan aan het Rijk over.
De
heer KIELA (PvdA): Nee, dat laten wij niet aan het Rijk over, want alle
partijen zijn gebaat bij een zorgvuldig proces.
De
heer VAN LEEUWEN (VVD): Ik zeg toch niet dat het niet zorgvuldig gedaan moet
worden?
De
heer KIELA (PvdA): Ik beluister dat toch enigszins in uw woorden. U stelt
blijkbaar snelheid voor zorgvuldigheid.
De
heer VAN LEEUWEN (VVD): Wij gaan er sowieso van uit dat de MER zorgvuldig wordt
uitgevoerd. Daarom is de motie niet nodig. Wij zullen haar niet steunen.
De
heer VOKURKA (D66): Voorzitter. Ik herhaal graag mijn betoog. De minister maakt
een fout en wij gaan er gewoon nog eens naar kijken. Ik kan mij aansluiten bij
de woorden van de heer Kiela. Laten wij gewoon zorgvuldig zijn.
De
heer VAN LEEUWEN (VVD): Ik kan wel door blijven gaan, maar het komt steeds op
hetzelfde neer. Wij hebben vertrouwen in de minister.
De
heer VOKURKA (D66): Nou, wij niet.
De
heer MEULEMAN (Stadsbelangen): Voorzitter. Ik maak graag nog een opmerking in
de richting van de heer Kiela. Hij kan toch niet zeggen dat een discussie van
ruim 40 jaar niet zorgvuldig is?
De
heer VOKURKA (D66): Die is in elk geval niet effectief.
De
heer KIELA (PvdA): Die was ook niet zorgvuldig, want anders was het wel wat
sneller gegaan.
Mevrouw
DEKKER (SP): Mag ik de heer Meuleman vragen of hij niet met mij van mening is
dat 40 jaar discussie er ook op kan wijzen dat het een heel slecht plan is?
De
heer MEULEMAN (Stadsbelangen): Onze fractie pleit voor een oplossing die in het
belang is van onze stad. Daar gaat het om. Die moet zorgvuldig totstandkomen.
Wij zien een situatie aankomen waarin wij nog eens tien of vijftien jaar praten
over de A4. Over verbreding van de rijksweg A13 wordt waarschijnlijk ook niet
in twee jaar besloten; dat wordt waarschijnlijk ook een discussie van 40 jaar.
Intussen worden de problemen van onze stad niet opgelost. Ik concludeer dat deze
motie zich niet voor of tegen aanleg van de A4 uitspreekt. Er wordt echter wel
een relatie in gelegd met de trajectnota A13. Men kan zich afvragen of het daar
ooit toe komt. Wij zijn altijd voorstander geweest van de aanleg van de A4. Het
is hoog tijd dat men daarmee aan de slag gaat. Onnodige vertraging moet zoveel
mogelijk worden voorkomen, hoewel ik besef dat de minister een fout heeft
gemaakt. Zij zal die zelf in het eerste kwartaal van 2007 moeten herstellen.
Wij stemmen tegen deze motie.
Wethouder
KONING: Voorzitter. Ik merk op dat in de motie niet de
bereikbaarheidsproblematiek ontkend wordt, maar gevraagd wordt aan de minister
om zorgvuldig na te gaan welke oplossing daartoe het beste is. Overigens
veranderen mensen waarschijnlijk niet van gedachten door deze opmerking.
De
heer VAN DOEVEREN (CDA): Voorzitter. Ik heb mij nog niet uitgelaten over de
motie. Ik heb alleen wat kritische opmerkingen gemaakt, ook in relatie tot het
collegeprogramma, hoewel ik daar niet graag uit citeer; u begrijpt dat wel. Ik
volg de redenering van de heer Meuleman. Er wordt een verregaande relatie
gelegd met aandacht voor de A13. Er wordt een doemscenario geschetst van een
verdubbeling van de A13. De heer Bot meldde dat al. Die situatie lijkt mij
echter bijzonder gecompliceerd, omdat dan zowel in de woonomgeving als in de
bedrijfsmatige omgeving moet worden gesloopt wat net is aangelegd. Dat lijkt
mij haast een "no go"-situatie. Aangezien die relatie wel wordt
gelegd, vermoeden wij een vertragingstactiek. Wij denken dat de minister het
onderzoek zorgvuldig uitvoert. Wij vinden ook dat de minister, als de motie
wordt opgestuurd, op een manier wordt bejegend die niet de onze is, zeker
gezien de toezeggingen die zij heeft gedaan in het kader van de Spoorzone. Zij
heeft ons op dat punt toch geholpen. Wij zullen de motie dus niet steunen.
De
heer GULDEMOND (STIP): Voorzitter. Ik krijg sterk de indruk dat het hoofddoel
van vanavond is om stipt om middernacht te eindigen. Ik kan kort zijn: wij
steunen de motie. Zij is onschuldig.
In
stemming komt motie M-5.
De
motie wordt bij handopsteken aangenomen.
De
VOORZITTER: Ik constateer dat de aanwezige leden van de fracties van de VVD,
het CDA en Stadsbelangen tegen de motie hebben gestemd.
324.
De vergadering wordt om 00.00 uur gesloten.
Aldus
vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 25 januari 2007.
,voorzitter.
,griffier.