V E E R T I E N D E   V E R G A D E R I N G

 

 

 

op donderdag 30 november 2006 om 20.00 uur.

 

 

 

Overzicht van de verhandelende punten.

 

                                                                                            Stuknr.   

 

 

293. Opening en mededelingen                                                                     

294. Rapportage commissie onderzoek geloofsbrieven/voorstel

       tot toelating van het nieuw benoemde raadslid, mevrouw

       S. van Empel tot lid van de raad van de gemeente Delft                     219    

295. Installatie en beëdiging mevrouw S. van Empel                                             

296.  Notulen                                                                                           

297.  Van anderen ingekomen stukken                                                             

298.  Voorstel inzake toepassing Delftse Industriewarmte (TDI)-

       vervroegde aanleg hoofdwarmtetransportleidingen Poptahof              203         

299.  Voorstel tot instemming met de begroting 2006 van de

       Stichting Librijn Openbaar Onderwijs                                           198         

300.  Voorstel inzake aanvraag diverse werkbudgetten

       eerstelijnszorg                                                                     207         

301.  Voorstel inzake evaluatie parkeerdruk gebied D                              205         

302.  Voorstel inzake programmabegroting 2007-2010 Gemeen-              

       schappelijke regeling brandweer Delft-Rijswijk                               206         

303.  Voorstel inzake de tweede begrotingswijziging 2006 Gemeen-

       schappelijke regeling brandweer Delft-Rijswijk                               204         

304.  Voorstel inzake onttrekking aan de openbaarheid weggedeelte

       Lookwatering                                                                      216         

305.  Voorstel inzake onttrekking aan de openbaarheid weggedeelte

       Poptahof                                                                            217         

306.  Voorstel inzake onttrekking aan de openbaarheid weggedeelte

       Mina Krusemanstraat 40-42                                                     218         

307.  Voorstel tot vaststelling van de 7e Algemene Raads

       Begrotingswijziging 2006                                                        214         

308.  Voorstel inzake besteding eenmalige rijksbijdrage bijzondere

       bijstand 2006                                                                       212         

309.  Voorstel inzake programmabegroting 2007 bedrijvenschap

       HarnaschPolder                                                                   197         

310.  Voorstel inzake heroverwegingsbesluit inzake Wet voorkeurs-

       recht gemeenten (Wvg).                                                         209         

311.  Voorstel tot vaststelling van het beeldkwaliteitplan Poptahof

       velden 5, 6 en 7                                                                   208         

312.  Voorstel inzake de Meerjarenprogramma Vastgoed 2006-2009            210         

313.  Voorstel tot vaststelling van de verordening voorzieningen

       wethouders                                                                        201         

314.  Voorstel ontheffing te verlenen aan/het benoemen van (plaats-

       vervangend) leden in diverse raadscommissies                              230         


315.  Voorstel tot vaststelling van het ontwikkelingsplan Uitbreiding

       Camping Delftse Hout                                                             107         

316   (Hervatting) voorstel ontheffing te verlenen aan/het benoemen

       van (plaatsvervangende) leden in diverse raadscommissies               230         

317.  Voorstel tot vaststelling van de Verordening Maatschappelijke

       Ondersteuning                                                                     178         

318.  Voorstel inzake uitvoering gesubsidieerd werk 2007                        215         

319.  Voorstel tot vaststelling van de update van de Algemene

       Plaatselijke Verordening voor Delft                                             199         

320. Voorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan Zuidwest,

       deelgebied 1                                                                       211         

321.  Voorstel tot vaststelling van de nota Arbeidsmarkt, Inkomen

       en Emancipatie 2007-2010                                                       213         

322.  Motie van de fractie van Stadsbelangen inzake terrasboten                             

323.    Motie van de fracties GroenLinks, D66, de SP en de PvdA

       inzake de A4                                                                                          

324.  Sluiting                                                                                            

 


 

Voorzitter: de heer mr. drs. G.A.A. Verkerk, burgemeester.

 

Aanwezig zijn: de heren De Bie, Blinker, Bot, Clason en Damen, mevrouw Dekker, de heer Van Doeveren, mevrouw Van Empel, de heren Guldemond en Harpe, mevrouw Van der Hoek, mevrouw Van Holst, mevrouw De Jong, mevrouw Junius, de heren Keuvelaar, Kiela, De Koning, Kroon, Van Leeuwen, Meuleman en Mousavi Gourabi, mevrouw Norbruis, de heer De Prez, mevrouw Van Rossum, de heer Sipkema, mevrouw Steffen, de heer Stoelinga, mevrouw Stolker, de heren Stoop en Tas, mevrouw Thoolen, de heren Van Tongeren en Vokurka, mevrouw Van der Werf, de heren De Wit en Witsenboer.

 

Raadsgriffier: mevrouw Y. van Delft

 

293. De VOORZITTER: Ik open de vergadering. Eventuele hoofdelijke stemmingen beginnen vandaag bij nr. 13 van de presentielijst, mevrouw Norbruis. Bericht van verhindering is ontvangen van de heer Van Til.

 

Aan de fracties zijn uitgereikt een definitieve bespreekagenda, een definitieve hamerstukkenagenda, een definitieve lijst ingekomen stukken, een gewijzigd raadsvoorstel en besluit van stuk 178 (vaststellen van de verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning), een gewijzigd raadsvoorstel en besluit van stuk 210 (tussentijdse Meerjaren Programma Vastgoed 2006-2009).

 

Door de fractie van Stadsbelangen is een motie ingediend over terrasboten en door de fractie van GroenLinks is een motie ingediend over de A4. Deze moties behandelen wij aan het einde van de agenda.

 

De heer BOT (GroenLinks): Voorzitter. Van die motie over de A4 wordt straks een herziene versie uitgedeeld.

 

De VOORZITTER: Goed. Ik benoem tot leden van het stembureau de heer Damen (voorzitter), de heren Witsenboer en Stoop en mevrouw De Jong.

 

294. Rapportage commissie onderzoek geloofsbrieven/voorstel tot toelating van het nieuw benoemde raadslid, mevrouw S. van Empel tot lid van de raad van de gemeente Delft.

(Stuk 219)

 

De VOORZITTER: Voor u ligt de rapportage inzake het onderzoek van de geloofsbrieven. Ik neem aan dat beraadslaging daarover niet noodzakelijk is. Ik stel voor om deze rapportage aan te nemen.

 

Conform het voorstel wordt besloten.

 

 295. Installatie en beëdiging mevrouw S. van Empel.

 

De VOORZITTER: Ik verzoek de bode om het nieuwe raadslid binnen te geleiden en ik verzoek iedereen om te gaan staan voor de beëdiging.

 

Mevrouw Van Empel legt de verklaring en belofte af. De verklaring en belofte luidt:

 

 “Ik verklaar dat ik, om tot lid van de raad benoemd te worden, rechtstreeks noch middellijk onder welke naam of voorwendsel ook, enige gift of gunst heb gegeven of beloofd.

 

Ik verklaar en beloof dat ik, om iets in dit ambt te doen of te laten, rechtstreeks noch middellijk enig geschenk of enige belofte heb aangenomen of zal aannemen.

 

Ik beloof dat ik getrouw zal zijn aan de Grondwet, dat ik de wetten zal nakomen en dat ik mijn plichten als lid van de raad naar eer en geweten zal vervullen.”

 

Hierna legt in handen van de voorzitter mevrouw Van Empel de verklaring en belofte af.


De VOORZITTER: U bent hierbij benoemd tot raadslid van de gemeente Delft. Daarbij hoort de vroedschapspenning. Dat had u waarschijnlijk niet verwacht. Met dit uiterlijke kenmerk draagt u uw gezag en uw wijsheid over de stad uit. Draag het met ere en laat het aan iedereen zien. Van harte gefeliciteerd.

 

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

 

296. Handelingen van de gemeenteraadsvergadering van 26 oktober 2006 + erratum

 

De Handelingen worden ongewijzigd vastgesteld.

 

De VOORZITTER: Naar aanleiding van de Handelingen wil ik graag nog een werkje doen, namelijk het Delftsblauwe bord uitreiken aan de heer Riphagen.

 

(De voorzitter reikt het bord uit aan de heer Riphagen, die zich op de publieke tribune bevindt.)

 

297. Vaststelling van de wijze van afdoening van ingekomen stukken.

 

 

NR

DATUM

AFZENDER

ONDERWERP

AFDOENINGSVOORSTEL

137

23-10-2006

Provincie Zuid HollandHollaZZZ

Goedkeuring bestemmingsplan Spoorzone

Voor kennisgeving aannemen

138

13-10-2006

CNV

WMO

Voor kennisgeving aannemen. Afschrift aan commissie WIJZO

139

25-10-2006

Panel Werk en Inkomen

Advies m.b.t. anti-armoedeconferentie

Voor kennisgeving aannemen. Afschrift aan commissies Bestuur en Werk en WIJZO

140

27-10-2006

VNG

Gesloten huishouding provincies

Voor kennisgeving aannemen

141

27-10-2006

Librijn Openbaar Onderwijs

Jaarverslag 2005 plus accountantsverklaring

T.z.t. betrekken bij raadsvoorstel

142

27-10- 2006

Mevr. P. Mulder

Brief aan afdeling WIZ over Delftpas (cc aan raad)

Voor kennisgeving aannemen

Afschrift beantwoording college aan raad.

143

3-11-2006

VNG

Vervanging raadsleden bij ziekte en zwangerschap

Voor kennisgeving aannemen

144

6-11-2006

dhr. D. Riphagen

Verzoek tot verlening van ontslag

Voor kennisgeving aannemen

145

5-11-2006

C.G. en J.T.J. Naberman

Bezwaarschrift tegen voorbereidingsbesluit Agnetapark

In handen stellen van Kamer II van de ACB ter behandeling.

146

3-1-2006

Aantal: 1

Zienswijze TU Noord

In handen stellen van college ter afhandeling.

147

4-11-2006

Mevr. D. Schippers-van der Hoeven

Overlast door bouwactiviteiten

In handen van college stellen ter afdoening, met afschrift aan de raad.

148

5-11-2006

D.D.M.G. van Stekelenburg en C.G. van Soelen

Bezwaarschrift tegen voorbereidingsbesluit Agnetapark

In handen stellen van Kamer II van de ACB ter behandeling.

149

17-11-2006

VNO-NCW West

Inbreng verkiezingen Tweede Kamer

Voor kennisgeving aannemen, eveneens verzonden per email.

150

17-11-2006

ProRail

Instemming met voorbereidingsbesluit Agnetapark

Voor kennisgeving aannemen.

151

17-11-2006

De heer M. Risselade

Onbedoelde fout met betrekking tot tekening bestemmingsplan TU Noord

In handen van college stellen ter afdoening, met afschrift aan de raad.

152

23-11-2006

Delftse Rekenkamer

Brief over gemaakte afspraken met delegatie raad en voorgenomen verandering in de werkwijze

Voor kennisgeving aannemen, brief is afzonderlijk naar de raadsleden gezonden.

153

21-11-2006

De heer A.E. Rövekamp en mevrouw Rövekamp-Abels

Bezwaar voorbereidingsbesluit Agnetapark

In handen stellen van Kamer I van de ACB ter behandeling.

154

21-11-2006

KNNV

Visie op Ontwikkelingsplan Abtswoude 42

Betrekken bij de behandeling van het Ontwikkelingsplan in de commissie Ruimtelijke Ordening.

 

Overeenkomstig de voorstellen van burgemeester en wethouders wordt besloten.

 

De heer VAN TONGEREN (CDA): Voorzitter. Ik maak graag een opmerking over stuk 147. De voorgestelde wijze van afdoening is prima, maar ik vraag toch even aandacht voor de achterliggende problematiek. Het gaat om een geval van ernstige geluidsoverlast door bouwactiviteiten. Ik hoop dat niet alleen de brief beantwoord wordt, maar dat er ook iets wordt gedaan aan de beperking van de overlast.

 

De VOORZITTER: Het college neemt hier goede nota van.

 

Vaststelling hamerstukkenagenda

 

298. Voorstel inzake toepassing Delftse Industriewarmte (TDI) – vervroegde aanleg hoofd-warmtetransportleidingen Poptahof.

(Stuk 203 – 20139000)

 

299. Voorstel tot instemming met de begroting 2006 van Stichting Librijn Openbaar Onderwijs.

(Stuk 198 – 20091531)

 

300. Voorstel inzake aanvraag diverse werkbudgetten eerstelijnszorg.

(Stuk 207 – 20157145)

 

301. Voorstel inzake evaluatie parkeerdruk gebied D.

(Stuk 205 – 20159680)

 

302. Voorstel inzake programmabegroting 2007-2010 Gemeenschappelijke Regeling Brandweer Delft – Rijswijk.

(Stuk 206 – 20144955)

 

303. Voorstel inzake de tweede begrotingswijziging 2006 Gemeenschappelijke Regeling brandweer Delft-Rijswijk.

(Stuk 204 – 20159843)

 

304. Voorstel inzake onttrekking aan de openbaarheid weggedeelte Lookwatering.

(Stuk 216 - 20158458)

 

305. Voorstel inzake onttrekking aan de openbaarheid weggedeelte Poptahof.

(Stuk  217 - 20158466)

 

306. Voorstel inzake onttrekking aan de openbaarheid weggedeelte Mina Krusemanstraat 40-42.

(Stuk 218 - 20158408)

 

307. Voorstel tot vaststelling van de 7e Algemene Raads Begrotingswijziging 2006.

(Stuk 214 – 20156100)

 

308. Voorstel inzake besteding eenmalige rijksbijdrage bijzondere bijstand 2006.

(Stuk 212 – 20162496).

 

309. Voorstel inzake programmabegroting 2007 bedrijvenschap HarnaschPolder.

(Stuk 197 – 20155798).

 

310. Voorstel inzake heroverwegingsbesluit inzake Wet voorkeursrecht gemeenten (Wvg).

(Stuk 209 – 20155338).

 

311. Voorstel tot vaststelling van het beeldkwaliteitplan Poptahof velden 5, 6 en 7.

(Stuk 208 – 20156249).

 

312. Voorstel inzake de MeerjarenProgramma Vastgoed 2006-2009.

(Stuk 210 – 20159875).

 

313. Voorstel tot vaststelling van de verordening voorzieningen wethouders.

(Stuk 201 – 201143364)

 

Deze voorstellen worden achtereenvolgens zonder beraadslaging en zonder hoofdelijke stemming aangenomen.

 

De VOORZITTER: Ik geef gelegenheid tot het afleggen van stemverklaringen.

 

De heer VOKURKA (D66): Voorzitter. Ik leg graag een stemverklaring af bij het voorstel inzake het meerjarenprogramma Vastgoed 2006-2009 (stuk 210 – 20159875). Mijn fractie stemt voor het voorstel maar vraagt het college wel om aandacht voor de situatie van Technopolis. Er moet snel een goede oplossing komen. De wethouder heeft dat al toegezegd, maar ik vraag daar nogmaals aandacht voor.

 

De heer DE WIT (Leefbaar Delft): Voorzitter. Wij leggen graag een stemverklaring af bij het voorstel inzake de toepassing Delftse Industriewarmte (TDI) – vervroegde aanleg hoofd-warmtetransportleidingen Poptahof (stuk 203 – 20139000). Leefbaar Delft vindt dat het warmtebedrijf voor stadsverwarming een zaak is van private energiebedrijven zoals Eneco. Dat soort bedrijven moet dat ondernemen, maar ziet daar blijkbaar geen brood in. Het voorstel om alvast pijpleidingen aan te leggen omdat anders een overheidssubsidie wordt misgelopen, lijkt op het eerste gezicht sympathiek. Aangezien een volledig financieel overzicht inclusief een risicoanalyse ontbreekt, gaat Leefbaar Delft niet akkoord met dit voorstel.

Wij leggen ook graag een stemverklaring af bij het voorstel tot vaststelling van het beeldkwaliteitplan Poptahof velden 5, 6 en 7 (208 – 20156249). In de commissie is een uitgebreid debat gevoerd, maar ik geef graag nogmaals aan wat wij hiervan vinden. Ten eerste zijn wij tegen het realiseren van moestuinen in wijken met hoog- en laagbouw. Wij vinden moestuinen bepaald geen geschikt middel om de integratie van allochtone vrouwen op te lossen. Ten tweede hebben wij geadviseerd, de sociale veiligheid goed te laten bekijken door de welstandscommissie. Dat is echter niet opgenomen in het voorstel. Ten derde vinden wij dat goed gekeken moet worden naar het aanbieden van afval, met name van grofvuil. Het is nu een grote bende op straat. Als de straat vol ligt met afval, wordt het nooit een mooie wijk. Omdat onze adviezen niet zijn overgenomen, stemmen wij niet in met het voorstel.

 

314. Voorstel ontheffing te verlenen aan/het benoemen van (plaatsvervangend) leden in diverse raadscommissies.

 (Stuk 230)

 

De VOORZITTER: De stembriefjes worden uitgereikt en ik roep het stembureau op om zijn werkzaamheden uit te voeren. Ik stel voor om tijdens het stemmen door te vergaderen.

 

Mevrouw STEFFEN (VVD): Voorzitter. Ik vind het geen probleem om tijdens het stemmen door te vergaderen. Tijdens het tellen van de stemmen zijn echter raadsleden weg. Ik wil absoluut dat zij tijdens de behandeling van een onderwerp in de raad blijven. Het schorsen van de vergadering om de stemmen te tellen kost een paar minuten, maar daarna zijn wij wel weer allemaal aanwezig.

 

De VOORZITTER: Wij kijken hoe het straks gaat.

 

De behandeling van dit agendapunt wordt geschorst.

 

315. Voorstel tot vaststelling van het ontwikkelingsplan Uitbreiding Camping Delftse Hout

(Stuk 107 – 20053889)

 

De VOORZITTER: Er zijn een nieuw maatschappelijk feit, een nieuw juridisch feit en een nieuw rechtsfeit aan de orde. Er is een referendum gehouden over dit voorstel. Dat referendum is geldig verklaard en de uitslag was dat de Delftse bevolking zich bij meerderheid heeft uitgelaten tegen dit voorstel. De bevolking wil dit voorstel dus niet. Aan de leden is een specificatie uitgedeeld van de uitslag. Het college zal daar nog schriftelijk op reageren. Indachtig de behandeling van dit onderwerp in de raadsvergadering van juni en de toepassing van de verordening, moeten wij vandaag, in de eerste raadsvergadering na het referendum, een besluit nemen over het voorstel. Om die reden is het vandaag geagendeerd. Voor mij is duidelijk dat de raad op 30 juni heeft gezegd dat hij de uitslag van het referendum respecteert. Dat zou betekenen dat de raad dit voorstel vandaag afstemt. Voordat ik het voorstel in stemming breng, bied ik de raad gelegenheid om op het referendum en het voorstel te reageren.

 

De heer KROON (PvdA): Voorzitter. Namens de PvdA-fractie leg ik graag een verklaring af. In de commissie Ruimtelijke Ordening is aangegeven dat mijn fractie voorstander is van uitbreiding van de camping. Er waren veel argumenten voor en tegen. Voor ons was een belangrijk argument om voor te zijn, het feit dat tussen de gemeenten en de ondernemer in 2001 een afspraak was gemaakt die bevestigd is in 2003. In de vergadering van 30 juni heeft mijn fractie aangegeven, de uitkomst van het referendum zwaar te laten meewegen in haar overweging. Gelet op de uitkomst van het referendum, de opkomst en het duidelijke “nee” van de bevolking tegen de uitbreiding, respecteert mijn fractie de uitslag. Zij stemt tegen de uitbreiding van de camping.

 

De heer KEUVELAAR (CDA): Voorzitter. Het standpunt van de CDA-fractie is vrij simpel. Mijn fractie heeft al eerder aangegeven de uitslag van het referendum bij een geldige uitslag te volgen en stemt dus tegen de uitbreiding. Ik maak nog wel een kleine opmerking over de communicatie. Veel mensen in de stad leken niet te weten waar het precies om ging. Er werd veel met de onderbuik beslist. Ik vraag mij dan ook af of er voldoende is gecommuniceerd naar de burger. Hoe helder was het voor de burger waar het precies om ging? Desalniettemin stemt de CDA-fractie tegen de uitbreiding, omdat zij de uitslag van het referendum respecteert.

 

De heer HARPE (VVD): Voorzitter. De VVD-fractie heeft aangegeven de uitslag van het referendum te zullen respecteren en doet dat daarom natuurlijk ook. De brief van de heer Meijkamp verandert ons standpunt niet, maar is wel aanleiding voor een paar opmerkingen. Ik heb het college voorafgaand aan het referendum gevraagd naar zijn opstelling, waarbij ik pleitte voor een wat minder neutrale houding. Helaas heeft het college daar niet voor gekozen. Naar mijn mening heeft dat geleid tot een eenzijdige campagne, waarbij de desbetreffende ondernemer behoorlijk last heeft gehad van het bomenkapsentiment in onze stad. Bovendien hoor ik graag van het college of het bekend is met de geluiden dat stembureaumedewerkers stemmers geholpen hebben bij het uitbrengen van hun stem door de vraag voor te houden of men voor of tegen het kappen van 113 bomen was.

 

Al met al is de uitkomst treurig te noemen. Het proces vraagt om een stevige evaluatie. Ik heb begrepen dat die wordt uitgevoerd. Naar de mening van mijn fractie behoort dit referendum tot de categorie “eens maar nooit weer”. Hoewel ik de woorden niet overneem, is het niet geheel onbegrijpelijk dat er in onze stad ondernemers zijn die het gehele traject karakteriseren als bestuurlijk onbehoorlijk. Om die reden vraag ik u om aan te geven hoe wij kunnen voorkomen dat over een onderwerp als dit ooit nog in onze stad een referendum wordt gehouden. De VVD-fractie roept het college ertoe op om er alles aan te doen om met de camping tot een oplossing te komen.

 

De heer BOT (GroenLinks): Wat bedoelt u met “een onderwerp als dit”?

 

De heer HARPE (VVD): Wij hebben gediscussieerd over de vraag welke voorstellen en besluiten al dan niet referendabel zijn. Wij zijn daarover geadviseerd door drie wijzen. Gelet op het voortraject en de economische belangen van de ondernemer en de gewekte verwachtingen, vinden wij dit soort onderwerpen niet referendabel. Hiervoor is er een raad, die gekozen is en waarbij de verantwoordelijkheid is gelegd om besluiten te nemen in alle genuanceerdheid.

 

De heer BOT (GroenLinks): U hebt geen antwoord gegeven op mijn vraag wat u met “een onderwerp als dit” bedoelt.

 

De heer HARPE (VVD): Bijvoorbeeld een onderwerp dat de uitbreiding van een camping betreft. Zo kunnen meer onderwerpen worden bedacht.

 

De heer VOKURKA (D66): Waarom neemt u dan wel de uitslag over?

 

De heer HARPE (VVD): Wij zijn een betrouwbare partij. Wij zijn schoorvoetend akkoord gegaan met het referendum, waarbij wij hebben gezegd dat bij een referendum de kiezer serieus moet worden genomen, hoe spijtig die uitslag ook is. Wij gaan dus akkoord met de referendumuitslag.

 

De heer DE WIT (Leefbaar Delft): Voorzitter. Het referendum was een groot succes met een opkomstpercentage van 64. Dat is hoger dan bij de raadsverkiezingen. Ik zie ook niet dat een dergelijke opkomst snel weer wordt gehaald. Dit is een uniek feit. Het stoort mij daarom dat de VVD allerlei verdachtmakingen rondstrooit over het referendum. Het referendum is eerlijk verlopen. Niet alleen de VVD maar ook ondernemers – verenigingen, de Kamer van Koophandel, het MKB, VNO-NCW – zeggen “eens maar nooit weer”. Leefbaar Delft vindt echter dat referenda vaker moeten worden georganiseerd. Het is een mooi middel om de burger bij de besluitvorming te betrekken, vooral als de raad in achterkamers besluiten neemt die niet gedragen worden door de Delftenaren.

 

De heer HARPE (VVD): U stelt dus eigenlijk voor om de raad op te heffen en alleen nog referenda te houden. Waar blijft uw rol als volksvertegenwoordiger dan?

 

De VOORZITTER: Laten wij niet al te diep ingaan op het fenomeen referendum. Er komt nog een evaluatie. Daarin kunnen uitgebreid kanttekeningen worden gezet.

 

De heer DE WIT (Leefbaar Delft): Wij vinden dat zaken zoals ruimtelijke ordening referendabel moeten zijn. Neem een stadskantoor, grootschalige herstructurering of sloop. Dat zijn onderwerpen die veel mensen aangaan en waar veel mensen wat over vinden. Dit referendum heeft bewezen dat zaken van ruimtelijke ordening de burgers interesseren. Dat heeft het opkomstpercentage van 64 wel bewezen. Onze conclusie is dus dat referenda vaker moeten worden gehouden, niet omdat de raad slechte besluiten neemt maar omdat de burger bij het beleid moet worden betrokken.

 

De heer KEUVELAAR (CDA): Voorzitter …

 

De heer DE WIT (Leefbaar Delft): Ik word een beetje moe van die interrupties.

 

De VOORZITTER: Ik zal u op gepaste tijden nog eens aan deze opmerking herinneren.

 

De heer KEUVELAAR (CDA): U hebt het steeds over die geweldig hoge opkomst. Is het u bekend dat er op die dag nog een bepaalde activiteit was waardoor de opkomst wellicht wat hoger is uitgevallen?

 

De heer DE WIT (Leefbaar Delft): Als het de burger niet had geïnteresseerd, had hij niet gestemd. In Moergestel was de opkomst bij een referendum over een bedrijventerrein maar 19%. Dat onderwerp interesseerde niemand. De burger heeft gesproken. Als u zegt dat het de burger allemaal niet interesseert, is dat uw mening, niet de onze.

 

De heer GULDEMOND (STIP): Voorzitter. Ook de STIP-fractie heeft eerder aangegeven een geldige uitslag van het referendum over te nemen. Zij stemt daarom tegen het voorstel.

 

De heer VOKURKA (D66): Voorzitter. D66 is voorstander van referenda. Mijn fractie is daarom blij met zowel de uitkomst als de hoge opkomst. Ik snap de woorden van de heer Harpe niet helemaal. Hij begint over allerlei verstrooiingen. Ik kan de heer De Wit daar wel in volgen. In Delft is een verordening van kracht en die is keurig netjes gevolgd. Mijn fractie respecteert de uitslag en stemt tegen het voorstel.

 

De heer MEULEMAN (Stadsbelangen): Voorzitter. Na de uitslag van het referendum hebben wij een aantal reacties gelezen en gehoord in de krant in de trant van “wij hebben gewonnen van het college”. Stadsbelangen heeft zich daarover verbaasd. Naar onze mening ging het bij het referendum niet om een wedstrijd tegen het college. Het ging om een betrouwbare overheid versus plotseling opkomende protesten tegen uitbreiding van de camping. Nadat in 2001 de commissies Leefbaarheid en Duurzaamheid er geen behoefte aan hadden om een nota over mogelijke uitbreiding van de camping te bespreken, heeft het college in de richting van de campinghouder uitgesproken dat uitbreiding van de camping mogelijk was. Het toenmalige college mocht er naar onze mening terecht van uitgaan dat de gemeenteraad en de bewoners in de stad geen bezwaar hadden tegen die uitbreiding. Op dat moment was geen enkele vorm van protest waarneembaar. Toen begin dit jaar uiteindelijk de consequenties van de uitbreiding zichtbaar werden, bleken er ineens, al dan niet aangewakkerd, protesten te komen uit de samenleving. Ook enkele fracties protesteerden, terwijl zij in 2001 geen bezwaar hadden tegen uitbreiding van de camping. Stadsbelangen is van mening dat het college terecht het voorstel voor uitbreiding van de camping heeft gedaan. Het college kon ook niet anders, gezien de voorgeschiedenis. Dat neemt niet weg dat na vijf jaar, toen de consequenties van de voorgestelde uitbreiding zichtbaar werden, de raad de signalen uit de samenleving niet kon negeren. Deze consequenties waren in 2001 nog niet bekend. Inwoners hebben gebruik gemaakt van de mogelijkheid van het instrument referendum. Dat is gezien de hoge drempel best een flinke klus geweest. Stadsbelangen heeft zich, nadat de raad tot het houden van een referendum had besloten, afzijdig gehouden van de voortgang van dit proces. Wij vonden en vinden dat het meest zuiver. Het referendum is een instrument van burgers en naar onze mening niet bedoeld als instrument van politieke partijen.

 

In elk geval heeft het referendum een duidelijke uitslag opgeleverd: een ruime meerderheid van de Delftse bevolking is tegen uitbreiding van de camping. Onze indruk is wel dat de inwoners van onze stad door middel van dit referendum vooral een signaal hebben willen afgeven over het bomenkapbeleid. Overigens willen wij daarmee niets afdoen aan de uitslag van het referendum. Stadsbelangen heeft eerder aangekondigd, bij een geldig referendum de uitslag te volgen. De kiezer heeft duidelijk nee gezegd en dat is voor onze fractie leidend. Wij stemmen daarom tegen het voorstel voor uitbreiding van de camping.

 

Door de ondernemers is forse kritiek geuit op het instrument van het referendum. Naar onze mening is die kritiek onterecht. Enige nuance aan de kant van de ondernemers zou gepast zijn. Zij maken zich wel druk over het feit dat de ene camping niet kan uitbreiden, maar maken zich niet druk om de andere camping die 300 plekken beschikbaar heeft maar er slechts 75 mag gebruiken. Dat geeft te denken.

 

Stadsbelangen meent dat het referendum op korte termijn moet worden geëvalueerd. De les die wij trekken, is in elk geval dat zowel het college als de fractievoorzitters nog kritischer moeten bezien of nota’s terecht op de niet te bespreken agenda worden gezet.

 

De heer HARPE (VVD): U maakt een vergelijking die slaat op de ondernemers, waarbij u een link legt met een andere camping. Zouden de ondernemers zich er niet met name zorgen over maken dat zij ooit in een vergelijkbare situatie terechtkomen, als zij na overleg met de gemeente mogen verwachten dat zij kunnen uitbreiden op een bepaalde bouwlocatie? De link met de andere camping is in dat verband niet relevant.

 

De heer MEULEMAN (Stadsbelangen): Ik stel vast dat de ondernemers nadrukkelijk hebben verklaard, niets te zien in een referendum. Op dat punt verschilt mijn fractie van mening met de ondernemers die die mening hebben. Juist in deze situatie vind ik dat enige nuance gepast is. Wij zitten hier in de raad niet voor onszelf maar namens de burgers; op dat punt ben ik het niet helemaal met uw fractie eens. Als burgers duidelijke signalen geven dat zij ergens tegen zijn, moet de raad niet zo eigenwijs zijn om anders te besluiten.

 

De heer HARPE (VVD): Waar haalt u vandaan dat wij gezegd hebben dat wij hier voor onszelf zitten?

 

De heer MEULEMAN (Stadsbelangen): Volgens mij heb ik dat niet gezegd.

 

De heer HARPE (VVD): Dat zegt u net.

 

De heer MEULEMAN (Stadsbelangen): Ik heb toch niet gezegd dat u dat gezegd hebt?

 

De heer HARPE (VVD): Wij lezen het terug in de Handelingen.

 

Mevrouw NORBRUIS (GroenLinks): De fractie van GroenLinks heeft in juni gezegd de uitslag van het referendum te volgen. Zij is niet van mening veranderd. Wij kunnen hier vanavond nog veel over zeggen, maar dit is niet het moment om dat te doen. Wij wachten de evaluatie af en geven dan aan wat wij ervan vinden.

 

De heer SIPKEMA (SP): Voorzitter. Wij hebben gezegd dat wij de uitslag zouden volgen. Wij waren sowieso tegen de uitbreiding. Na de opmerkingen van de andere fracties merken wij wel op dat wij het referendum een goed middel vinden om tussen de verkiezingen door de bevolking de mogelijkheid te bieden om zich tegen een voorstel uit te spreken. De heer Kiela heeft goed aangevoeld dat dat voor dit geval opging. Dat blijkt wel uit de opkomst. Ik kan mij niet vinden in de woorden van de VVD-fractie dat het referendum een vervanging is van de raad. Met het referendum krijgt de raad een signaal van de bevolking. De raad zou daar natuurlijk wat mee kunnen doen.

 

De VOORZITTER: Vanuit het college is er weinig aanleiding om op de woorden van de raad te reageren. Wij respecteren de wens van de raad. Er is gevraagd om in overleg te treden met de ondernemer. Wij zullen dat zeker doen. Alle kanttekeningen en opmerkingen worden meegenomen in de evaluatie. Er is recht en reden om stil te staan bij de manier waarop het instrument is gebruikt en toegepast. Daar is nog het nodige aan bij te schaven. Ik heb in juni al gezegd dat dit de eerste keer is dat deze verordening is toegepast. De verordening is op basis van inzichten in 1997 vastgesteld. Het is vast mogelijk om deze te verbeteren. Als leden het instrument van het referendum als zodanig aan de orde willen stellen, is dat natuurlijk mogelijk.

 

In stemming komt het voorstel.

 

Het voorstel wordt met algemene stemmen verworpen.

 

316. (Hervatting) Voorstel ontheffing te verlenen aan/het benoemen van (plaatsvervangend) leden in diverse raadscommissies.

 (Stuk 230)

 

De heer DAMEN (PvdA): Er zijn 36 biljetten uitgereikt en 36 biljetten terugontvangen. Met 36 stemmen is ingestemd met alle voorgestelde leden.

 

De VOORZITTER: Daarmee zijn de leden en plaatsvervangend leden in de commissies benoemd.

 

Mevrouw STEFFEN (VVD): Voorzitter. Ik heb daarnet een verzoek gedaan dat ik wel vaker doe, namelijk om te schorsen voor het tellen van de stemmen. Meestal voldoet u aan een verzoek van mijn kant, maar vanavond hebt u daar nadrukkelijk niet aan voldaan. Ik verzoek het presidium om de raad eens een voorstel te doen omtrent de gang van zaken bij stemmingen, zodat wij er voor eens en altijd van af zijn.

 

De VOORZITTER: Ik heb helemaal niets gedaan. Ik heb de indruk dat het stembureau uit eigen beweging iets ging doen. Ik heb dat niet gezien en ik heb het ook niet tegengehouden. Het stembureau heeft dat uit eigen beweging gedaan.

 

Mevrouw STEFFEN (VVD): Reden temeer om daar regels voor af te spreken in de raad.

 

De VOORZITTER: Dat lijkt mij uitstekend.

 

317. Voorstel tot vaststelling van de Verordening Maatschappelijke Ondersteuning

(Stuk 178 - 20129217)

 

Mevrouw VAN ROSSUM (SP): Voorzitter. Ik heb een berg voorstellen voor mij liggen. Ik wilde dus graag het spits afbijten bij dit onderwerp. Dan is de raad daarna van mij af.

 

Er is een ingewikkelde berg werk vanuit de landelijke politiek tot ons gekomen. Het lijkt dus niet gek dat Delft heeft gekozen voor een zogenaamde "beleidsarme verordening" voor komend jaar. Het gaat echter niet om wat handig is voor de gemeente, maar om de mensen die met de WMO te maken krijgen. Organisaties van mensen die zorg nodig hebben, zoals de Chronisch zieken- en Gehandicaptenraad (CG-raad), hebben een goed beeld van de manier waarop de WMO het beste kan worden ingericht. Zij weten wat zorgvragers willen en nodig hebben; laten wij dus naar hen luisteren. De CG-raad heeft een eigen verordening geschreven. Het college vindt ook dat deze verordening beter bij de WMO past dan de verordening van de VNG die nu aan de orde is. Meerdere fracties waren het daar ook mee eens tijdens de commissievergadering. Over het algemeen wordt echter gezegd: volgend jaar kunnen wij zaken wijzigen. Ik vraag de andere fracties: waarom? Waarom een jaar lang met een slechte verordening werken als het ook meteen goed kan? Ik dien een motie in om toch voor het model van de CG-raad te kiezen.

 

Als deze verordening wordt goedgekeurd, wordt de zelfredzaamheid van mensen ingeperkt, wordt de maatschappelijke participatie niet bevorderd en verplicht de gemeente zich nergens toe. Ik zeg niet dat de zorg in Delft slecht is, maar veel kan beter. Mijn fractie wil dat de keuzevrijheid en de zelfredzaamheid toenemen en dat de gemeente garant staat voor zorg.

 

De SP-fractie heeft veel ideeën over verbetering, bijvoorbeeld op het punt van de indicatiestelling, het persoonsgebonden budget, de participatie en het behoud van medewerkers in de zorg. Niet alles kan in één keer, maar de voorstellen die ik vanavond namens mijn fractie doe, zijn realiseerbaar en kunnen in dit overgangsjaar bijdragen aan een socialere verordening. Als de motie het niet haalt, laten wij een aantal amendementen in stemming brengen. Deze zijn een paar dagen geleden onder de leden van de raad verspreid en ik verzoek hun om daar goed naar te kijken. Ik zal de amendementen even langslopen. Normaal gebeurt dat niet in de eerste termijn, maar in dit geval zijn de voorstellen al in de commissie besproken. Ik ben overigens blij dat de wethouder inmiddels een aantal toezeggingen heeft gedaan. Het amendement over de huisgenoot dat was voorbereid, dien ik daarom niet in.

 

Het eerste amendement gaat over de uitzondering op het primaat. De wethouder heeft hierover toezeggingen gedaan, maar het primaat op verhuizing is gehandhaafd. Ik licht even toe wat het idee van mijn fractie hierover is. Stel dat iemand ergens al tien jaar woont en zeer goed bevriend is met de buren, bij wie hij elke dag even langsloopt. Als die persoon op een gegeven moment een aangepaste woning nodig heeft, kan het gebeuren dat hij moet verhuizen naar een woning die al aangepast is, met als gevolg dat hij zijn buren bijna niet meer ziet. Ik geef dit voorbeeld om aan te geven dat de primaten in sommige gevallen de zelfredzaamheid en de maatschappelijke participatie kunnen beperken. Dat is niet de bedoeling. Dit soort dingen wordt voorkomen met ons amendement. Mensen kunnen dan, als hun maatschappelijke participatie bedreigd wordt, een aanvraag doen op uitzondering van het primaat waardoor voor hen een andere oplossing wordt gezocht.

 

Mijn fractie wil verder dat een bezoekadres wordt uitgebreid met een logeermogelijkheid. Het is voor de SP-fractie volkomen logisch dat iemand die in een onzelfstandige woonruimte woont, gewoon bij zijn ouders of andere familie kan logeren.

 

Ik kom bij de "kan"-bepaling. Overal in de verordening staat dat de gemeente dingen kan verstrekken. Mijn fractie vindt dat te vrijblijvend. De gemeente moet zich verplichten tot het aanbieden van zorg. Hetzelfde geldt voor het amendement over de compensatieplicht. De gemeente moet zich daartoe verplichten.

 

In artikel 37 over vervoersvoorzieningen staat alleen dat eenzaamheid moet worden voorkomen. Dat is echter niet genoeg. Participatie aan maatschappelijke activiteiten moet zoveel mogelijk verbeterd worden. Dat is ook een doel van de WMO. Waarom staat dat niet in het artikel vermeld?

 

Amendementen over aantoonbare beperkingen en rolstoelvoorzieningen lijken kleine puntjes, maar wij willen zeker stellen dat mensen geen zorg of voorzieningen mislopen door een verkeerde interpretatie. Ik weet ook niet waarom deze punten niet gewoon kunnen worden toegevoegd.

 

Ik dien de amendementen nu in. Ik verzoek alle fracties nogmaals om er goed naar te kijken en de amendementen te steunen.

 

De VOORZITTER: Door de SP-fractie worden de volgende motie (M-1) en amendementen (A-1 tot en met A-4) ingediend:

 

M-1

 

"De gemeenteraad van Delft, in vergadering bijeen op 30 november 2006,

 

constaterende dat:

·             de VNG-verordening Maatschappelijke Ondersteuning, waar de Delftse verordening WMO op gebaseerd is, op cruciale punten strijdig is met de wet;

·             dit zeer nadelige gevolgen kan hebben voor de mensen die van de WMO afhankelijk zijn;

 

overwegende dat het college van mening is dat de verordening van de Chronisch zieken en Gehandicaptenraad (CG-raad) meer WMO-gericht is;

 

draagt het college op, de voorliggende verordening te vervangen door de verordening die is opgesteld door de Chronisch zieken en Gehandicaptenraad,

 

en gaat over tot de orde van de dag."

 

A-1

 

"De gemeenteraad van Delft, in vergadering bijeen op 30 november 2006,

 

besluit in de verordening Maatschappelijke Ondersteuning toe te voegen aan Hoofdstuk 2, vorm van de te verstrekken voorzieningen:

 

'Artikel 7 - aanvraag uitzondering primaat

  1. Het is mogelijk voor een persoon als bedoeld in artikel 1, lid 1, onderdeel g, om een uitzondering op een primaat - dus een individuele voorziening - aan te vragen, ook als er een collectieve voorziening voor handen is;
  2. Deze aanvraag wordt gehonoreerd door de gemeente als er door middel van een individuele voorziening een betere maatschappelijke participatie mogelijk is en/of de zelfredzaamheid vergroot wordt.',

 

en gaat over tot de orde van de dag.

 

Toelichting:

In de huidige verordening wordt een algemene voorziening vooropgesteld. Dit is in sommige gevallen een oplossing, maar kan de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie enorm inperken. Voorbeeld: Iemand kan met een aanpassing van het keukenblad prima zijn eigen maaltijden bereiden. Door het primaat kan het zo zijn dat diegene een maaltijdvoorziening als Tafeltje-dekje krijgt."

 

A-2

 

"De gemeenteraad van Delft, in vergadering bijeen op 30 november 2006,

 

besluit in de verordening Maatschappelijke Ondersteuning aan artikel 23 Hoofdverblijf toe te voegen aan lid 3:

 

'alsmede gebruik kan maken van een slaapkamer.',

 

en gaat over tot de orde van de dag.

 

Toelichting:

In de huidige verordening is het niet mogelijk om bijvoorbeeld te logeren. Om maatschappelijke participatie mogelijk te maken en/of te behouden is deze toevoeging van groot belang."

 

A-3

 

"De gemeenteraad van Delft, in vergadering bijeen op 30 november 2006,

 

besluit in de verordening Maatschappelijke Ondersteuning in onder andere artikel 2, 3, 7, 8, 10, 14, 15, 16, 17, 36, et cetera de ‘kan’-bepaling te wijzigen in ‘De gemeente biedt de keuze’,

 

en gaat over tot de orde van de dag.

 

Voorbeeld:

 

Artikel 3

1.       Een individuele voorziening kan verstrekt worden in natura, als financiële tegemoetkoming en als persoonsgebonden budget.

 

wijzigen in:

 

Artikel 3

1.       De gemeente biedt personen die aanspraak hebben op een individuele voorziening de keuze tussen het ontvangen van een voorziening in natura, een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget.

 

Toelichting:

De ‘kan’-bepaling gaat voorbij aan de verplichting van de gemeente om zorg te dragen voor keuzemogelijkheden."

 

A-4

 

"De gemeenteraad van Delft, in vergadering bijeen op 30 november 2006,

 

besluit in de verordening Maatschappelijke Ondersteuning artikel 1, lid f: 'Compensatiebeginsel: het compensatiebeginsel, zoals vastgelegd in artikel 4, lid 1, van de wet.’

 

te wijzigen in:

 

'Compensatieplicht: de compensatieplicht houdt de algemene verplichting in dat de gemeente beperkingen in zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie compenseert van burgers zoals omschreven in de WMO, artikel 1, lid 1, onderdelen 4, 5 en 6. Hierbij is het functioneren van iemand die geen voorzieningen nodig heeft norm voor de hoogte en de mate waarin gecompenseerd wordt, evenals voor de aard van de compensatie.',

 

en gaat over tot de orde van de dag.

 

Toelichting:

Het compensatiebeginsel in de huidige verordening houdt geen plicht in om burgers te compenseren. Het is belangrijk dat de gemeente zichzelf verplicht en zo zelf de verantwoordelijkheid neemt mensen met beperkingen te compenseren."

 

Door de fracties van de SP en het CDA wordt het volgende amendement (A-5) ingediend:

 

"De gemeenteraad in vergadering bijeen op 30 november 2006,

 

besluit in de verordening Maatschappelijke Ondersteuning artikel 37, lid 7: 'Bij te verstrekken vervoersvoorzieningen wordt ten aanzien van de vervoersbehoefte uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsing in de directe woon- en leefomgeving in het kader van het leven van alledag, tenzij zich een uitzonderingssituatie voordoet waarbij het gaat om bovenregionaal contact dat uitsluitend door de persoon als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder G, onderdeel 5 en 6, van de wet bezocht kan worden, terwijl het bezoek noodzakelijk is voor de persoon als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder G, onderdeel 5 en 6, van de wet om dreigende vereenzaming te voorkomen.'

 

toe te voegen na 'te voorkomen': 'en de deelname aan het maatschappelijke verkeer te bevorderen.',

 

en gaat over tot de orde van de dag.

 

Toelichting:

Het voorkomen van dreigende vereenzaming doet ernstig tekort aan de doelstelling van de WMO, namelijk het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijke verkeer."

 

Door de SP-fractie worden de volgende amendementen (A-6 tot en met A-8) ingediend:

 

A-6

 

"De gemeenteraad van Delft, in vergadering bijeen op 30 november 2006,

 

besluit in de verordening Maatschappelijke Ondersteuning artikel 1, begripsbepalingen, lid 1, onderdeel G, en verderop in de verordening wanneer hierover wordt gesproken, 'persoon met beperkingen: een persoon die ten gevolge van ziekte of gebrek, inclusief chronisch psychische en psychosociale problemen, aantoonbare beperkingen ondervindt bij de maatschappelijke participatie'

 

te wijzigen in:

 

'persoon met beperkingen: een persoon die ten gevolge van ziekte of gebrek, inclusief chronisch psychische en psychosociale problemen, beperkingen ondervindt bij de maatschappelijke participatie.' (het woord 'aantoonbaar' is geschrapt),

 

en gaat over tot de orde van de dag.

 

Toelichting:

De term 'aantoonbare beperking' beperkt de reikwijdte van de wet en komt in de hele WMO niet voor. Niet alle beperkingen in maatschappelijke participatie kunnen aangetoond worden, dus hierdoor kunnen mensen voorzieningen mislopen."

 

A-7

 

"De gemeenteraad van Delft, in vergadering bijeen op 30 november 2006,

 

besluit in de verordening Maatschappelijke Ondersteuning, artikel 39, Soorten rolstoelvoorzieningen, toe te voegen aan de lijst met rolstoelvoorzieningen als lid e:

 

'e. een elektrische rolstoel of een scootmobiel',

 

en gaat over tot de orde van de dag.

 

Toelichting:

Zoals de verordening er nu ligt, kunnen er geen elektrische rolstoelen of scootmobielen verstrekt worden door de gemeente, terwijl mensen deze voorziening wel nodig hebben.

 

A-8

 

"De gemeenteraad van Delft, in vergadering bijeen op 30 november 2006,

 

besluit in de verordening Maatschappelijke Ondersteuning,

 

artikel 2, lid 2, onderdeel a, b en c te schrappen:

‘2. Een voorziening kan slechts worden toegekend indien:

a. De voorziening langdurig noodzakelijk is;

b. De voorziening, objectief, als de goedkoopste adequate voorziening kan worden aangemerkt;

c. deze in overwegende mate op het individu is gericht,’

 

en gaat over tot de orde van de dag.

 

Toelichting:

De term 'langdurig noodzakelijk' perkt de werking van de wet in en komt in de WMO niet voor. Deze term wordt gebruikt om aanspraken op compensatie te beperken.

De term 'goedkoopste adequate' is geen omschrijving die voorkomt in de WMO. Maatstaf voor een voorziening is de mate waarin en hoeverre een probleem wordt opgelost. Hierbij is de vraag naar goedkoopst adequaat niet aan de orde.

De term 'in overwegende mate op het individu is gericht' sluit feitelijk algemene voorzieningen uit. De WMO gaat uit van alleen individuele voorzieningen.

 

Mevrouw VAN DER HOEK (VVD): Voorzitter. In twee commissievergaderingen hebben wij uitvoerig de eerste Delftse WMO-verordening aan de orde gehad. Aan het einde van de laatste commissievergadering gingen acht van de tien fracties, waaronder de VVD-fractie, akkoord met de voorliggende beleidsarme verordening. Ik gebruik bewust de woorden "eerste" en "beleidsarme" in relatie tot de verordening. In december wordt immers in de commissie gepraat over de verdere aanpak van de WMO. Volgend voorjaar wordt in de raad een startnotitie vastgesteld. Er wordt een vergadering van de commissie Extern belegd waaruit zal blijken hoe elders de WMO wordt aangepakt. Wij hopen daar ons voordeel mee te doen voor de Delftse situatie. Het college, de raad en de Delftse burgers gaan dus in de komende periode bouwen aan een uitvoering van de WMO die past bij Delft. Wij gaan met zijn allen een boeiend traject tegemoet. Na de nadere toelichting van het college in de brief van 17 november was het nog wel te verwachten dat een enkel amendement in de raadsvergadering zou worden ingediend. Ik begrijp echter niet dat de SP-fractie weer komt met een motie om niet de verordening van de VNG maar die van de CG-raad als uitgangspunt te gebruiken. Het onderwerp is uitgebreid in de commissie aan de orde geweest. Acht fracties hebben aangegeven de VNG-variant te steunen. Waarom wordt deze riedel vanavond herhaald? Waarom houden wij commissievergaderingen? Die dienen toch als voorbereiding op de raadsvergadering? Het is toch niet de bedoeling om alles in de raadsvergadering te herhalen?

 

Mevrouw VAN ROSSUM (SP): U zegt dat wij dit allemaal herhalen, maar dit is de eerste keer dat wij hierover praten in een raadsvergadering. De SP-fractie vindt het belangrijk om direct een zo goed mogelijke verordening in te voeren. Ik begrijp wel dat u daar in het komende jaar rustig naar wilt kijken, maar mijn fractie vindt dat het om belangrijke punten gaat. Zij probeert die vanavond te realiseren. U kunt daarover moeilijk kwaad worden op mij.

 

Mevrouw VAN DER HOEK (VVD): Ik word helemaal niet kwaad. U moet absoluut doen wat u niet kunt laten. Ik dacht echter dat er een soort afspraak gold dat commissievergaderingen niet worden overgedaan in de raad. In de commissievergadering tekende zich een grote meerderheid af voor het voorstel.

 

De VOORZITTER: Ik heb het gevoel dat wij deze discussie moeten stoppen. Ik begrijp uw betoog, maar als de SP-fractie gebruik wil maken van een recht van de raad, moet zij dat doen.

 

Mevrouw VAN DER HOEK (VVD): Dat zei ik ook.

 

De VOORZITTER: Dan zijn wij het eens.

 

Mevrouw DE JONG (CDA): Voorzitter. De CDA-fractie is in een eerdere fase van de besluitvorming akkoord gaan met een beleidsarme overgangsverordening die tot 31 december 2007 zal gelden. Wij moeten dus veel wensen doorschuiven naar het volgende jaar. Dat geldt ook voor de meeste amendementen die de SP-fractie heeft ingediend, hoewel mijn fractie één amendement steunt en mede heeft ondertekend.

 

De CDA-fractie was voor het eerst zeer te spreken over de behandeling van een voorstel in de commissie WIJZO. Er was echt sprake van een dialoog met de wethouder. Voorstellen van de verschillende fracties werden serieus behandeld. Ik dank de wethouder daarvoor. Ik dank hem ook voor de wijzigingen die hij naar aanleidingen van toezeggingen in de commissie heeft doorgevoerd. Veel van de moties die ik had voorbereid, hoef ik daarom niet in te dienen. Mijn fractie stemt in met de manier waarop de contra-indicaties voor het verkrijgen van een persoonsgebonden budget zijn verwoord, met het schrappen van de algemene voorziening voor huishoudelijke hulp en met de nieuwe omschrijving van het begrip “huisgenoot”.

 

Over het begrip “zorguitruil” wil de wethouder pas bij de herziening van de verordening in het volgende jaar beslissen. Hij heeft in de commissie gezegd dat het daarbij om een politiek besluit gaat waarover de raad zich moet uitspreken. De CDA-fractie stelt de raad voor om daar toch nu al een uitspraak over te doen. Ik dien daarover een motie in. De verordening is weliswaar beleidsarm, maar zorguitruil is in het kader van de AWBZ al mogelijk. Ik ben het eens met de stelling van de wethouder dat de gemeente daarmee een financieel risico loopt. Dat risico schijnt maximaal 100.000 euro te bedragen en is erin gelegen dat enkel de huishoudelijke hulp wordt overgeheveld naar de gemeente. De persoonlijke verzorging blijft onderdeel van de AWBZ. De CDA-fractie vindt dat een gemeente als Delft dat financiële risico goed kan dragen omdat er nog 1,4 miljoen euro is gespaard in die pot. Mijn fractie meent dat er voldoende geld is om het dit jaar te doen. Volgend jaar blijkt dan of er meer geld is uit de AWBZ-gelden. Dat is dan vlugger terug te halen. Dit punt is vooral belangrijk omdat het gaat om mantelzorgers die vaak overbelast dreigen te raken. Zij zorgen vaak zelf voor hun dierbaren terwijl er wel een indicatie is. Zij dreigen in de problemen te komen omdat zij daarnaast niet ook nog het huishouden kunnen doen. Het ondersteunen van de mantelzorgers is de belangrijkste taak van de gemeente voor het komende jaar. Om die reden wil ik deze motie aanbevelen.

 

In de commissie hebben wij één punt laten liggen omdat wij daar nog niet helemaal uit waren. Het ging om de pm-post voor de gemeentelijke overhead. De overhead staat in relatie tot de gelden die uitgekeerd worden aan de burgers. Hoe minder geld wordt besteed door de gemeente, hoe meer geld beschikbaar is voor de burgers. Ik verzoek de wethouder om een toezegging dat hij naar de reële overhead een onderzoek uitvoert en de raad daarover zo spoedig mogelijk informeert. Wij zijn het er intussen over eens dat de gemeente kosten maakt. Het CIZ zal niet alleen de indicatiestelling maar ook de zorgtoewijzing verzorgen. De gemeente wordt echter verantwoordelijk voor de betaling van zorg aan nieuwe gevallen. De gemeente zal daar kosten voor moeten maken. Mijn fractie krijgt graag inzicht in de hoogte van die kosten.

 

Ik geef tot slot toch nog een reactie op de nul die Delft van de cliëntenorganisaties heeft gekregen voor de communicatie tot nu toe. Mijn fractie kan zich indenken dat de wethouder dat een nogal lage score vindt. Het is echter het andere uiterste dat hij in de krant stelt dat hij een tien verdient. Hij heeft net als ik lang voor de klas gestaan. Ik weet niet hoe hij tegen leerlingen aankeek die dergelijke dingen zeiden, maar in de ogen van de CDA-fractie getuigt dit van weinig realiteitszin bij de wethouder. Hopelijk weet hij de geslaagde dialoog over deze verordening in de komende tijd vast te houden, want dat is hard nodig om van deze wet een succes te maken.

 

De VOORZITTER: U bent een strenge juffrouw.

 

Door de CDA-fractie wordt de volgende motie (M-2) ingediend:

 

“De gemeenteraad van Delft, in vergadering bijeen op 30 november 2006,

 

gehoord de beraadslaging over de verordening WMO,

 

overwegende:

-       dat het college niet bereid is om het principe van ‘zorguitruil’, zoals dat onder de AWBZ wel mogelijk is, in de verordening op te nemen;

-       dat hieraan louter argumenten van financiële aard ten grondslag liggen;

 

voorts overwegende:

-       dat onder een aantal cliënten de behoefte blijft bestaan aan de mogelijkheid van zorguitruil;

-       dat de eventuele financiële risico’s voor de gemeente hier niet tegenop wegen;

 

draagt het college op om in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Delft het principe van zorguitruil op te nemen,

 

en gaat over tot de orde van de dag.”

 

De heer DE KONING (Stadsbelangen): Voorzitter. Het is voor de fractie van Stadsbelangen duidelijk dat deze verordening tijdelijk is. Het jaar 2007 is een overgangsjaar en de huidige verordening moest “WMO-proof” worden gemaakt. Onze fractie wil daarom niet te veel sleutelen aan deze verordening. De discussie zal in 2007 uitvoerig worden gevoerd, in de brede zin van het woord. Daarbij geldt dat de gemeente een groot financieel risico loopt omdat er nog genoeg onduidelijkheden zijn. In onze bijdrage zullen wij kort ingaan op de notitie van het college over het voorliggende raadsvoorstel, op de motie van de CDA-fractie en op de motie en amendementen van de SP-fractie.

 

Ik stel één vraag over de aanvullende notitie van het college met betrekking tot de second opinion over de indicatiestelling. Ik hoor van de wethouder graag een nadere toelichting op de bewering dat het niet mogelijk is om bij een second opinion gebruik te maken van een ander adviesbureau. Vanuit de klant geredeneerd heeft het CIZ de schijn tegen als bij hetzelfde bureau, al ligt het in een andere regio, om een second opinion wordt gevraagd.

 

Wij steunen niet de motie van de CDA-fractie omdat wij de uitleg van het college volgen. Deze discussie zullen wij ook in 2007 voeren.

 

Wij steunen ook niet de motie van de SP-fractie. De constateringen in die motie zijn te zwaar aangezet. In 2007 moeten wij nader bezien of de modelverordening al dan niet leidend moet zijn. Volgens mij heeft de wethouder deze toezegging ook gedaan in de commissie.

 

Dan de amendementen van de SP-fractie. De “kan”-bepaling heeft naar onze mening dezelfde strekking als “de gemeente biedt”. Overigens is het niet zo’n zwaar amendement dat ertegen moet worden gestemd.

 

Wij gaan niet akkoord met het amendement waarmee wordt beoogd om in het hoofdverblijf het gebruik van een slaapkamer mogelijk te maken. Wij volgen hierin de redenering van het college.

 

Wij gaan ook niet akkoord met het amendement over artikel 30, de soorten rolstoelen. Wij kunnen niet instemmen met de toelichting van de SP-fractie op dit amendement. Volgens de huidige verordening kunnen ook elektrische rolstoelen worden verstrekt. De term “rolstoel” in het betreffende artikel moet breed worden geïnterpreteerd. Scootmobielen worden nu ook verstrekt, maar vallen onder de vervoersvoorziening, met name artikel 35, lid b. Om die reden zijn de scootmobielen niet terug te vinden onder de rolstoelen. Volgens de huidige verordening is de verschaffing daarvan inkomensafhankelijk. Het heeft nogal wat financiële risico’s als deze voorziening ergens anders wordt ondergebracht. Wij voeren de discussie hierover graag in het kader van de brede WMO-discussie in 2007.

 

Voor een reactie op het amendement over het compensatiebeginsel wachten wij de reactie van het college af.

 

Het amendement over de aantoonbare beperkingen vinden wij ingewikkeld. Met de redenering in dat amendement begeven wij ons op een hellend vlak. Vooralsnog zijn wij van mening dat de beperkingen medisch moeten worden aangetoond. Wij wachten echter de reactie van het college af.

 

Wij stemmen tegen het amendement waarmee wordt beoogd om een artikel 7 toe te voegen. Met de huidige verordening is het mogelijk om een individuele voorziening aan te vragen. Als uit het onderzoek blijkt dat een collectieve voorziening de beste oplossing is, kiezen wij daarvoor. Als uit het onderzoek blijkt dat een individuele voorziening de beste oplossing is, wordt daarvoor gekozen. Met lid 2 van artikel 7 wordt een vrijbrief afgegeven. Wie bepaalt of door een individuele voorziening een betere maatschappelijke participatie mogelijk is en of de zelfredzaamheid wordt vergroot? Dat is een eindeloze discussie.

 

Het amendement waarmee wordt beoogd om a, b en c te schrappen, zullen wij niet steunen. Als de term “langdurig” – volgens ons is dat meer dan zes maanden – wordt geschrapt, is het mogelijk dat voor elke verzwikte enkel een voorziening wordt aangevraagd.

 

Mevrouw DE JONG (CDA): Het gaat om huishoudelijke verzorging. De wethouder heeft in de commissie gezegd dat die voorwaarde van “langdurig” niet geldt voor de huishoudelijke verzorging.

 

De heer DE KONING (Stadsbelangen): Toch blijf ik bij mijn standpunt.

 

Mevrouw DE JONG (CDA): Wij horen ook graag van de wethouder of het nodig is om dit in een amendement te gieten. Tot nu toe ben ik het eens met alles wat u zegt.

 

De heer DE KONING (Stadsbelangen): Dank u wel.

 

Mevrouw DE JONG (CDA): Nou ja, op één punt na.

 

De heer DE KONING (Stadsbelangen): De toelichting op “goedkoopst adequaat” onderschrijven wij niet. Wij vinden het te kort door de bocht om te stellen “als het probleem maar wordt opgelost”. Als een goede voorziening kan worden verstrekt voor €400 en de klant een soortgelijke voorziening van €1400 wil, kiezen wij voor de goedkoopst adequate.

 

Het amendement over het toevoegen van een lid 7 aan artikel 37 kunnen wij op zich wel steunen, maar wij wachten toch eerst de reactie van het college af.

 

De heer GULDEMOND (STIP): Voorzitter. In de krant zijn diverse cijfers uitgereikt voor het WMO-beleid van Delft, variërend van nul tot tien. STIP ziet graag dat pas met cijfers wordt gegooid als er zicht is op de echte uitvoering van de WMO. Hopelijk kunnen tegen die tijd unaniem tienen worden uitgedeeld. Voor een soepele invoering van de WMO is goede communicatie onmisbaar. Omdat alle taken bij de gemeente komen te liggen, ligt het voor de hand dat de gemeente de regie voert. Het verbaast mijn fractie dan ook dat vandaag nog in de lokale media voorlichting van het Rijk over de WMO verscheen. Een meer prominente plaats voor de Delftse WMO-website lijkt mij gepast. Op deze site ziet mijn fractie graag een organogram van de verschillende organisaties die betrokken zijn bij de WMO, zoals het zorgkantoor, het CIZ, de gemeente et cetera. Dit is in de commissie overigens al toegezegd door de wethouder.

 

Over de verordening zelf is in de commissie al uitgebreid gediscussieerd. Ik heb nog twee punten openstaan. Ik kan de redenering van mevrouw De Jong over de zorguitruil volgen. Voor STIP zijn maatwerk en keuzevrijheid erg belangrijk. Het blijven aanbieden van zorguitruil is bovendien mogelijk in een beleidsarme overgang. Ik ben dan ook benieuwd naar de reactie van de wethouder.

 

STIP is ook benieuwd naar de mogelijkheden van een second opinion bij een andere organisatie dan het CIZ, waar de heer De Koning op wees. Een second opinion is een belangrijk middel om tot een optimale indicatie te komen. Dat kan met name van belang zijn bij gevallen waarbij de beperking lastig is aan te tonen. Ik denk dan aan klachten als gevolg van psychosomatische problematiek. Een second opinion door een ander CIZ-kantoor vindt plaats op basis van dezelfde procedures als de first opinion door het CIZ. In hoeverre is in dit verband sprake van een waardetoevoegende second opinion? Ik hoor hierop graag de reactie van de wethouder.

 

De heer WITSENBOER (GroenLinks): Voorzitter. Ik sluit mij in heel grote lijnen aan bij het verhaal van mevrouw Van der Hoek van de VVD-fractie. De verordening is in de commissie ruimschoots aan bod geweest. Toch ligt er een grote stapel amendementen voor van de SP-fractie. Daaruit blijkt een grote betrokkenheid bij de versterking van de cliëntenpositie in de WMO. De GroenLinks-fractie vindt ook dat cliënten en belangenorganisaties een belangrijke rol moeten spelen in het opstellen en vaststellen van een zo sociaal mogelijk WMO-beleid in Delft. Door de gedetailleerde amendementen is mijn fractie aan het werk gezet. De verordening is weer eens doorgespit en nader bekeken op wat beter zou kunnen. Mijn fractie meent echter dat het nu te laat is – of te vroeg; het is maar hoe je het bekijkt – om heel gedetailleerd de tijdelijke overgangsverordening voor 2007 te veranderen of aan te vullen.

 

Mevrouw VAN ROSSUM (SP): Dit is het moment waarop de verordening wordt vastgesteld. Waarom zou dit niet het moment zijn om wijzigingen aan te brengen?

 

De heer WITSENBOER (GroenLinks): Ik maak graag mijn verhaal af, want dan krijgt u vanzelf antwoord.

 

Wij hebben het over een tijdelijke overgangsverordening voor 2007. De discussie over een goed WMO-beleid vanaf 2008 volgt nog. Het is volgens mijn fractie goed om behoedzaam en beleidsarm over te stappen van WVG en AWBZ naar WMO, op basis van de bestaande regelingen en zonder grote veranderingen te introduceren voor de huidige gebruikers van voorzieningen. In de discussie die ons te wachten staat, moeten meer belangen worden afgewogen dan alleen die van de cliënten. De financiële consequenties voor de gemeente zijn nog vrij onduidelijk en daarmee ook de betaalbaarheid van de voorzieningen die wij misschien allemaal graag mogelijk willen maken. Daar zijn risico’s aan verbonden. Volgend jaar kunnen wij op basis van de eerste ervaringen samen met cliënten, instellingen en organisaties vormgeven aan een nieuw WMO-beleid. Dat kan heel sociaal worden. Mijn fractie steunt daarom niet de amendementen en de motie van de SP-fractie.

 

Leefbaar Delft is voornemens om een motie in te dienen. Wij hebben de tekst daarvan gezien en die klinkt sympathiek. Wij vragen ons wel af of het mogelijk is om een ander bureau een second opinion te laten verrichten.

 

De heer STOOP (Leefbaar Delft): Wij dienen geen motie in maar een amendement.

 

De heer WITSENBOER (GroenLinks): Ik zie hier “motie” staan, maar goed. Het voorstel is in elk geval sympathiek en ik vraag de wethouder of het mogelijk is.

 

Mevrouw VAN ROSSUM (SP): Mevrouw Halsema noemt de SP conservatief, maar ik vind dat in deze raad GroenLinks conservatief handelt. De enige reden om geen steun te geven aan de amendementen van de SP-fractie is dat u bepaalde dingen niet weet. Als wij het college nu opdragen om iets te doen, zoekt het dat wel uit. Ik zie het probleem dus niet.

 

De heer WITSENBOER (GroenLinks): De uitdaging is om volgend jaar samen aan een heel goede verordening te gaan werken.

 

Ik ga graag nog in op de motie van de CDA-fractie. Er lijkt geen wettelijk kader te zijn voor de uitruil in de WMO. Om die reden is daar ook niet toe overgegaan in andere gemeenten. Ook mijn fractie vraagt zich echter af of er nog andere mogelijkheden zijn. Is het mogelijk om afspraken te maken met een zorgkantoor, respijtzorg in te voeren en de zorg tijdelijk over te laten nemen door vrijwilligers zodat mantelzorgers ontlast worden of om huishoudelijke zorg in te voeren via de WMO? Hoeveel mensen maken op dit moment gebruik van een uitruilregeling? Wat zijn de financiële risico’s daarvan voor de gemeente?

 

Mevrouw THOOLEN (PvdA): Voorzitter. Wij zijn in de commissie akkoord gegaan met de beleidsarme verordening. Om in schooltermen te spreken: wij gaan allen voorwaardelijk over met de taak om volgend jaar een inspirerende discussie te voeren en te komen tot een heel mooie Delftse verordening.

 

Wij zijn tegen de amendementen van de SP-fractie omdat wij graag beleidsarm willen overgaan. Wij hanteren daarbij het principe dat middelen op objectiveerbare gronden moeten worden ingezet, op basis van gelijke berechtiging. Het is lastig om op basis van onduidelijke indicaties zorg toe te wijzen.

 

De strekking van het amendement van de SP-fractie over een vervoersvoorziening ten behoeve van het bevorderen van de maatschappelijke deelname is sympathiek, maar de financiële gevolgen hiervan zijn onmogelijk in te schatten. Wij zijn benieuwd naar de reactie van de wethouder hierop.

 

Het zou inderdaad consequent zijn om in een beleidsarme invoering het punt van de zorguitruil op te nemen. Ook hiervan zijn de financiële risico’s voor de gemeente echter onbekend. Wij horen daarover graag de mening van de wethouder.

 

De heer STOOP (Leefbaar Delft): Voorzitter. Er is al veel gezegd. Er is ook al veel gepraat over de WMO. Ik ga niet over de cijfertjes praten. In de commissie is al veel emotie getoond, tot aan een arrestatie toe die ik mij kan herinneren. Uit de discussie is in elk geval gekomen dat 2007 een overgangsjaar is. Ik heb in de commissie aangegeven dat ik een voorstel zou doen met betrekking tot de second opinion. In de verordening staat dat het CIZ het alleenrecht krijgt bij de indicatiestelling. Dat zou ook gelden voor een mogelijke second opinion. Wij vinden het niet juist dat een organisatie een eerdere, zelf aangegeven indicatie moet heroverwegen. Het lijkt mij lastig om het niet eens te zijn met de indicatie van een collega. Met ons amendement wordt beoogd, een second opinion te laten verrichten door een geheel onafhankelijke partij. Dit houdt mede in dat de cliënt zelf mag meebeslissen over waar een second opinion plaatsvindt, zoals gebruikelijk is in de zorgsector. Ook op de website van het CIZ staat dat een cliënt dat zelf mag bepalen. De cliënt krijgt zelfs nog tips voor waar hij eventueel een second opinion kan laten uitvoeren. In alle eerlijkheid ga ik ervan uit dat de meerderheid van de raad hierin meegaat. Het is niet meer dan logisch dat de burger zelf ook nog iets mag zeggen. Als artikel 47 vervalt, heeft het CIZ ook niet meer het alleenrecht op de first opinion. Het is het beleid in Delft, waarvoor de wethouder waarschijnlijk gekozen heeft, om de aanbesteding van de second opinion aan het CIZ te geven. Hij had amendementen daarover dus kunnen verwachten.

 

De VOORZITTER: Door de fractie van Leefbaar Delft wordt het volgende amendement (A-9) ingediend:

 

“De gemeenteraad van Delft, in vergadering bijeen op 30 november 2006, besluit onder vernummering van de artikelen 48 tot en met 57, artikel 47 te laten vervallen,

 

en gaat over tot de orde van de dag.

 

Toelichting:

In de verordening staat dat het CIZ het alleenrecht krijgt voor de indicatiestelling. Dit geldt dan ook voor een mogelijke second opinion. Het is niet juist dat een organisatie een zelf eerder gegeven indicatie moet heroverwegen. Dit amendement beoogt een second opinion te laten verrichten door een geheel onafhankelijke partij. Dit houdt mede in dat de cliënt zelf mee mag beslissen waar een second opinion plaatsvindt, zoals gebruikelijk is in overige zorgsectoren.”

 

Wethouder RENSEN: Voorzitter. Ik dacht niet dat ik die overvloed aan warme woorden van mevrouw De Jong nog eens zou meemaken. Het voelde als een tien; misschien wordt het dus nog wat met ons. Voordat ik aan de reactie op de opmerkingen en het behandelen van de ingediende wijzigingsvoorstellen begin, vermeld ik kort de uitreiking van het erratum. Dat is een onschuldig stukje papier. Als wijzigingen worden aangebracht in het ene artikel; dan moet er verderop ook wel eens wat gebeuren. Dat had wellicht in het oorspronkelijke gewijzigde voorstel moeten worden gedaan, maar dat was te machtig. Ik verontschuldig mij daarvoor.

 

Het college stelt voor om de WMO in 2007 beleidsarm in te voeren. Ten eerste worden daarmee invoeringsrestricties voorkomen waarvan mensen in de stad last zouden kunnen hebben. Wij hebben dat in het verleden meegemaakt met de invoering van de WVG en het RIO. Wij wilden dat in dit geval voorkomen. Ten tweede krijgen wij hiermee de kans om een uitvoerige beleidsdiscussie met elkaar te voeren. Ten derde zijn wij niet helemaal zeker van onze financiële positie.

 

Ik raak hiermee aan de ingediende wijzigingsvoorstellen. Veel van die voorstellen hebben financiële gevolgen. In geen van de voorstellen is een concrete dekking opgenomen. De gemeente Delft is in het nadeel op het punt van het budget voor hulp bij huishouden. Het budget voor 2007 is een stuk kleiner dan de productieafspraken die onder de AWBZ in 2006 met zorgaanbieders zijn gemaakt door het zorgkantoor. Verder is het uitvoeringsbudget zeer krap bemeten. Wij schatten in dat wij ongeveer vier keer meer nodig hebben dan van rijkswege wordt verschaft. Alles bij elkaar moeten wij dus zeer behoedzaam omspringen met de WMO-financiën in dit stadium. Wij moeten de beleidsdiscussie voeren binnen een behoorlijk opgesteld financieel kader. Op basis van dat financiële inzicht kunnen keuzes worden gemaakt en zaken tegen elkaar kunnen worden afgewogen. Op dit moment is het daarvoor te vroeg.

 

Ik maak een algemene opmerking in de richting van de SP-fractie. Ik heb niet gezegd dat ik de verordening van de CG-raad beter vind. Ik heb geconstateerd dat het karakter daarvan verschilt van de modelverordening van de VNG. Daarbij heb ik aangegeven dat het goed is om beide gedachtelijnen in de discussie in 2007 aan de orde te laten komen. Ik heb geen voorkeur voor de ene of andere verordening uitgesproken.

 

Mevrouw VAN ROSSUM (SP): Dat heb ik ook niet gezegd. Het college heeft gezegd dat de verordening van de CG-raad meer WMO-gericht is en daar beter bij past. Ik heb niet gezegd dat u die beter vindt.

 

Wethouder RENSEN: Dat is een betere verwoording.

 

Ik kom op de verschillende wijzigingsvoorstellen en de moties. De heer De Koning heeft een uitstekende reactie gegeven en ik zal omwille van de tijd proberen om mijn woorden met de zijne te combineren. In motie M-1 wordt een uitspraak gedaan over de modelverordening. Volgens mij is daar voldoende over gezegd. Als nu wordt gekozen voor een andere verordening, ontstaat het risico dat in 2007 tegen allerlei invoeringsproblemen wordt aangelopen waar de mensen in de stad veel last kunnen krijgen. Het college raadt het aannemen van de motie daarom af.

 

Motie M-2 betreft de zorguitruil. De mensen die op grond van de huidige indicatie gebruikmaken van een zorguitruilconstructie en geen herindicatie aanvragen, kunnen in 2007 gebruik blijven maken van de zorguitruil. Dat maakt deel uit van het overgangsrecht AWBZ-WMO. De kosten van een en ander worden niet duidelijk uit de registraties van het zorgkantoor en het CIZ. Ik kan echter een rekenvoorbeeld geven. Als een gemiddelde klant wil overstappen van persoonlijke verzorging AWBZ naar huishoudelijke verzorging 2, kost dat jaarlijks bruto ongeveer 2200 euro. Als iemand een eigen bijdrage betaalt van 450 euro per jaar, is de gemeente netto 1750 euro kwijt aan de verstrekking huishoudelijke verzorging 2. Op jaarbasis kosten 50 klanten dus ongeveer 100.000 euro. Overigens is dat een bedrag dat dan bespaard wordt op de AWBZ. Dat geeft een extra merkwaardig tintje aan dit verhaal. Dit rekenvoorbeeld is niet onrealistisch. Het college meent daarom dat dit financiële risico nu niet moet worden gelopen, temeer daar mensen met een bestaande zorguitruilconstructie in 2007 geen gevolgen ondervinden van de gewijzigde situatie.

 

Mevrouw DE JONG (CDA): Bent u het er wel mee eens dat op 1 januari 2008 een herberekening wordt gemaakt aan de hand van de reële cijfers van gemeenten? Als u het punt nu wel opneemt, kan op dat moment meer geld worden gekregen tot in de lengte van jaren.

 

Wethouder RENSEN: Je zou kunnen zeggen dat het Rijk beschikt over financiering vanwege de besparing op de AWBZ. Dat is een zodanige macro-redenering dat die lijkt op te lossen in het totale landelijke verdelen. Ik denk dus niet dat dat zoden aan de dijk zet.

 

Ik stap over naar de amendementen. Van amendement A1 heeft de heer De Koning al gezegd dat dat feitelijk een vrijbrief is om je te beroepen op verbetering van je maatschappelijke participatie om je te kunnen vrijwaren van het primaat van bepaalde voorzieningen, bijvoorbeeld een verhuisplicht of het gebruikmaken van collectief vervoer. Je kunt altijd beredeneren dat je, als je geen gebruik hoeft te maken van een collectieve voorziening, op basis van een individuele voorziening in jouw situatie beter uit bent. Ik denk dat iedereen die redenering kan maken. Dat betekent dat je de collectieve voorziening financieel ernstig uitholt. Daarom raadt het college de aanneming van dit amendement af.

 

Mevrouw VAN ROSSUM (SP): Dat begrijp ik niet helemaal. U doet alsof het dan meteen voor iedereen toegestaan zou zijn, maar wij bedoelen met dit amendement dat er gevallen kunnen ontstaan waarin mensen wel ernstig beperkt worden en dat voor die gevallen een uitzondering moet worden gemaakt. Daarom staat er ook “uitzondering” in het amendement. Wij bedoelen niet dat iedereen dat moet kunnen aanvragen. Wij hebben al een aantal voorbeelden gegeven. Volgens mij begrijpt u best wat wij met het amendement bedoelen.

 

Wethouder RENSEN: Dan moet ik iets preciezer zijn ten aanzien van punt 1. Zowel bij de verhuisplicht, waar een primaat op rust, als bij het collectieve vervoer bestaan al uitzonderingsgronden die in de dagelijkse praktijk worden toegepast als men zich kan beroepen op de uitzonderingsclausule die in de verordening en het verstrekkingenboek is opgenomen. Bij het niet toepassen van de verhuisplicht gaat het bijvoorbeeld om een situatie waarin mensen kunnen laten zien dat zij juist in de omgeving waar zij wonen, in sterke mate zijn aangewezen op het netwerk dat zij daar hebben en dat het verlies van dat netwerk hen in een zodanige positie brengt dat wij als gemeente dat primaat op dat ogenblik niet toepassen. Die uitzonderingsregeling bestaat dus al. Ik heb er zojuist op gewezen dat met een algemene toepassing van de redenering over een betere maatschappelijke participatie onze collectieve voorzieningen en primaten echt op de glijbaan gaan. Dat kun je overwegen, maar ik vind dat je dat niet nu moet doen. Dat moet dan worden besproken in een bredere discussie op grond van een goede analyse van de financiële gevolgen.

 

Amendement A2 gaat over het mogelijk maken van logeren. Het staande beleid is dat wij bereid zijn om woningen bezoekbaar te maken. Als je zou besluiten om ook logeren mogelijk te maken, realiseer je in feite een tweede hoofdverblijf voor een cliënt naast een ander hoofdverblijf, intramuraal of in een aangepaste woning, elders in de stad. Je zult dan niet alleen de slaapkamer moeten aanpassen, maar er bijvoorbeeld ook rekening mee moeten houden dat je op de eerste etage kunt komen. Je zult dus ook iets met de trap moeten doen en je zult ook het sanitair op de eerste etage moeten aanpassen. Dat betekent bijvoorbeeld dat je de douche of het bad zult moeten aanpassen. Wij spreken dan dus over een behoorlijke tot grote woningaanpassing. Bij het mogelijke bereik van een dergelijke voorziening gaat het om nogal wat mensen in de stad. Met andere woorden: het gaat in beginsel om een vrij dure woningaanpassing, met een potentieel grote doelgroep. Ook daarvoor geldt dat je, als je dat zou willen, dat moet beoordelen in een breder kader. Daar valt vanuit de WMO-optiek best iets voor te zeggen, maar het college raadt af om dat vanavond in het kader van deze verordening te doen, want daar hangen grote financiële gevolgen aan.

 

Amendement A3 gaat over de kan-bepaling over “in natura”-verstrekkingen, financiële tegemoetkomingen en persoonsgebonden budget. De SP-fractie stelt voor om de aanvrager over de hele breedte van de verordening altijd de gelegenheid te geven om voor één van die drie te kiezen. De keuze tussen verstrekking in natura en verstrekking in het kader van een pgb wordt door de verordening nu al breed mogelijk gemaakt. Die keuze is er dus altijd, behoudens bijvoorbeeld de uitsluitingsgronden die wij nu alsnog in de verordening hebben opgenomen; dat is eigenlijk een andere kwestie. Als je de financiële tegemoetkoming aan hetzelfde rijtje toevoegt, komen we met lastigheden te zitten. Daarom raadt het college af om dit amendement aan te nemen. Ik zal een voorbeeld geven van die lastigheden, maar er zijn door het hele verstrekkingenboek heen behoorlijk wat voorbeelden te geven. De verhuiskostenvergoeding is een forfaitaire vergoeding en dus gewoon een bedrag dat de gemeente verstrekt. Als je zegt dat men naast die financiële tegemoetkoming ook kan kiezen voor een verstrekking in natura – dat is nu niet mogelijk – laat je de gemeente regelen dat er verhuist wordt. Dat betekent financieel en organisatorisch nogal wat. Als je dat doet in de vorm van een pgb, moet de cliënt – in plaats van zich niet te hoeven verantwoorden bij een forfaitair verdrag – op basis van het verstrekken van dat pgb precies verantwoorden waaraan de middelen zijn verstrekt. Van dit soort voorbeelden zijn er meer. Het is dus gewoon niet altijd handig om te kunnen kiezen tussen die drie mogelijkheden. Ik teken daarbij aan dat het wel altijd mogelijk is om te kiezen tussen pgb en “in natura”-verstrekking. Ik denk dat dat in dit stadium even voldoende moet zijn, want anders moeten wij het hele verstrekkingenboek doorzoeken naar voor- en nadelen van het kunnen kiezen tussen die drie mogelijkheden. Het college raadt de aanneming van dit amendement dus af.

 

Amendement A4 gaat over het compensatiebeginsel. Ik vind dat nu een ontijdig amendement. De discussie over het compensatiebeginsel en de wens om allerlei beperkingen om deel te kunnen nemen aan het maatschappelijk leven, te compenseren, is immers in hoge mate de kern van de beleidsdiscussie die wij eind 2006 of het eerste deel van 2007 met elkaar gaan voeren. Dat betekent dat je dit niet nu al moet vast timmeren op bepaalde termen, maar moet openhouden om dat echt te kunnen invullen in die discussie. Dat staat nog los van het feit dat het nu aannemen van dit amendement inhoudelijk geen toegevoegde waarde zou hebben in de verordening, want het doet verder niets.

 

Amendement A5 gaat over het vervoer, concreet over een uitzonderingssituatie op het punt van bovenregionaal contact. Die uitzonderingssituatie bestaat al voor mensen die niet in staat zijn om gebruik te maken van busjesvervoer. Het aannemen van dit amendement zou er echter toe leiden dat de gemeente ook in de plaats gaat treden van het Valys-systeem en daarmee feitelijk gaat betalen aan een bovenregionaal systeem dat al geregeld en betaald is. Dat raadt het college absoluut af.

 

Mevrouw DE JONG (CDA): Waarom kan dat dan wel om dreigende vereenzaming te voorkomen? Wordt het dan geen concurrent van het Valys-systeem?

 

Wethouder RENSEN: Als mensen wegens lichamelijke of geestelijke beperkingen niet met het busjes- en treinensysteem van Valys kunnen rijden terwijl zij daar wel gebruik van zouden moeten maken, dreigt vereenzaming als hun familie buiten de regio woont. Zolang zij dat wel kunnen, is er geen reden om in de plaats te treden van het Valys-systeem.

 

Amendement A6 gaat over de aantoonbare beperkingen. Op dat punt volg ik kortheidshalve de argumentatie van de heer De Koning. Ook over amendement A7 heeft de heer De Koning al een prima toelichting gegeven. “Rolstoelen” mag inderdaad breed worden gelezen, want naast elektrische rolstoelen kennen wij ook de rolstoelen met hulpmotor, de verblijfsrolstoel en de transportrolstoel. Het zou te ver voeren om die allemaal apart op te nemen in de verordening. “Rolstoel” mag dus algemeen worden gelezen. De SP-fractie heeft de scootmobiel op de verkeerde plek in de verordening gezocht, want die staat onder de vervoervoorzieningen.

 

Het enige punt dat ik moet toelichten bij amendement A8, is dat kortdurende hulp bij huishouden wel degelijk kan. Dat is ook geregeld in de verordening. Daar hoeft men zich dus geen zorgen over te maken. Over “goedkoopst adequate” heb ik in de commissie al voldoende gezegd.

 

Tot slot het punt van de second opinion in het amendement van de heer Stoop. Wat is er op dat punt aan de hand? Wij hebben het CIZ het alleenrecht gegeven op het stellen van de indicatie. Door het verstrekken van dat alleenrecht hebben wij kunnen voorkomen dat wij moesten aanbesteden voor de klus van de indicatiestelling. Als wij daarvan af zouden stappen – wij hebben overigens al stappen gezet, want het college heeft het CIZ het alleenrecht al een tijdje geleden verstrekt – komen wij feitelijk in problemen met het aanbestedingsrecht en zouden wij moeten gaan nadenken over hoe dat dan weer moet. Daar ziet het college erg tegenop.

 

De heer STOOP (Leefbaar Delft): Wat voor problemen ziet u dan ontstaan? Ik ken organisaties die goed werk verrichten en waarvoor ook een aanbestedingsbeleid geldt, bijvoorbeeld Werkplan.

 

Wethouder RENSEN: Het betreft hier een bijzondere situatie. Het is mogelijk gemaakt dat gemeenten op deze manier, door middel van het uitgeven van een alleenrecht, een aanbestedingsprocedure voor het stellen van indicaties voorkomen.

 

De heer STOOP (Leefbaar Delft): Daar doe je de burger toch mee tekort? De burger heeft toch het recht om zelf te bepalen waar hij een second opinion vraagt? U doet de burger gewoon tekort!

 

Wethouder RENSEN: Dat ben ik niet met u eens. Ik moet even terug naar de wordingsgeschiedenis van het CIZ. Eigenlijk moeten wij beginnen bij het RIO, dat later het CIZ is geworden. Dat is opgericht om in het land een vakkundige en onafhankelijke indicatiestelling te hebben. Het CIZ heeft op geen enkele manier belang bij budgetten van gemeenten of zorgkantoren, heeft geen enkele binding met zorgaanbieders en kan op een volstrekt onafhankelijke wijze en bovendien integraal over het hele pakket van zorg en voorzieningen in het belang van de cliënt de indicatie vaststellen. Ik bestrijd dus dat de cliënt tekort wordt gedaan als de gemeente het alleenrecht op de indicatiestelling overdraagt aan het CIZ. Dat is gewoon een goede club.

 

De heer STOOP (Leefbaar Delft): Wij hebben natuurlijk al vaak gediscussieerd over de positie van mensen met een handicap. Wij moeten niet vergeten dat zij vaak emotioneel reageren omdat zij niet begrepen worden. Ik leef mij een beetje in de situatie van de cliënt in. Als de cliënt een eerste indicatiestelling krijgt waarmee hij het niet eens is – dat kan al heel ingrijpend zijn in iemands leven – en dan alleen weer bij het CIZ een second opinion kan krijgen, denkt de cliënt natuurlijk: die persoon van het CIZ gaat toch niet zeggen dat zijn collega bij het CIZ het niet goed heeft gedaan? Ik wil de schijn weghalen.

 

Wethouder RENSEN: Ik vind dit toch een miskenning van de positie van het CIZ. Medewerkers van het CIZ Leiden, waar second opinions worden gedaan voor het CIZ Delft, hebben er echt op geen enkele manier belang bij om hoe dan ook te trachten om hun collega’s van een andere vestiging te volgen. Daarnaast is het stellen van een indicatie strikt gebonden aan het indicatieprotocol en het hebben van bepaalde informatie. Het is dus ook niet zo makkelijk om te verzinnen hoe de indicatiestelling in een second opinion door een andere organisatie zou kunnen plaatsvinden. Dat is moeilijk voorstelbaar. Het CIZ is dus een onafhankelijke organisatie. In het belang van de cliënt en in het kader van het goed overeind houden van onze keten, zeker in 2007, heeft het college gemeend om dat alleenrecht te moeten afgeven.

 

De heer DE KONING (Stadsbelangen): Ik wil de heer Stoop op dit punt toch steunen. Ik heb hem in de eerste termijn horen zeggen dat die mogelijkheid op de website van het CIZ wordt geboden. Ik vraag de wethouder dus om daarop in te gaan. Ik kan mij voorstellen dat dit het CIZ bij de reguliere indicaties is gegund – dat lijkt mij in dit voorbeeld logisch – maar bij een second opinion, waarbij het op jaarbasis gaat om vijf of zes gevallen, kan ik mij voorstellen dat elders een second opinion wordt gevraagd. Ook bij een ziekenhuis is er, als je het niet helemaal vertrouwt, de mogelijkheid om bij een ander ziekenhuis een second opinion te vragen. Volgens mij is er geen enkele aanbieder die heel erg moeilijk gaat doen over de twee of drie gevallen op jaarbasis waarin een second opinion wordt gevraagd. Ik heb daar ook in mijn eigen praktijk nog nooit problemen mee ondervonden.

 

Wethouder RENSEN: Dit punt is ook in de commissie aan de orde geweest. U moet echt een verschil maken tussen enerzijds het stellen van een medische diagnose en het vragen van een second opinion van een andere medicus – daarbij gaat het om een professionele inschatting van het probleem waarmee een patiënt te maken kan hebben – en anderzijds het werk dat in de CIZ’en plaatsvindt. Dat laatste is een volstrekt geprotocolleerd proces, waarbij niet dezelfde inschattingsruimte bestaat als bij het stellen van een medische diagnose. Dat maakt het geweldig ingewikkeld om voor deze second opinion te gaan buurten bij andere organisaties. Dat vergt een heel speciale infrastructuur en werkwijze.

 

De VOORZITTER: Ik stel voor dat wij de tweede termijn heel kort houden, want ik denk dat de politieke punten wel zijn gemaakt.

 

Mevrouw VAN ROSSUM (SP): Voorzitter. Ik wil graag een schorsing van een paar minuten om met mijn fractie te overleggen.

 

De vergadering wordt van 21.30 uur tot 21.35 uur geschorst.

 

Mevrouw VAN ROSSUM (SP): Voorzitter. Het moet mij even van het hart dat ik het jammer vind dat ik er blijkbaar niemand van heb kunnen overtuigen dat wij vanavond in deze verordening een hoop verbeteringen kunnen aanbrengen, maar ik kijk ernaar uit om in de commissie Extern over de verordening van volgend jaar te gaan praten.

 

Ik heb een paar opmerkingen over amendementen die volgens mij niet helemaal goed begrepen zijn. Bij amendement A3 had de wethouder het over drie keuzes, maar in dat amendement is alleen een voorbeeld van een artikel opgenomen. Het gaat over het bieden van een keuze en niet zozeer over de drie keuzes die er staan; dat zijn dus alleen voorbeelden. Dat staat er ook boven.

 

Met amendement A5 willen wij die zin toevoegen omdat die voorziening zichzelf ook ten doel moet stellen om de deelname aan het maatschappelijk verkeer te bevorderen. Daarmee wordt het gewoon wat ambitieuzer. Volgens mij heeft dat dus geen effect op allerlei dienstregelingen van busjes en zo.

 

Amendement A6 gaat over de aantoonbare beperkingen. Dan heb ik het niet over aantoonbare medische beperkingen, maar over aantoonbare beperkingen van de maatschappelijke participatie. Ons probleem met de huidige formulering is vooral: hoe maak je dat aantoonbaar? Je hebt er geen bonnetje van als je maatschappelijk ergens niet meer aan kunt meedoen. Daarom willen wij dat eruit hebben. Het gaat er gewoon om dat mensen op dat punt beperkt worden. Hoe zij dat precies aantonen, is niet aan de orde. Dat kan ook nu niet volledig worden getoetst en dat zal nooit kunnen. Vandaar dat amendement.

 

Tot slot de voorstellen van andere fracties. De motie van de CDA-fractie over zorguitruil steunen wij. Wij kunnen ons goed voorstellen dat iemand die bijvoorbeeld mantelzorg heeft, de persoonlijke verzorging liever door die mantelzorger laat doen en die dus wil inruilen voor de huishoudelijke verzorging. Dat moet ook komend jaar kunnen. Ook het amendement van Leefbaar Delft steunen wij. Het slaat nergens op om ook de second opinion door het CIZ te laten doen, al was het maar om het simpele feit dat het dan geen second opinion is maar een “second first opinion”. Wij steunen dat amendement dus van harte.

 

Mevrouw VAN DER HOEK (VVD): Voorzitter. Ik zal mijn tweede termijn alleen gebruiken om te reageren op de ingediende moties en amendementen. De motie en amendementen van de SP-fractie zullen wij niet steunen. Zij zijn te vroeg. Wij gaan over een aantal zaken nog praten. Zij zijn overbodig, slordig of financieel ondoorzichtig. Wij zullen die dus niet steunen.

 

Het amendement van de fractie van Leefbaar Delft klinkt buitengewoon sympathiek, maar gelet op de uitleg van de wethouder en op het feit dat het hierbij niet gaat om een medische diagnose die opnieuw zou moeten worden bezien, zullen wij dat amendement niet steunen.

 

Gelet op de mogelijke financiële consequenties, zullen wij ook de motie van de CDA-fractie niet steunen.

 

Mevrouw DE JONG (CDA): Voorzitter. De CDA-fractie denkt iets anders over de grootte van bepaalde risico’s en over het feit dat je dit jaar wat risico’s moet lopen om volgend jaar meer geld binnen te krijgen en om dit jaar ervaring op te doen. Wij handhaven dus onze motie over de zorguitruil.

 

Wij zitten met het probleem dat ik niet alert genoeg ben geweest om de wethouder te vragen om alsnog te reageren op mijn verzoek om iets toe te zeggen over de overhead.

 

Wethouder RENSEN: Mag ik dat direct goedmaken? Dat was immers inderdaad een vraag in de eerste termijn. Er komt binnenkort een financieel overzicht van de uitvoeringskosten van de WMO.

 

Mevrouw DE JONG (CDA): Dat is mooi. Dan hoef ik daar geen motie over in te dienen.

 

Wij zullen het amendement van de fractie van Leefbaar Delft over de second opinion steunen. Wij willen daar dit jaar graag ervaring mee opdoen. Alles waarvan wij dit jaar weten hoe het werkt, kunnen wij volgend jaar goed verwerken in de definitieve verordening. Dat geldt ook voor de motie die wij samen met de SP-fractie hebben ondertekend. Daarin wordt ervoor gepleit om het vervoer niet alleen mogelijk te maken om dreigende vereenzaming tegen te gaan maar ook om maatschappelijk te kunnen functioneren. Dat zijn de twee criteria in de wet, maar op dit ogenblik zijn er zulke stringente beperkingen dat erg veel mensen in problemen komen. Een heleboel zaken willen wij graag naar de volgende verordening doorschuiven, maar met een aantal zaken willen wij nu al ervaring opdoen om de volgende verordening beter te kunnen maken en om de financiële gevolgen beter te kunnen inschatten.

 

De heer DE KONING (Stadsbelangen): Voorzitter. Ik had aangegeven dat ik bij een x-aantal amendementen van de SP-fractie nog een slag om de arm hield, maar na de uitleg van de wethouder kan ik aangeven dat wij geen enkel amendement zullen steunen. Het amendement van de fractie van Leefbaar Delft zullen wij wel steunen. Volgens mij is het wel mogelijk om dat amendement uit te voeren. Ik ga dat zelf nog uitzoeken en daar kom ik op een ander moment op terug.

 

De heer GULDEMOND (STIP): Voorzitter. Wat de motie en de amendementen van de SP-fractie betreft, kunnen wij de redenering van de wethouder volgen. Wij zijn er ook door meerdere mensen van overtuigd om niet voor die motie en amendementen te stemmen.

 

Ook ten aanzien van het amendement van de fractie van Leefbaar Delft over de second opinion heeft de wethouder ons kunnen overtuigen. Bovendien hebben wij in de schorsing kort contact gehad met een ervaringsdeskundige op dit gebied, zodat wij even over het functioneren van het CIZ en de verschillende afdelingen hebben kunnen praten. Dat sterkt ons om dit amendement niet te steunen.

 

Dan kom ik bij de motie van de CDA-fractie over de zorguitruil. Wij volgen de redenering van mevrouw De Jong nog steeds. Bij de STIP-fractie is het uitgangspunt altijd geweest dat deze verordening beleidsarm zou ingaan. De wethouder zegt dat de mensen die voorheen gebruik konden maken van de zorguitruil – dat vinden wij belangrijk – dat nog steeds kunnen blijven doen, maar dat dat niet mogelijk is voor mensen die dat na het ingaan van deze verordening alsnog willen doen. Wat ons betreft, is de verordening dan niet beleidsarm, maar beleidsarmer. Wij zullen de motie van de CDA-fractie daarom steunen.

 

Ongeacht de uitslag van de stemming over die motie geeft STIP een positief advies over de verordening. Toch willen wij zeggen dat dit pas het begin is. Wij zijn zeer benieuwd naar de startnotitie over de WMO, waarin inhoudelijk invulling wordt gegeven aan de negen prestatievelden. Wij verwachten ook veel van de commissie Extern, waarin de participatie centraal staat. Graag zouden wij vanaf nu meer ingaan op de uitwerking van de WMO voor cliënten in plaats van op deze voornamelijk technische discussie over de verordening.

 

De heer WITSENBOER (GroenLinks): Voorzitter. Na het verhaal van de wethouder gaan wij met geen van de ingediende amendementen en moties akkoord. Wij zeggen: nu aan de slag voor een goed beleid vanaf 2008!

 

Mevrouw THOOLEN (PvdA): Voorzitter. De motie en amendementen van de SP-fractie zullen wij niet steunen. Wij vinden de antwoorden van de wethouder afdoende; wij waren daar ook op basis van onze eigen beoordeling in eerste termijn al niet voor.

 

Wat de second opinion betreft: wij denken dat het CIZ een professionele onafhankelijke organisatie is die ook de mogelijkheid biedt om bezwaar aan te tekenen dan wel in beroep te gaan. Wij gaan ervan uit dat het CIZ ook een klachtenprocedure heeft. Daar hebben wij dus vertrouwen in.

 

De heer MEULEMAN (Stadsbelangen): Volgens mij gaat de discussie niet over de vraag of die organisatie onafhankelijk is. Het gaat om het gezichtspunt van de klant, die het belangrijk vindt om door een onafhankelijke partij opnieuw te worden gezien en niet door de partij die de eerste beoordeling heeft gedaan. Het is helemaal niet in het geding of de organisatie wel of niet onafhankelijk is, wel of niet te vertrouwen is of wel of geen slecht werk levert. Het gaat om het gezichtspunt van de klant.

 

Mevrouw THOOLEN (PvdA): In sommige gevallen moeten klanten er misschien genoegen mee nemen dat er een interne procedure is bij een organisatie. Daar wil ik het op dit punt bij laten.

 

Wat de zorguitruil betreft: wij vinden die motie nog steeds heel sympathiek, maar zien daarvoor geen dekking. Wij zullen dus tegen die motie stemmen.

 

De heer STOOP (Leefbaar Delft): Dan wil ik wel eens van de PvdA weten wat zij ervan vindt dat op de website van het CIZ staat dat iedere cliënt recht heeft op een second opinion van een onafhankelijke arts. Dit is puur Delfts beleid. In de eerste ronde heb ik niemand van de collegepartijen gehoord, maar ik had niet anders verwacht. Dat maakt niet uit, maar op de website van het CIZ staat letterlijk dat iedere cliënt bij het CIZ recht heeft op een second opinion van een onafhankelijke arts. Het gaat niet om de vraag of het CIZ een goede organisatie is. Zoals de heer Meuleman al zei: het gaat om het recht van de cliënt. Daar praten wij over.

 

Mevrouw THOOLEN (PvdA): Het antwoord van de wethouder hield een bepaalde juridische formulering in. Als het contract met het CIZ inhoudt dat het CIZ zelf zegt dat het kan, kan ik daar geen bezwaar tegen hebben. Het gaat mij om de afspraken die gemaakt zijn met het CIZ.

 

De heer STOOP (Leefbaar Delft): Wij praten nu over een verordening waarin staat dat het CIZ ook de second opinion doet, omdat er anders aanbesteed moet worden. Dat is vanwege Delfts beleid dat het college zelf heeft gemaakt. Dat is het verhaal.

 

Mevrouw THOOLEN (PvdA): Ja, dat heb ik gehoord.

 

Mevrouw DE JONG (CDA): Ik wil iets zeggen over de dekking van onze motie. Wij hebben in de begroting in de afgelopen jaren 1,4 miljoen euro gespaard die wij hebben toegevoegd aan een speciale WMO-reserve. Die reserve is er om zulke risico’s dit jaar te bekostigen. De bedoeling is dat je dat volgend jaar bij het Rijk kunt terugvragen. Wat dat betreft, ben ik het dus niet met de PvdA-fractie eens dat er hiervoor geen dekking zou zijn.

 

Mevrouw THOOLEN (PvdA): Misschien is er dan wel een dekking hiervoor, maar wij weten absoluut niet welke risico’s wij allemaal nog gaan lopen. Ik houd dus graag een reserve achter de hand voor zaken die wij nog niet kunnen voorzien.

 

Mevrouw DE JONG (CDA): Ik snap niet hoe het mogelijk is dat u wel een risico van 500 miljoen euro wilt lopen voor een treintunnel en op dit punt geen risico van 100.000 euro wilt lopen.

 

Mevrouw THOOLEN (PvdA): Ik ga niet over de treintunnel.

 

De VOORZITTER: Nou, die is vandaag niet aan de orde; zullen wij het daarop houden?

 

De heer STOOP (Leefbaar Delft): Voorzitter. Ik haak aan bij de aanvullende notitie. Het amendement is trouwens eerder deze week al door de griffie naar de partijen gestuurd. Als de STIP-fractie dan tijdens de gemeenteraadsvergadering nog even met een ervaringsdeskundige in overleg gaat om tot de conclusie te moeten komen dat zij tegen het amendement is, vraag ik mij af waarom zij dat de afgelopen week niet heeft gedaan. In plaats daarvan stelt zij loze vragen aan zichzelf; maar goed, dat is haar probleem.

 

Het is mij opgevallen dat in eerste termijn niemand van de collegepartijen het woord heeft gevoerd. Ik wist ook al van tevoren dat men tegen ons amendement zou gaan stemmen. Waar praten wij over? Wij praten over een second opinion en men praat over geld, maar in dezelfde notitie staat dat het volgend jaar hoogstwaarschijnlijk om vijf mensen gaat. Het maakt mij overigens niet uit of het er vijf of honderd zijn, want iedereen heeft rechten. Waarschijnlijk is het landelijk zelfs in de wet vastgelegd dat je recht hebt op een second opinion van een onafhankelijke arts. Morgen krijg ik daar uitsluitsel over. Daarom ben ik blij dat de heer De Koning dit in ieder geval serieus neemt. Het lijkt echter wel alsof alleen de oppositie zulke dingen serieus neemt en dat de collegepartijen niet beseffen wat zij mensen aandoen als de second opinion bij dezelfde organisatie moet plaatsvinden. Ik zie er nu weer eentje van de PvdA lachen alsof hij wil zeggen: je kletst maar. Het gaat mij alleen om het weghalen van de schijn. Wij komen hier waarschijnlijk nog op terug, want gelukkig gaat ook de heer De Koning dit uitzoeken. Ik sta er dus niet alleen voor. Ook de fracties van het CDA en de SP hebben mij gesteund, waarvoor mijn dank.

 

Mevrouw VAN ROSSUM (SP): Voorzitter. Mag ik tussendoor nog een opmerking maken?

 

De VOORZITTER: Vooruit.

 

Mevrouw VAN ROSSUM (SP): Ik vergat in mijn tweede termijn te melden dat wij amendement A7 intrekken omdat de rolstoel inderdaad op de verkeerde plek stond. Dat amendement is dus overbodig.

 

De VOORZITTER: Aangezien amendement A7 is ingetrokken, maakt het geen onderdeel van de beraadslaging meer uit.

 

Wethouder RENSEN: Voorzitter. Volgens mij stond de rolstoel op de goede plek, maar stond het amendement op de verkeerde plaats.

 

Mevrouw VAN ROSSUM (SP): Ja, het was iets in die richting.

 

Wethouder RENSEN: Ik hoef niet veel reacties te geven. Amendement A3 geeft alleen een voorbeeld, maar dat neemt niet weg dat bij het aannemen van dat amendement de verordening op die wijze wordt gewijzigd. Dat vind ik om de eerder genoemde redenen bezwaarlijk.

 

Met betrekking tot amendement A5 zegt mevrouw Van Rossum dat zij op dat punt ambitieuzer wil zijn. Dat sluit aan bij mijn stelling dat dit amendement nieuwe extra ruimte veroorzaakt. Ik denk niet dat dat bij deze voorziening op deze wijze handig is, maar als mevrouw Van Rossum haar ambities kwijt wil, moet dat gewoon gebeuren in het kader van de beleidsdiscussie. Dan kunnen wij de effecten en financiële gevolgen ook keurig netjes tegen andere gevolgen afwegen.

 

Wat amendement A6 betreft: in een indicatiestellingprocedure kan wel degelijk heel goed worden beoordeeld hoe stevig het sociale netwerk van mensen is. Ook op dat punt is aantoonbaarheid wel degelijk aan de orde en die kan ook in een bezwaarprocedure getoetst worden.

 

De second opinion kan naar mijn oordeel niet door een arts worden gegeven, tenzij die arts exact hetzelfde is toegerust als een indicatiesteller van het CIZ, met alles erop en eraan. Je hebt geen vrije beweegruimte om op basis van een heel andere professionaliteit tot een ander indicatieoordeel te komen. Dat kan gewoon niet.

 

De heer STOOP (Leefbaar Delft): Hoe komt u aan die wijsheid? Is er onderzocht of er geen andere organisatie is die dezelfde indicatiestelling kan doen als het CIZ? Dan wil ik wel eens op papier zien dat er werkelijk geen andere onafhankelijke arts is die een second opinion kan geven.

 

Wethouder RENSEN: Misschien is het misverstand dat u denkt dat de indicatiesteller een arts is, maar dat is niet het geval. De mensen die bij het CIZ werken, hebben een ander vak. Zij raadplegen artsen voor een deskundige beoordeling van medische aspecten in een kwestie, maar de indicatiestellers zijn geen artsen. Omdat ik heel goed snap waarom u dit amendement indient, wil ik nog een keer bekijken hoe het juridisch exact ligt met het wel of niet kunnen stellen van een second opinion. Ik zal dat melden in de eerstkomende vergadering van de commissie WIJZO. Dan weet u dat in ieder geval zeker.

 

De VOORZITTER: De stemmingen beginnen met de amendementen.

 

Mevrouw VAN ROSSUM (SP): Voorzitter. Onze motie is verstrekkender. Moet dan niet eerst daarover worden gestemd?

 

De VOORZITTER: Ik kijk even naar het presidium. Wij hebben de gewoonte dat wij eerst over de amendementen stemmen en daarna over de moties, maar wij gaan vandaag voor de verstrekkendheid.

 

De heer DE KONING (Stadsbelangen): Voorzitter. Ik heb een punt van orde over het amendement van de fractie van Leefbaar Delft. Houdt zij na de toezegging van de wethouder dat amendement in de lucht? De wethouder heeft immers aangegeven dat hij dit voor de volgende commissievergadering uitzoekt.

 

De VOORZITTER: Mijnheer Stoop, trekt u het amendement in of handhaaft u het?

 

De heer STOOP (Leefbaar Delft): Ik trek het amendement niet in.

 

De VOORZITTER: Dat dacht ik al.

 

De heer STOOP (Leefbaar Delft): Ik houd het amendement gewoon aan, want ik ben reuze benieuwd. Men heeft mij immers andere dingen verteld dan waar de wethouder nu mee komt.

 

In stemming komt motie M1.

 

De motie wordt bij handopsteken verworpen.

 

De VOORZITTER: Ik constateer dat de fracties van de SP en Leefbaar Delft voor deze motie hebben gestemd.

 

In stemming komt amendement A1.

 

Het amendement wordt bij handopsteken verworpen.

 

De VOORZITTER: Ik constateer dat de fracties van de SP en Leefbaar Delft voor dit amendement hebben gestemd.

 

In stemming komt amendement A2.

 

Het amendement wordt bij handopsteken verworpen.

 

De VOORZITTER: Ik constateer dat de fracties van de SP en Leefbaar Delft voor dit amendement hebben gestemd.

 

In stemming komt amendement A3.

 

Het amendement wordt bij handopsteken verworpen.

 

De VOORZITTER: Ik constateer dat de fracties van de SP en Leefbaar Delft voor dit amendement hebben gestemd.

 

In stemming komt amendement A4.

 

Het amendement wordt bij handopsteken verworpen.

 

De VOORZITTER: Ik constateer dat de fracties van de SP en Leefbaar Delft voor dit amendement hebben gestemd.

 

In stemming komt amendement A5.

 

Het amendement wordt bij handopsteken verworpen.

 

De VOORZITTER: Ik constateer dat de fracties van de SP, het CDA en Leefbaar Delft voor dit amendement hebben gestemd.

 

In stemming komt amendement A6.

 

Het amendement wordt bij handopsteken verworpen.

 

De VOORZITTER: Ik constateer dat de fracties van de SP en Leefbaar Delft voor dit amendement hebben gestemd.

 

In stemming komt amendement A8.

 

Het amendement wordt bij handopsteken verworpen.

 

De VOORZITTER: Ik constateer dat de fracties van de SP en Leefbaar Delft voor dit amendement hebben gestemd.

 

In stemming komt amendement A9.

 

Het amendement wordt bij handopsteken verworpen.

 

De VOORZITTER: Ik constateer dat de fracties van Leefbaar Delft, de SP, het CDA en Stadsbelangen voor dit amendement hebben gestemd.

 

In stemming komt motie M2.

 

De motie wordt bij handopsteken verworpen.

 

De VOORZITTER: Ik constateer dat de fracties van het CDA, de SP, Leefbaar Delft en STIP voor deze motie hebben gestemd.

 

In stemming komt het voorstel.

 

Het voorstel wordt bij handopsteken aangenomen.

 

De VOORZITTER: Ik constateer dat de fracties van de SP en Leefbaar Delft tegen het voorstel hebben gestemd.

 

318. Voorstel inzake uitvoering gesubsidieerd werk 2007.

(Stuk 215 – 20141162)

 

De heer STOOP (Leefbaar Delft): Voorzitter. Ik heb namens Leefbaar Delft in de commissie al aangegeven dat wij helemaal niet tegen aanbesteding zijn, maar dat wij een jaar gewoon te kort vinden voor aanbesteding. Voordat een organisatie als aanbesteder op gang is, loop je het risico dat er het volgende jaar een andere aanbesteder komt die goedkoper is, zodat je het werk weer kwijt raakt. De wethouder zegt wel dat hij voor kwaliteit gaat, maar dat is niet altijd zo. Leefbaar Delft gaf immers al het voorbeeld van het gesubsidieerde werk: wij weten dat Werkplan de expertise en het netwerk heeft, terwijl Combiplan volgens ons het wiel opnieuw moet gaan uitvinden. Wij lopen dan ook het risico dat wij om de haverklap met een andere aanbieder te maken krijgen en dat de cliënten daardoor door de bomen het bos niet meer zien. In de nota staat ook dat spanningsvelden kunnen ontstaan tussen de twee aanbieders, Combiwerk en Werkplan, want beide organisaties zijn potentiële aanbieders van het product gesubsidieerd werk. Dat is voor ons reden om tegen deze nota te gaan stemmen. Wij hebben bijvoorbeeld ook al slechte ervaringen met de Regiotaxi en er staat niet klip en klaar wat er gaat gebeuren als blijkt dat de aanbieder niet aan zijn opdracht voldoet of zijn werk niet naar behoren doet. Wij zullen dus in ieder geval tegen de nota stemmen. Ons hoofditem is dat wij de aanbesteding van een jaar gewoon te kort vinden. Wij hadden liever gezien dat de aanbesteding voor vier jaar had gegolden, zodat je in het gesubsidieerde werk continuïteit kunt bieden en zodat net als bij de WMO een overgangsjaar was gecreëerd. Dan zou, als er een andere aanbieder komt, een degelijke overdracht mogelijk zijn en daar zou dan geld voor beschikbaar gesteld moeten worden.

 

Mevrouw DEKKER (SP): Voorzitter. Hoewel verzelfstandigd heeft Werkplan wel ervaring en expertise opgedaan. Ik sluit mij dus aan bij de heer Stoop. Er wordt van ons gevraagd om in te stemmen met een aanbestedingsprocedure die nog ingevuld moet worden. Gelet op eerdere ervaringen met aanbestedingsprocedures heb ik daar niet heel veel vertrouwen in. Nog los van onze inhoudelijke bezwaren tegen aanbesteding van dit soort organisaties kunnen wij ook daarom niet akkoord gaan met dit voorstel.

 

De heer VAN DOEVEREN (CDA): Voorzitter. Wij hebben in de commissie al betoogd dat dit punt eigenlijk niet in de raad thuishoort, omdat er een hoop uitwerking in zit van de interne organisatie van de gemeente. Dat vinden wij primair een verantwoordelijkheid van het college. Als zaken uiteindelijk niet goed gaan, zullen wij het college daarop aanspreken. Het is bij de raad terechtgekomen omdat er ook een aanbestedingsprocedure in zit, want wij hadden afgesproken dat de raad – althans de commissie – over die procedure zou meedenken. Wij vinden het verloop van deze procedure geen voorbeeld van hoe het zou moeten, maar ik heb begrepen dat dit de dag na het aannemen van de motie is ingebracht. Wat ons betreft, is dit echter zeker niet de norm voor de toekomstige behandeling van aanbestedingsprocedures.

 

Wethouder BOLTEN: Voorzitter. De heer Van Doeveren heeft groot gelijk: zulke stukken zouden wij eigenlijk niet naar de raad willen sturen. Het stuk is gemaakt op de dag dat de algemene beschouwingen afgesloten werden met een motie waarin gevraagd werd om aanbestedingen over politiek gevoelige onderwerpen via de commissie te laten lopen. Dat hebben wij toen meteen besloten, omdat wij wisten dat in ieder geval een paar partijen over dit soort onderwerpen graag het woord zouden voeren. Die kans hebben wij die partijen willen geven, maar een volgend stuk dat eventueel politiek gevoelig is en verband houdt met aanbestedingen, wordt op een andere manier voorbereid.

 

Mevrouw DEKKER (SP): Volgens mij ging die motie vooral over de inhoud van de aanbestedingsprocedure. Nu hebben wij een stuk van drie pagina’s gekregen waarin staat dat de aanbestedingsprocedure nog verder wordt ingevuld. Ik ben erg blij dat de wethouder gevolg heeft willen geven aan de motie, maar volgens mij is dit niet waar de motie om vroeg.

 

Wethouder BOLTEN: Dat weet ik en dat is ook uitgebreid besproken in de commissie. Daar was uw fractie bij. Ik had gehoopt dat dat naar u teruggekoppeld zou zijn, maar dat is kennelijk niet het geval.

 

Mevrouw DEKKER (SP): Dit is, na mevrouw Van der Hoek, al de tweede keer dat er verwezen wordt naar de commissie. Volgens mij worden hier beslissingen genomen, wordt hier gestemd en worden gedachten hier, weliswaar korter dan in de commissie, nog eens uitgewisseld. Als ik die vraag nog eens wil stellen voor de Handelingen en voor de historie, moet ik daar de gelegenheid voor krijgen. Ik vind het prima dat u over dingen in de commissie besluit, maar wij doen dat hier in de raad.

 

De VOORZITTER: Volgens mij moeten wij ook dit punt maar eens bespreken in het presidium en in het overleg van de fractievoorzitters. Over het algemeen is het in de raad en in de algemene bestuurlijke praktijk gebruikelijk om te proberen om de commissiebehandeling niet over te doen. Dat laat onverlet dat u de politieke punten eruit moet halen en hier naar voren moet brengen. Daarover is af en toe wel eens een verschil van inzicht. Mag ik het zo formuleren?

 

Mevrouw DEKKER (SP): Ik heb het heel kort gehouden. Volgens mij heb ik vijf zinnen uitgesproken. De wethouder kan dus niet zeggen dat ik hier de hele commissiebehandeling over zit te doen. Ik wilde inderdaad onze punten gewoon nog even aanstippen.

 

Wethouder BOLTEN: Dat heb ik ook niet gezegd en dat zou ik ook niet willen zeggen.

 

Wij hebben de mogelijkheid om de aanbesteding te verlengen tot een maximum van vier jaar. Elk jaar willen wij dus bekijken of wij het verlengen. Als het goed gaat, zullen wij het verlengen. Wij mogen niet “niet-aanbesteden”. Wij moeten voor 2007 aanbesteden en wij willen zeker weten dat het werk kwalitatief goed ingevuld wordt. Daarom hebben wij dat jaar juist ingebouwd om ervoor te zorgen dat degene die de aanbesteding wint, het werk goed doet.

 

De heer STOOP (Leefbaar Delft): U zegt dat het verlengd kan worden tot vier jaar. Dat had ik niet gelezen, maar het is goed dat dat zo is. Dan blijft er echter de vraag hoe het college daarmee omgaat. In de commissie hebt u gezegd dat men op de aanbesteding kan reageren, maar als je weet dat een organisatie zoals Werkplan goed werkt en expertise in huis heeft, kun je de aanbesteding dan niet ontwijken, net zoals bij de vorige casus over het CIZ? Als je het niet hoeft aan te besteden, weet je immers zeker dat er continuïteit is.

 

Wethouder BOLTEN: De ellende is dat wij van Europa moeten aanbesteden. Wij kunnen dus niet anders, maar door een uitnodiging aan Werkplan om in te schrijven op de aanbesteding proberen wij wel om de bestaande kwaliteit in ieder geval niet verloren te laten gaan. Dat staat ook in het stuk. Het is echter een openbare aanbesteding. Ook andere organisaties hebben dus het recht om in te schrijven. In de commissie zijn ook een aantal kaders meegegeven die in het bestek opgenomen zouden kunnen worden, bijvoorbeeld het behoud van de kennis van het Delftse netwerk, de contacten met werkgevers en een aantal andere dingen die een willekeurig re-integratiebedrijf uit Groningen waarschijnlijk niet kan inbrengen, terwijl bedrijven in Delft dat wel kunnen. Als op grond van de eisen en wensen een re-integratiebureau het werk krijgt, is overigens nog niet gegarandeerd dat dat bureau alle klanten krijgt. Wij hebben in de aanbesteding niet opgenomen hoeveel klanten het bedrijf krijgt. Ook dat is het inbouwen van een kwaliteitstoets. Als het goed gaat, krijgt het bedrijf er veel; als het slecht gaat, houden wij ermee op en kunnen wij opnieuw gaan aanbesteden. Wij proberen dus echt om de kwaliteit voorop te stellen. Wij gaan er ook van uit dat het om mensenwerk gaat en wij geven de mensen die op dit moment via Werkplan aan het werk zijn, de garantie dat zij bij de jaarwisseling niet ineens op straat staan.

 

De VOORZITTER: Ik constateer dat er geen behoefte bestaat aan een tweede termijn.

 

In stemming komt het voorstel.

 

Het voorstel wordt bij handopsteken aangenomen.

 

De VOORZITTER: Ik constateer dat de fracties van Leefbaar Delft en de SP tegen het voorstel hebben gestemd.

 

319. Voorstel tot vaststelling van de update van de Algemene Plaatselijke Verordening voor Delft.

(Stuk 199 – 30153711)

 

De heer SIPKEMA (SP): Voorzitter. Ik wil er twee punten uitlichten, ten eerste de gebiedsontzegging. De update van de APV voegt een artikel toe dat de mogelijkheid biedt om aan iemand een gebiedsontzegging op te leggen. Ik heb in de commissie al aangegeven dat ik daar niet principieel tegen ben, zeker omdat de gebiedsontzegging pas bij herhaaldelijke overtreding wordt opgelegd. Ik wil echter goed onderbouwd zien waarom dit artikel nodig is. Welke problemen zijn er nu die naar verwachting met dat nieuwe artikel kunnen worden opgelost? Die onderbouwing krijg ik niet. De burgemeester geeft aan dat het artikel vooralsnog niet gebruikt gaat worden. Het artikel is met name bedoeld om overloop van problemen vanuit Den Haag en Rotterdam te voorkomen. Dat is voor mij op zich geen reden om dan maar de APV van Den Haag over te nemen. Er zijn ook wel degelijk nadelen van dit artikel te bedenken en daar wordt wel heel makkelijk aan voorbij gegaan.

 

In de commissie heb ik ook aangegeven dat ik graag in de verordening opgenomen zou zien dat, als iemand in het gebied woont of daar een hulpverleningsinstantie bezoekt, daar rekening mee gehouden zou moeten worden. Daar kan volgens mij niemand tegen zijn. Daar dien ik een amendement over in.

 

Het tweede punt is de overlast van fietsen of bromfietsen. In de APV maakt artikel 5.1.6 het mogelijk dat in aangewezen gebieden fietsen worden verwijderd die niet in fietsenrekken staan. Toen voor het eerst een artikel van deze strekking aan de APV werd toegevoegd, is toegezegd dat eerst voor voldoende stallingmogelijkheden zou worden gezorgd. De gemeente maakt nu van dit artikel gebruik om het plaatsen van fietsen naast de rekken te verbieden op plaatsen waar volstrekt onvoldoende fietsparkeerplaatsen aanwezig zijn. Ik wil die mogelijkheid daarom uit de APV halen. Ook daarvoor dien ik een amendement in. Het is maar zeer de vraag of een dergelijk artikel überhaupt nodig zou zijn als er wel voldoende fietsenrekken zouden zijn.

 

De VOORZITTER: Door de SP-fractie worden de volgende amendementen (A-10 en A-11) ingediend:

 

A-10

 

“De raad van de gemeente Delft, in vergadering bijeen op 30 november 2006,

 

besluit:

 

in het voorstel ‘Update van de Algemene Plaatselijke Verordening voor Delft’, stuk 199 I, bij wijziging nummer 7 toe te voegen artikel 2.1.24, lid 5 met de tekst ‘De burgemeester houdt bij zijn beslissing rekening met eventuele zwaarwegende belangen die betrokkene kan hebben bij aanwezigheid in het gebied, zoals het aldaar wonen, werken of hulpverleningsinstantie bezoeken',

 

en gaat over tot de orde van de dag.”

 

A-11

 

“De raad van de gemeente Delft, in vergadering bijeen op 30 november 2006,

 

besluit:

 

in het voorstel ‘Update van de Algemene Plaatselijke Verordening voor Delft’, stuk 199 I, een nieuwe wijziging toe te voegen met de tekst ‘Artikel 5.1.6, lid 1 en 2 komen te vervallen',

 

en gaat over tot de orde van de dag.

 

Toelichting: Er is, toen voor het eerst een artikel van deze strekking aan de APV werd toegevoegd, toegezegd dat er eerst voor voldoende stallingmogelijkheden zou worden gezorgd. De gemeente maakt nu van dit artikel gebruik om het plaatsen van fietsen naast de rekken te verbieden op plaatsen waar volstrekt onvoldoende fietsparkeerplaatsen aanwezig zijn.”

 

Mevrouw NORBRUIS (GroenLinks): Voorzitter. Na de vergadering van de commissie Wijk, Verkeer en Beheer hebben wij het artikel over de gebiedsontzegging nog even teruggenomen en nader besproken. Wij staan niet achter de huidige formulering, omdat die betekent dat de burgemeester de politie mandaat kan geven om personen de toegang tot een bepaald gebied te ontzeggen. Wij vinden dat alleen de burgemeester die bevoegdheid moet hebben. In de commissie gaf de burgemeester aan dat dit in de praktijk niet werkbaar is. Aangezien dit instrument een allerlaatste redmiddel is, zoals in de toelichting staat, denken wij dat dat wel zal meevallen. Wij zouden dus heel graag willen dat er komt te staan dat de burgemeester de bevoegdheid heeft om de toegang tot het gebied te ontzeggen. Om die reden dienen wij een amendement in.

 

De VOORZITTER: Door de fractie van GroenLinks wordt het volgende amendement (A-12) ingediend:

 

“De raad van de gemeente Delft, in vergadering bijeen op 30 november 2006,

 

besluit in de Algemene Plaatselijke Verordening voor Delft,

 

artikel 2.1.24, lid 1,

 

‘nadat door of namens de burgemeester hem een daartoe strekkend bevel is gegeven,’

 

te wijzigen in:

 

‘nadat door de burgemeester hem een daartoe strekkend bevel is gegeven,’

 

en artikel 2.1.24, lid 3 en 4,

 

‘dient zich terstond na bevel van of namens de burgemeester uit dat gebied te verwijderen …’

 

te wijzigen in:

 

‘dient zich terstond na bevel van de burgemeester uit dat gebied te verwijderen …’,

 

en gaat over tot de orde van de dag.

 

Toelichting: In de huidige formulering kan de burgemeester de politie het mandaat over de bevoegdheid geven en dat vindt de fractie van GroenLinks onwenselijk. GroenLinks vindt dat gebiedsontzegging alleen een bevoegdheid van de burgemeester is.”

 

De heer VOKURKA (D66): Voorzitter. Op het punt van de gebiedsontzegging volg ik de heer Sipkema wel een beetje. Wij hebben het in de fractie ook nog even besproken. Mijn partij is niet voor overbodige regelgeving. U kunt het niet heel helder uitleggen. U legt het wel een beetje uit. Wij willen u graag het voordeel van de twijfel geven, maar willen graag nog even de toezegging dat u dit gaat evalueren en dat u daar bij ons op terugkomt.

 

De heer VAN TONGEREN (CDA): Voorzitter. Ik heb een opmerking over de voorgenomen wijziging van artikel 4.1.7 over uitbreiding van het aantal incidentele evenementen van maximaal acht naar maximaal twaalf. Wij vinden het verstandig dat eerst met de stad wordt besproken wat men daarvan vindt. Wij willen nog wel even bekijken of dat kan betekenen dat de uitkomst ook een andere kan zijn dan het in het collegeprogramma genoemde aantal van twaalf; dat is eigenlijk meer een vraag aan de collegepartijen in brede zin. Wat ons betreft, moet een andere uitkomst ook mogelijk zijn.

 

Mevrouw VAN EMPEL (STIP): Voorzitter. Hoewel STIP graag had gezien dat de horecagelegenheden in de binnenstad een verruiming hadden gekregen van het aantal liveoptredens van acht naar twaalf per jaar, vinden wij het goed om dat nog even uit te stellen totdat het nieuwe evenementenbeleid voorligt. Wij wachten dat dan ook even af.

 

Wij zouden ook graag zien dat er een overleg komt met de bewonersvereniging in de binnenstad. Verder wachten wij de reactie van het college nog even af.

 

De heer VAN LEEUWEN (VVD): Voorzitter. De VVD-fractie is blij dat het artikel 4.1.7 over de kennisgeving van incidentele festiviteiten voorlopig geschrapt is uit de update van de APV. Het verhogen van acht naar twaalf festiviteiten in de binnenstad moet eerst in de commissie besproken worden. Ook de scheiding tussen professionele horeca en de paracommerciële horeca in de sportkantines willen wij eerst in de commissie bespreken.

 

Wat artikel 2.1.24 over de gebiedsontzegging betreft: het lijkt ons moeilijk om handhavend op te treden. Hoe wil het college erop toezien dat de uit het gebied verwijderde persoon of personen zich houden aan de gebiedsontzegging? En wat gebeurt er als dezelfde persoon zich na de vierde overtreding weer misdraagt in hetzelfde of in een ander gebied? Dat lijkt ons een beetje moeilijk te handhaven.

 

De heer DE PREZ (PvdA): Voorzitter. Ik sluit mij aan bij de vraagtekens van de VVD-fractie bij de handhaafbaarheid van de gebiedsontzegging. Daar hebben ook wij in de commissie opmerkingen over gemaakt.

 

Ik wil heel kort ingaan op het punt van de evenementen. Ik heb zelf niet de indruk dat de mensen tegen uitbreiding van het aantal evenementen zijn, maar dat zij vooral problemen hebben met de geluidsoverlast die dat oplevert. Mijn fractie breekt graag een lans voor een effectief handhavingsbeleid, zodat mensen die last hebben van evenementen, ergens terechtkunnen met hun klachten en zodat daar dan ook tegen opgetreden kan worden.

 

De VOORZITTER: Als portefeuillehouder veiligheid zal ik reageren. Er zijn enkele onderwerpen benoemd. Ik begin met de uitbreiding van de ontheffing voor festiviteiten. Met name mevrouw Van Empel heeft daar in haar maidenspeech indringend over gesproken. Dat noopt dus sowieso tot een reactie. In de commissie is nadrukkelijk gebleken dat de uitbreiding politiek en maatschappelijk iets beter moet worden voorbereid. Ik stel voor dat wij daar ruim de gelegenheid voor nemen. Ik heb voorgesteld om dat te betrekken bij het evenementenbeleid en bij het overige beleid met betrekking tot de binnenstad. Ik zal verder niet ingaan op de argumenten die in dat kader zijn genoemd. Er zijn natuurlijk mensen die ervoor zijn en er zijn natuurlijk mensen die ertegen zijn. Laat dat dus maar afgewogen worden in een bredere discussie met betrekking tot het evenementenbeleid in de stad. Ik zeg daar vanaf deze plaats nogmaals bij dat wij de komende jaren flink aan de slag gaan met de handhaving van de geluidsoverlast door buitenevenementen. Dat aspect zal dus zijn plek krijgen wanneer wij hier verder over gaan spreken. Wordt dus vervolgd in 2007.

 

De heer Sipkema heeft een lans gebroken voor het uit de APV halen van de bepaling dat bij overlast van fietsen de fietsen verwijderd kunnen worden. Dat staat niet in het voorstel en het is ook niet ter sprake gekomen in de commissie. Ik zie op dit moment geen redenen om het voorstel van de heer Sipkema te volgen. Ik denk dat het instrument goed gebruikt kan worden om daar waar die overlast er is, handhavend te kunnen optreden. Daar is behoefte aan, want dit soort gevallen doet zich voor. Ik zie dus geen aanleiding om dit er nu uit te halen.

 

De heer SIPKEMA (SP): Er zouden natuurlijk ook fietsenstallingen neergezet kunnen worden. Daarmee wordt overlast ook voorkomen. De overlast wordt veroorzaakt door mensen die hun fiets graag kwijt willen.

 

De VOORZITTER: Wij zijn ook hard bezig met het uitvoering geven aan het fietsenstallingbeleid. Wethouder Koning kan u daarover in de desbetreffende commissie uitgebreid informeren. In dit kader is er naar mijn mening geen reden om de bepaling te schrappen.

 

Een aantal fracties heeft gesproken over de gebiedsontzegging. In de commissie is daar uitgebreid over gesproken en in de stukken is ook uitgebreid gemotiveerd waarom het instrument wordt ingevoerd. Ik heb daar zelf over gesproken en ik verwijs naar de stukken. Ik merk nog wel op dat er behoefte is aan een extra instrument voor de handhaving van de openbare orde, als er in een bepaalde wijk of buurt te veel overlast voorkomt en de normale trajecten niet voldoen. Veel steden zijn ons voorgegaan in het gebruik van dit middel, dat met de grootste zorgvuldigheid moet worden toegepast. Ik heb dat ook gezegd: het is het laatste middel omdat iemand uit zijn normale doen en laten wordt gehaald. Dat is geen gering middel, maar het is soms geboden om rust te creëren in een wijk of buurt. De ervaringen in andere steden leren dat dit goed werkt en dat daar met tevredenheid naar wordt gekeken. Om die reden willen wij het in Delft graag gebruiken.

 

Aan dit instrument is een lange procedure verbonden. Eerst moet bij besluit een gebied worden aangewezen. Ik wil daar de raad zeker bij betrekken. Als dat gebied is aangewezen, kan de volgende stap worden gezet in de toepassing en de handhaving. Daarmee moet op een buitengemeen zorgvuldige manier worden omgegaan. Ook daarvoor geldt vervolgens een procedure. Politieagenten die in een aangewezen gebied aan het werk zijn en op een geval stuiten, kunnen op basis van de openbare orde constateren dat het instrument moet worden ingezet. Ik stel mij voor dat de burgemeester daarover wordt geïnformeerd. Vaak komen dergelijke gebeurtenissen niet uit de lucht vallen en is van tevoren al meer bekend over de desbetreffende persoon. In bestuurlijke zin beslist echter de burgemeester. Hij is echter niet feitelijk aanwezig op de plek waar iemand terstond in de APV wordt nadrukkelijk de uitdrukking "terstond" gebruikt wordt verwijderd. Het gaat dus om een zeer operationele omgang met die bevoegdheid. Het gaat ook om een soort noodbevel dat ingegeven wordt door een acute situatie waarna terstond actie moet worden ondernomen. De burgemeester kan dan met een telefoontje zeggen: ik acht het geboden dat er nu actie wordt ondernomen. Feitelijk komen de politieagenten dan in actie, in operationele zin. Om die reden wordt de "namens"-bepaling gebruikt, niet om een andere reden. Het gaat om het exact uitvoeren van de verwijdering uit het gebied. Het besluit ligt bij de burgemeester of zijn vervangers. De bestuurlijke autoriteiten moeten besluiten over gebiedsverwijdering. Ik stel mij voor dat in voorkomend geval daarover wordt gerapporteerd aan de raad, zodat die dat zelf kan volgen.

 

Gevraagd is of dit wordt gehandhaafd. Het antwoord daarop is: natuurlijk. Als iemand voor de vierde keer een overtreding begaat, zijn de trajecten al een heel eind gevolgd. Dan is er echt iets met die persoon aan de hand. Die staat dan onder behandeling of bevindt zich in een maatschappelijk sociaal traject. Ik maak mij daar niet veel zorgen over, want dan hebben al veel ogen gekeken naar zo'n persoon.

 

In de richting van de heer Sipkema geef ik aan dat ik in de commissie al heb verteld hoe ik wil omgaan met personen die in het gebied wonen waarin de gebiedsontzegging plaatsvindt. Met de maatschappelijke zorg die bij die personen betrokken is of zou moeten zijn, moet bekeken worden hoe de woonsituatie wordt ingevuld. Het is een zware maatregel om iemand uit zijn woongebied te halen, want dan kan hij daar niet meer slapen. Er moet dan voor 24 uur een oplossing worden gevonden bij de maatschappelijke instanties. Als nog een keer een ontzegging moet worden opgelegd, geldt die voor een langere tijd en dan worden dezelfde zorginstanties betrokken bij de gebiedsontzegging. Die adviseurs, die betrokken zijn bij de handhaving van de openbare orde, geven hun mening als wij handhavend optreden in het gebied. Ook op dit punt is dus sprake van buitengemene zorgvuldigheid.

 

De heer VOKURKA (D66): Kunt u nog ingaan op de evaluatie?

 

De VOORZITTER: Ieder jaar kan de zaak bij de update nog eens worden bekeken. Ik heb wel behoefte aan opneming van het instrument. De politie heeft die behoefte ook. Maatschappelijke ontwikkelingen kunnen heel snel uit de hand lopen en dan is het prettig als er een instrumentarium voor handen is.

 

De heer VOKURKA (D66): Ik bestrijd dat ook niet. Ik wil echter alleen noodzakelijke regels, geen overbodige. Daarom vraag ik naar die evaluatie.

 

De VOORZITTER: Wij achten deze regels noodzakelijk. Ik begrijp uw behoefte aan een evaluatie en ik zeg u die graag toe. Ik stel mij voor dat wij ieder jaar bij de update hier nog eens naar kijken. Als zich incidenten voordoen waarbij overgegaan moet worden tot een gebiedsaanwijzing en vervolgens tot een gebiedsontzegging, zal ik de raad daar zeker bij betrekken.

 

De heer DE PREZ (PvdA): Voorzitter. Ik reageer graag nog even op de motie van de GroenLinks-fractie. Mijn fractie steunt die motie niet, omdat zij zich aansluit bij de redenering van de burgemeester. Een instrument zoals het onderhavige biedt de mogelijkheid aan agenten om "lik op stuk"-beleid te voeren. Het instrument lijkt ons zelfs geschikt in het kader van het wijkgericht werken door de politie, omdat daarmee goed inzichtelijk gemaakt kan worden wat er gebeurt in de wijken en waar de overlastplegers zitten. Op die manier kan een en ander direct worden toegepast.

 

De heer VAN TONGEREN (CDA): Voorzitter. Ik geef een korte reactie op de ingediende amendementen. Mijn fractie steunt geen van alle. Ik maak nog een opmerking over het amendement van de SP-fractie over de fietsenstallingmogelijkheden. Het lijkt mijn fractie niet handig om dat artikel te schrappen, maar er moet een balans zijn tussen de handhaving en de stallingmogelijkheden. De CDA-fractie steunt dus wel de strekking van het amendement.

 

Mevrouw NORBRUIS (GroenLinks): Voorzitter. Gelet op uw uitgebreide uitleg en uw toezegging van een schriftelijke rapportage hebben wij besloten om de zaak in 2007 aan te zien. Wij trekken ons amendement in. De anderen hoeven daar dus niet op te reageren.

 

Met betrekking tot amendement A-11 merk ik op dat de evaluatie van het fietsparkeren eraan komt. De laatste tijd zijn er ook veel fietsparkeerplaatsen bij gekomen. Wij zullen dat amendement daarom niet steunen. Wij steunen wel amendement A-10.

 

De VOORZITTER: Aangezien amendement A-12 is ingetrokken, maakt het geen onderdeel van de beraadslaging meer uit.

 

De heer VOKURKA (D66): Voorzitter. Ik ga in op de twee amendementen. Mijn fractie steunt amendement A-10 wel en A-11 niet. Ik volg hierin de redenering van de heer Van Tongeren.

 

Mevrouw VAN EMPEL (STIP): Voorzitter. Omdat STIP een fietspartij is, wil ik graag nog even wat zeggen. Tijdens de behandeling van de programmabegroting heeft de wethouder toegezegd de handhaving te stoppen tot na de evaluatie. Na de evaluatie wordt het onderwerp besproken in de commissie. Afhankelijk van de uitkomst daarvan moet wijziging van de APV mogelijk zijn.

 

De heer SIPKEMA (SP): Voorzitter. Op het punt van de gebiedsontzetting merk ik op dat er een verschil is tussen hetgeen u verstaat onder een goede onderbouwing en hetgeen ik daaronder versta. In relatie tot amendement A-10 geef ik aan dat ik ervan uitga dat zorgvuldig wordt omgegaan met het instrument. Dat kan echter geen reden zijn om dat niet nog eens te vermelden in de verordening. Ik laat dat amendement daarom in stemming brengen.

 

Bij het fietsparkeren gaat het niet om gevaarlijke situaties of om fietsen die op de weg geparkeerd zijn, maar om plekken waar te weinig fietsenstallingen zijn en waar mensen noodgedwongen hun fiets naast de stalling zetten. Toen het punt werd opgenomen in de verordening, is toegezegd dat daarop alleen gehandhaafd zou worden als er voldoende stallingen waren. Er wordt nu echter continu gehandhaafd op plekken waar onvoldoende stallingmogelijkheid is. Om die reden stelt mijn fractie voor om het artikel te schrappen. Het college houdt zich immers niet aan de eerdere toezegging dat alleen van het instrument gebruik wordt gemaakt als er voldoende stallingen zijn. Ik wil dus druk zetten op het voorzien in voldoende stallingen. Als dat het geval is, kan de bepaling worden geherintroduceerd.

 

De heer VAN LEEUWEN (VVD): Voorzitter. De wethouder heeft in de commissie ingestemd met een binnenstadsforum. Het lijkt mij goed om een toename van het aantal festiviteiten in de binnenstad met dat forum te bespreken. Wij steunen geen van de amendementen.

 

De VOORZITTER: Ik zal nog even kort reageren op het verwijderen van fietsen. Volgens mij moet de bepaling niet worden geschrapt, omdat er behoefte aan is. Als bij de evaluatie in volle breedte wordt gesproken over het fietsparkeren, kan de heer Sipkema zijn punt altijd nog maken.

 

De heer SIPKEMA (SP): U zegt dat de bepaling moet blijven staan omdat daar behoefte aan is. Er is echter behoefte aan omdat er te weinig fietsparkeerplaatsen zijn.

 

De VOORZITTER: Ik denk dat het al gauw in orde komt. Wacht u de besprekingen in de vakcommissie af, want dan ziet u dat u op uw wenken wordt bediend. Ik ga daar tenminste van uit.

 

Ik ga nog even in op amendement A-10. Ik begrijp dat u waarborgen wilt voor de mensen die in de gebieden wonen. Ik heb uitgebreid mijn visie daarop aangegeven. Ik heb geen behoefte aan dit amendement omdat uit mijn betoog over de toepassing van het artikel voldoende blijkt hoe ik ermee omga. Als de raad echter aandringt op de toevoeging, is daar ook geen bezwaar tegen.

 

De heer DE PREZ (PvdA): Voorzitter. Ik verzoek u om een korte schorsing.

 

De vergadering wordt van 22.32 uur tot en met 22.36 uur geschorst.

 

In stemming komt amendement A-10.

 

De VOORZITTER: Ik geef gelegenheid tot het afleggen van stemverklaringen.

 

De heer DE PREZ (PvdA): Voorzitter. Wij steunen dit amendement niet, omdat wij het overbodig vinden. Verder willen wij de burgemeester niet beperken in de handelingsvrijheid die juist bij een onderwerp als dit bijzonder belangrijk is.

 

De heer SIPKEMA (SP): Voorzitter. De suggestie wordt gedaan dat amendement A-10 overbodig is of de burgemeester beperkt. Als het amendement overbodig is, laat ik het in stemming brengen, want dan is het niet beperkend.

 

Het amendement wordt bij handopsteken verworpen.

 

De VOORZITTER: Ik constateer dat de fracties van de SP, Leefbaar Delft, GroenLinks, D66 en Stadsbelangen voor dit amendement hebben gestemd.

 

In stemming komt amendement A-11.

 

Het amendement wordt bij handopsteken verworpen.

 

De VOORZITTER: Ik constateer dat de fracties van de SP en Leefbaar Delft voor dit amendement hebben gestemd.

 

Het voorstel wordt bij handopsteken aangenomen.

 

De VOORZITTER: Ik constateer dat het voorstel met algemene stemmen is aangenomen.

 

320.  Voorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan Zuidwest, deelgebied 1.

(Stuk 211 - 20158852)

 

De heer KEUVELAAR (CDA): Voorzitter. Ik heb in de commissie al aangegeven dat ik op één onderwerp zou terugkomen, namelijk het percentage woningen dat gebruikt mag worden als bedrijf, om werken aan huis mogelijk te maken. De CDA-fractie ziet een verhoging van dat percentage als een ideale manier om woon-werkverkeer in te perken. Op die manier wordt ook iets aan het milieu gedaan, worden gemengde wijken bevorderd en wordt de vrijheid van de burger vergroot. Toch dien ik vandaag geen amendement in. Mijn fractie redeneert dat, als op dit bestemmingsplan een amendement wordt ingediend, ongelijkheid tussen de wijken wordt gecreëerd. In januari of februari komt het Handboek bestemmingsplannen aan de orde. De CDA-fractie stuurt liever op dat moment aan op een verhoging van dat percentage. Ik hoor van de wethouder wel graag dat het dan mogelijk is om partiële herziening van alle geldende bestemmingsplannen in één keer door te voeren. Als dat het geval is, is dat de beste manier om de genoemde verhoging door te voeren. Mijn fractie was verder positief over het plan.

 

De heer VOKURKA (D66): Voorzitter. Met het voorliggende bestemmingsplan wordt vooral aanzienlijke verdichting rond winkelcentrum In de Hoven mogelijk gemaakt. Dat is goed voor de woningzoekende, voor het openbaar vervoer en voor de economie. Is er dan niets op aan te merken? De D66-fractie heeft al aangegeven, de wijk voor het nog intensievere ruimtegebruik te willen compenseren in de vorm van openbaar groen. In dat groen moet men zich kunnen bewegen en andere culturen kunnen leren kennen. Met dat groen moet de leefbaarheid worden vergroot in deze dichtbevolkte wijk. Inmiddels bijna de gehele gemeenteraad, met uitzondering van de fracties van het CDA en Leefbaar Delft, stelt voor om de vrijkomende ruimte langs de Voorhofdreef, als deze wordt versmald, grotendeels tot park om te vormen. Daartoe dienen wij een motie in.

 

De VOORZITTER: Door de fracties van D66, GroenLinks, de PvdA, Stadsbelangen, STIP, de SP en de VVD wordt de volgende motie (M-3) ingediend:

 

"De gemeenteraad van Delft, in vergadering bijeen op 30 november 2006,

 

gelezen het bestemmingsplan Zuidwest deelgebied 1 (Voorhof);

 

constaterende dat:

-            het voorgestelde bestemmingsplan een aanzienlijke hoeveelheid extra woningen en voorzieningen mogelijk maakt op en rond winkelcentrum In de Hoven;

-            de wijk reeds dichtbevolkt is en niet voldoet aan de landelijke richtlijn voor de hoeveelheid groene ruimte;

-            steeds meer mensen gezondheidsklachten krijgen door gebrek aan beweging en overgewicht;

-            de gemeente voornemens is om de Voorhofdreef te versmallen tot 2x1 rijstroken na aansluiting van de Martinus Nijhofflaan op de Provinciale Weg;

-            de gemeenteraad op 7 november 2006 een motie Versterking van het groen in en om de stad met unanieme stemmen heeft aangenomen;

 

overwegende dat:

-            de voorgenomen intensivering van het grondgebruik in het gebied zal leiden tot een hogere druk op het aanwezige openbaar groen;

-            een voorwaarde voor een prettige leefomgeving voldoende kwalitatief goed openbaar groen is;

-            openbaar groen mensen in beweging brengt;

-            een park mensen van verschillende bevolkingsgroepen met elkaar in contact brengt;

-            toepassing van stil asfalt (dat nu al op één zijde is toegepast) en een 40-kilometerregime, het eventuele verwijderen van verkeerslichten conform het LVVP en/of het uitvoeren van de motie-Steffen voor een Groene Golf de leefbaarheid langs de Voorhofdreef sterk kan verbeteren;

 

draagt het college op, bij versmalling van de Voorhofdreef tot 2x1 rijstroken de vrijgekomen ruimte langs de Voorhofdreef grotendeels in te richten als groene openbare verblijfsruimte (bij voorkeur als park),

 

en gaat over tot de orde van de dag."

 

De heer DE WIT (Leefbaar Delft): Voorzitter. In de commissie heb ik al betoogd dat door het nieuwe bestemmingsplan en de grote uitbreiding rond In de Hoven geen plaats meer is voor de dinsdagmarkt aan de Martinus Nijhofflaan. Op dit moment heeft die markt de ruimte langs de hele lengte van de Torenhove tot aan het benzinestation van 17 meter breed. Volgens het nieuwe bestemmingsplan wordt een muur van 24 meter hoog geplaatst met winkels in de pui en flats erbovenop met een maximale hoogte van 52 meter tot 75 meter. De ingang van In de Hoven wordt midden in het winkelcentrum geplaatst, tussen de twee huidige ingangen. Voor de markt blijft maar 4 meter stoep beschikbaar. In feite komt het erop neer dat er geen ruimte overblijft voor de dinsdagmarkt. Deze bestaat nu uit twee rijen kramen vanaf het begin tot het einde langs In de Hoven. Wij hebben de wethouder gevraagd om een situatieschets van de kramen. Hoe gaat het er in de toekomst uitzien? De andere parkeerplaatsen aan de Papsouwselaan en aan de achterkant verdwijnen. Daar komen parkeergarages voor in de plaats. Er is dus geen vervangende ruimte beschikbaar in de Poptahof. Wij vinden het ontzettend zonde dat deze markt na dertig jaar moet verdwijnen of fors moet inkrimpen. Het is vreemd dat de wethouder zonder enig bewijs beweert dat er meer ruimte voor de markt komt. Dat bewijs is vanavond niet gegeven. Ik heb gesproken met een aantal marktkooplieden. Zij weten dat er iets aan de hand is maar zij denken dat alles zich nog in het stadium van overleg bevindt, terwijl vanavond de beslissing valt. Als de raad vanavond dit bestemmingsplan aanpast, verdwijnt de dinsdagmarkt langs In de Hoven.

 

De heer KEUVELAAR (CDA): Ik vind het jammer dat de heer De Wit zijn bijdrage uit de commissie overdoet. Verder vind ik het bijzonder betreurenswaardig dat hij niet heeft geluisterd naar de argumenten van de wethouder. De marktkooplui zijn voor het plan. De heer De Wit vertelt aperte onwaarheden als hij zegt dat alleen op de stoep mogelijkheden zijn. Als hij had geluisterd naar de antwoorden van de wethouder, hadden wij dit verhaal niet opnieuw hoeven te horen. Ik vind dit buitengewoon jammer.

 

De heer DE WIT (Leefbaar Delft): Ik denk dat de heer Keuvelaar beter even kan afkoelen op de gang. Ik kan hier niets mee. Een interruptie zou een vraag moeten zijn, maar ik heb geen vraag gehoord.

 

De heer KEUVELAAR (CDA): Ik wil best een vraag formuleren. Wilt u de volgende keer niet uw bijdrage in de commissie herhalen?

 

De heer DE WIT (Leefbaar Delft): Dat maak ik zelf wel uit, niet jij.

 

Mevrouw VAN HOLST (PvdA): Ik heb nog wel een vraag. Als de marktkooplieden het eens zijn geworden met de gemeente en geen probleem zien, vraag ik mij af welk probleem Leefbaar Delft aan het scheppen is. Ik verzoek de heer De Wit om een scheve voorstelling van zaken achterwege te laten.

 

De heer DE WIT (Leefbaar Delft): Daar reageer ik graag op. De marktkooplieden zijn niet geïnformeerd. Zij weten niet wat er speelt. Zij denken dat het wel goed komt, maar wij denken dat het niet goed komt. Ik heb nog steeds geen overtuigend antwoord van de wethouder gekregen waaruit blijkt dat het goed komt. Dat is het enige wat ik vanavond vertel. Waarom krijgen wij dit niet te horen? De wethouder is dat verplicht aan die marktmensen.

 

Mevrouw NORBRUIS (GroenLinks): Voorzitter. Tijdens de commissievergadering hebben wij onze tevredenheid geuit over het plan, met name over de herstructurering van de Poptahof. Ik zal dat hier niet overdoen. Onze fractie blijft twijfels houden over de hoogbouw die naast het wijkcentrum moet verrijzen, in veld 10. Naast de vleugel is nu een speelplek voor kinderen en buitenruimte voor de bezoekers van de vleugel. In het plan komt op die plek een toren van 52 meter hoog. Het wijkcentrum komt daardoor letterlijk en figuurlijk in de schaduw te liggen, met als mogelijke keerzijde sociale onveiligheid. Door de toezegging van de wethouder dat veel aandacht besteed wordt aan de aansluiting van de toren op het wijkcentrum, kunnen wij echter toch akkoord gaan met dit bestemmingsplan.

 

Wij hebben met de fractie van D66 een motie ingediend. In het verlengde van het LVVP zullen de Martinus Nijhofflaan, de Papsouwselaan en de Voorhofdreef op termijn een andere verkeersfunctie krijgen. De herinrichting van de Martinus Nijhofflaan en de Papsouwselaan is al uitgewerkt in het bestemmingsplan, maar die van de Voorhofdreef nog niet. Het betreft een typisch geval van ruimte zien. Volgens het bestemmingsplan kan een herverdeling van de huidige verkeersruimte mogelijkheden bieden voor andere functies, zoals groen en water. Wij hebben dat uitgangspunt aangegrepen om een motie in te dienen. Ik ben blij dat de meerderheid van de raad deze steunt.

 

Mevrouw VAN HOLST (PvdA): Voorzitter. Mijn woorden kunnen worden opgevat als een stemverklaring. In de commissie hebben wij al lof toegezwaaid over de veranderingen die in het plan zijn aangekondigd. De aanpassingen die na de inspraak zijn gedaan, zijn prima. Mijn fractie heeft de motie van D66 en GroenLinks om de Voorhofdreef groen te maken, gesteund, hoewel ik hoop dat niet eerst alle bomen moeten verdwijnen voordat het weer groen wordt.

 

De heer HARPE (VVD): Voorzitter. Wij sluiten ons aan bij de opmerkingen van de heer Keuvelaar over de verhoging van 30% naar 40% om een woning te kunnen gebruiken als bedrijfsruimte. Dat kan voor meer delen van de stad gelden dan alleen voor dit plan; dat komt dus terug. Wij zijn blij met de toezegging van de wethouder om ons over zes maanden te informeren over de voortgang van de in het document genoemde handhavingsactiviteit. Verder is het goed dat de bewoners van diverse woningen in het zuidwestelijke deel van de Voorhof vergelijkbare dakopbouwen kunnen realiseren als eerder door andere bewoners zijn gerealiseerd. Ten slotte zijn ook wij voor een groene Voorhofdreef en hebben wij daarom de ingediende motie ondertekend.

 

Wethouder KONING: Voorzitter. Ik reageer allereerst op de mogelijke verhoging van het percentage van woningen dat voor bedrijfsmatige doeleinden kan worden gebruikt van 30% naar 35% of meer. Ik kan de redenering van de heren Keuvelaar en Harpe goed volgen; bij de bespreking van het Handboek bestemmingsplannen kan grondig vergeleken worden hoe dat in andere situaties gaat en of dat tot overlast leidt. Hopelijk leidt het tot minder mobiliteit doordat mensen niet de weg op hoeven omdat zij hun werk aan huis goed kunnen verrichten. Als wij dat punt in een nieuw Handboek bestemmingsplannen hebben vastgesteld, lijkt het mij logisch om dit bestemmingsplan overeenkomstig aan te passen. Hiermee wordt een gedegen discussie mogelijk zonder dit gebied achter te stellen. Een handboek gaat immers zo tien jaar mee. Overigens heb ik in de commissie gezegd dat die discussie voor de zomer gevoerd kan worden. In de eerste maanden van 2007 voert het college echter graag eerst een verkennende discussie. Het vergt veel tijd om alle artikelen te toetsen op de opmerkingen uit de raad en uit de praktijk. Het lukt niet om dat voor maart voor te leggen. Zowel vanavond als de vorige keer is bij de bespreking van het bestemmingsplan een aantal onderwerpen aan de orde geweest en het leek het college dan ook goed om eens globaal te verkennen. De commissievoorzitter heeft daar ook nadrukkelijk om gevraagd. Wij zaten dus op dezelfde lijn.

 

Het is prettig dat de raad na de behandeling van de programmabegroting de daad direct bij het woord voegt door het college de mogelijkheid te bieden om daar ruimte te scheppen. Ik heb in de commissievergadering al aangegeven geen moeite te hebben met de formulering van de motie, omdat daarmee voldoende ruimte wordt geboden om ook naar andere functies te kijken rond de Voorhofdreef. Het gaat dan niet alleen om de Voorhofdreef, maar ook om de randen ervan en om de andere kant van het water. Het lijkt mij beter om die erbij te betrekken. Ik merk op dat de raad na de bespreking in de commissie die ruimte aan het college heeft gegeven en ik dank de raad daarvoor.

 

Ik citeer graag twee brieven die aan de raad zijn verstuurd ter voorbereiding van de commissievergadering. Een is afkomstig van de heer Boomkens van de Centrale Vereniging Ambulante Handel. Hij geeft aan dat met het college en de projectorganisatie is afgesproken dat de markt op de Martinus Nijhofflaan blijft. De andere brief is afkomstig van de heer Ooms van de CVAH, afdeling Delft en het marktteam Dinsdagmarkt Delft, waarin staat dat in overleg met partijen is gebleken dat de betrokken ondernemers zich zeer goed kunnen vinden in de nieuwe marktlocatie op de Martinus Nijhofflaan. Deze signalen heeft de raad ontvangen voorafgaand aan de commissievergadering waaruit blijkt dat er overleg is geweest. In overeenstemming met de marktkooplieden is gekomen tot deze locatie, waarbij er meer marktkramen opgesteld kunnen worden.

 

Op de bestemmingsplankaart staat niet waar de warenmarkt geplaatst wordt. Wij weten echter natuurlijk dat dit soort verbouwingen vragen oproept. Gelukkig zijn wij daar in samenspraak met betrokkenen uitgekomen. Voor het geval het u in de commissie nog niet helder was, hoop ik dat het de heer De Wit hierbij helder is.

 

De heer KEUVELAAR (CDA): Voorzitter. Ik ben tevreden met de beantwoording van de wethouder. Het lijkt mij heel goed om daarover bij de bespreking van het handboek nog eens te spreken. Mij rest nog het oordeel over de motie van GroenLinks, D66 en een aantal andere fracties. De CDA-fractie kan zich uitstekend vinden in het doel van deze motie: een groene Voorhofdreef. Het is echter wat prematuur om dit voorstel te doen. De Ruys de Beerenbrouckstraat is nog niet geëvalueerd. Er is afgesproken dat dat eerst zou gebeuren. Er wordt nu een ruimtelijke claim gelegd die nog niet gelegd zou mogen worden. De CDA-fractie wacht liever eerst de evaluatie af en steunt de motie daarom niet.

 

De heer VOKURKA (D66): Voorzitter. Dat is jammer, maar de motie haalt het toch wel. Ik hoop dat de heer Keuvelaar na de evaluatie alsnog blij is dat een en ander op de voorgestelde manier wordt gerealiseerd. Ik dank de wethouder voor haar reactie. Ruimte zien en ruimte maken gaat vanavond inderdaad redelijk goed.

 

De heer DE WIT (Leefbaar Delft): Voorzitter. Wij constateren dat de wethouder geen antwoord geeft op onze vraag. Zij citeert wat brieven die ons bekend zijn. Er is geen antwoord gegeven op onze vraag. Als alles zo duidelijk is, had zij dat vanavond moeten aangeven. Dat heeft zij echter niet gedaan.

 

Mevrouw VAN HOLST (PvdA): Wat wil je hier nu mee?

 

De heer DE WIT (Leefbaar Delft): Wij zien wel, over een tijd, als het plan doorgaat. Dan zien wij wel wie er gelijk heeft.

 

De heer VOKURKA (D66): Niemand heeft een probleem met dat hele verhaal behalve u.

 

De heer DE WIT (Leefbaar Delft): U hebt ook wel eens problemen, maar dan zeg ik ook niet dat u uw mond moet houden.

 

De heer BOT (GroenLinks): Wij brengen die echter niet in de raad naar voren. Dat is het verschil.

 

De VOORZITTER: De heer De Wit mag zijn betoog vervolgen. Hij begrijpt dat de rest van de raad zijn reactie onbegrijpelijk vindt, gelet op het antwoord van de wethouder.

 

Mevrouw DEKKER (SP): Wilt u voor uzelf spreken, niet namens mij? Ik vind het namelijk nogal gênant hoe de heer De Wit bejegend wordt door een flink deel van de raad. Ik ben het inhoudelijk niet met hem eens, maar het geeft geen pas om buiten de microfoon opmerkingen te maken en heel hard te lachen. Ik vind dat echt de raad onwaardig.

 

De VOORZITTER: Daar zal ik u ook aan houden op momenten dat er kritiek is op uw werkwijze.

 

De heer DE WIT (Leefbaar Delft): Wij snappen niet wat het doel is van de motie over de Voorhofdreef. Waarom wachten wij niet gewoon het LVVP af? Waarom praten wij bij de behandeling van een bestemmingsplan over wegen? Ik begrijp daar helemaal niks van. Dat is een totaal overbodige motie.

 

De heer VOKURKA (D66): Wij praten niet over wegen maar over groen. Dat maakt Delft leefbaarder, hetgeen u toch zou moeten aanspreken.

 

De heer DE WIT (Leefbaar Delft): Wij kunnen van alle wegen wel een grasveld maken en dan ziet het er groen uit. Wij kunnen dan alleen nergens meer komen. Dat is het probleem dat wij zien in de Voorhofdreef. Er ligt daar een prima weg waar geen files komen te staan. Waarom moet die weg opeens worden versmald? Waarom moet daar opeens een grasveld worden aangelegd? Dat plan komt zomaar uit de lucht vallen. Wij steunen dat dus niet.

 

De heer HARPE (VVD): Voorzitter. Ik vraag mij af of er zakelijke argumenten te bedenken zijn op basis waarvan de fractie van Leefbaar Delft kan instemmen met een voorstel. Het gaat een beetje lijken op: nee, nee, tegen, tegen.

 

De heer STOOP (Leefbaar Delft): Dat hebben wij van jullie overgenomen.

 

De heer HARPE (VVD): Dat bedoel ik dus. Dank u.

 

De heer MEULEMAN (Stadsbelangen): Voorzitter. Ik maak toch nog een opmerking. Mijn fractie heeft de motie ondertekend uit het oogpunt van het belang van openbaar groen. In de motie wordt echter ook gesproken over het 40km-regime en daarover wil ik opmerken dat wij hebben afgesproken dat dat pas van toepassing is na een evaluatie van de Ruys de Beerenbrouckstraat. Het feit dat het in de motie staat, betekent niet dat mijn fractie het ermee eens is dat een 40km-regime op de Voorhofdreef wordt ingevoerd.

 

De heer STOELINGA (Leefbaar Delft): Steunt u de motie nu wel of niet?

 

De heer MEULEMAN (Stadsbelangen): Jawel, maar ik heb daar een duidelijke kanttekening bij gemaakt.

 

Wethouder KONING: Voorzitter. Ik maak een geruststellende opmerking. Ik had in deze motie nog niet de ruimte gezien om de evaluatie van de Ruys de Beerenbrouckstraat achterwege te laten. Als de raad mij die ruimte wil geven, hoor ik dat graag.

 

In stemming komt motie M-3.

 

Motie M-3 wordt bij handopsteken aangenomen.

 

De VOORZITTER: Ik constateer dat de fracties van het CDA en Leefbaar Delft tegen de motie hebben gestemd.

 

In stemming komt het voorstel.

 

Het voorstel wordt bij handopsteken aangenomen.

 

De VOORZITTER: Ik constateer dat de fractie van Leefbaar Delft tegen het voorstel heeft gestemd.

 

321. Voorstel tot vaststelling van de nota Arbeidsmarkt, Inkomen en Emancipatie 2007-2010.

(Stuk 213 – 20163790)

 

De heer STOOP (Leefbaar Delft): Voorzitter. Wij hebben in de commissie al een aantal zaken aangegeven en ik wil niet in herhaling vallen, maar wij hebben besloten om in ieder geval niet tegen dit voorstel te stemmen. Wel willen wij de wethouder een aantal punten voorleggen met het verzoek om daar aandacht aan te besteden.

 

Wij hebben serieuze signalen dat de samenwerking tussen de verschillende hulp- en dienstverleningsinstanties niet goed verloopt. Vorig jaar, toen de heer Rensen als wethouder deze portefeuille nog vervulde, heb ik dat al aangegeven in de commissie. Toen was de enige reactie: ja, dat klopt, Parnassia werkt niet zo goed samen met de politie. Naar onze mening is er nog steeds geen sprake van een goede samenwerking en van een integrale aanpak. Dat is ook naar voren gekomen tijdens het directeurenoverleg van de woningbouwcorporaties. Dat vinden wij een zorgelijke ontwikkeling en dat willen wij aan de wethouder meegeven.

 

In de nota staat dat er sprake is van een toenemend uitvalpercentage van klanten in een schuldhulpverleningstraject en dat een groeiende groep burgers zogezegd niet “saneringsrijp” is. Wij denken dat dat samenhangt met het feit dat de integrale aanpak niet goed werkt. Enkele instanties zijn met dezelfde doelgroep bezig, maar weten van elkaar niet wie wat doet. Mensen moeten vaak drie keer uitleggen wat hun problematiek is. Zij komen bij Maatschappelijk Werk en moeten bij andere instanties, bijvoorbeeld Parnassia, hun probleem weer uitleggen, omdat de integrale aanpak niet goed werkt. Wij roepen de wethouder ertoe op om daar de komende tijd in te investeren, zodat er daadwerkelijk een goede samenwerking tussen de hulp- en dienstverleningsinstanties komt. Daar hebben wij al eerder om gevraagd. Wij vragen de wethouder of wij een tussenrapportage kunnen krijgen over de huidige stand van zaken met betrekking tot de integrale aanpak op het punt van de verschillende hulp- en dienstverleningsinstanties. Het is nu al ruim anderhalf jaar geleden dat ik dat tijdens de vorige collegeperiode naar voren heb gebracht. Ook toen liep die samenwerking tussen de verschillende instanties niet zo goed. Ik mag mij dus in alle eerlijkheid afvragen of er al iets bekend is over de huidige stand van zaken, maar wij stemmen in ieder geval wel voor het voorstel.

 

Mevrouw DEKKER (SP): Voorzitter. Wij zijn het met de wethouder eens dat het hebben van werk een belangrijk instrument kan zijn voor economische zelfstandigheid, maar dat geldt voor een grote groep niet. Die groep wordt ook groter. Ik heb daar bij de behandeling van de programmabegroting al over gesproken. Ik mis aandacht voor die groep.

 

Ik mis ook een ruimere aandacht voor onderwijs. Tijdens dezelfde behandeling van de programmabegroting heb ik vragen gesteld waarop ik nooit antwoord heb gekregen. Ik doe nu dus nog een poging. Voordat ik daar weer een opmerking over krijg: mijn collega is dat in de commissie vergeten. Waarom is Delft niet bereid om een hoger opleidingsbudget toe te staan? Landelijk ligt dat gemiddeld op ongeveer 3500 euro, maar in Delft op ongeveer 2200 euro. Als werk zo belangrijk is, mag daar ook best wat meer in geïnvesteerd worden.

 

Wij hebben de indruk dat in de passage over de kinderopvang een afzwakking zit. Daar zal ongetwijfeld een reden voor zijn, maar dat vinden wij toch erg jammer.

 

Ik wacht nog even de reactie van de wethouder af, maar wij denken niet dat wij positief kunnen zijn over dit stuk.

 

De heer GULDEMOND (STIP): Voorzitter. De voorliggende nota getuigt van een duidelijke visie. Ik wil twee zaken nog even kort aanstippen. Volgens STIP is het cruciaal dat jongeren de arbeidsmarkt met voldoende kennis betreden. Schooluitval moet dan ook op alle mogelijke manieren worden bestreden. STIP vindt het behalen van een startkwalificatie voor jongeren in deze nota een onderbelicht onderdeel. Het belang van het behalen van die startkwalificatie wordt weliswaar geconstateerd, maar de manier waarop komt niet aan bod. De wethouder heeft al aangegeven dat dit aan bod komt in het programma Jeugd en brede school. Wij zullen later dan ook terugkomen op dit punt.

 

STIP is altijd voorvechter geweest van het behoud van de verschillende niveaus taalcursussen. Op dat punt gaf de wethouder aan dat dit onderwerp in december in de commissie WIJZO wordt behandeld. Ook daar zullen wij dan op terugkomen.

 

Wij moeten dus nog even geduld hebben om meer inzicht in de startkwalificaties en de taalcursussen te krijgen. Vol verwachting klopt ons hart, maar nu zijn wij positief.

 

De VOORZITTER: Dat rijmt niet.

 

De heer GULDEMOND (STIP): Vol verwachting klopt ons hart, wij wachten met smart.

 

De heer HARPE (VVD): Voorzitter. Wij hebben al eerder gezegd dat wij dit een goed verhaal vinden. Het is ook goed dat er een behoefteonderzoek komt naar 24-uurs kinderopvang. Om direct op de opmerking van mevrouw Dekker te reageren: over dat punt is in de commissie inderdaad van gedachten gewisseld met de wethouder. Er is niet zozeer sprake van een afzwakking als wel van het feit dat wij met elkaar hebben vastgesteld dat je eerst moet bekijken of er behoefte is om vervolgens met elkaar het besluit te kunnen nemen om door te pakken. Wij zien de uitkomsten van dat behoefteonderzoek overigens met vertrouwen tegemoet.

 

Ik ga in op het belangrijke punt van social return. In de commissie heb ik de wethouder gevraagd aan welke criteria ondernemers moeten voldoen om van de gemeente het predikaat “heeft een sociale visie” te krijgen. Met dat predikaat kunnen ondernemers een soort voorkeurspositie krijgen om opdrachten van de gemeente Delft gegund te krijgen. Ik heb die criteria nog steeds niet helder voor ogen gekregen. Ik heb in de media wel gelezen dat de wethouder heeft aangegeven dat hij met een aantal grote bedrijven, zoals IKEA, Eneco en de Rabobank, in gesprek is. Ik heb begrepen dat er nog geen overleg is gestart met de ondernemersverenigingen, zoals VNO-NCW en MKB. Dat is een belangrijk punt, maar ik hoor straks graag of ik dat goed heb begrepen.

 

In de commissie Bestuur & Werk hebben wij afgesproken dat wij het inkoop- en aanbestedingsbeleid eens grondig gaan doorspreken met de portefeuillehouder inkoop. Ik zou mij kunnen voorstellen dat wij op hetzelfde moment ook het begrip “social return” aan de orde hebben, want dat maakt daar – zoals het in deze nota staat – in feite deel van uit. Ik zou mij zelfs kunnen voorstellen dat ook de wethouder van economische zaken daar iets over wil zeggen. Wij hebben het bij dit onderwerp dus eigenlijk over drie portefeuillehouders. Die uitnodiging geef ik dus graag; dat lijkt mij een goed punt.

 

De heer VAN DOEVEREN (CDA): Voorzitter. Toen wij dit punt in de commissie behandelden, bleek dat de oogst van de begrotingsbehandeling nog niet was verwerkt, maar die komt begin volgend jaar aan de orde. Zoals ik al zei: piketpalen die wij bij de begrotingsbehandeling hebben geslagen, zullen wij daar ongetwijfeld wederom slaan. Daarmee doel ik met name op de versnippering. Wij zouden ook wel eens willen exploreren in hoeverre “categoraal-achtige” regelingen binnen de kaders van de wet en binnen de door het ministerie gegeven kaders mogelijk zijn.

 

Voor ons is ook de verhouding tussen de kosten van de verstrekkingen en de verstrekkingen zelf een belangrijk punt. Onze ambitie voor een goed anti-armoedebeleid gaat verder dan de ambitie die het college zichzelf oplegt. Wij zouden het aantal uitkeringsgerechtigden aanzienlijk verder willen terugdringen.

 

Wij zijn het absoluut eens met het uitgangspunt van betaald werk boven een uitkering. Dat levert minder armoede op en is ook effectief tegen sociale isolatie. Wanneer wij verder gaan spreken, zullen wij de focus op bepaalde groepen leggen. Ik heb al gezegd dat het daarbij gaat om de eenoudergezinnen en de kostwinners van niet-westerse afkomst. Niet te vergeten: ook een aantal zelfstandigen in Delft zit op een vrij minimaal niveau.

 

Ik ben het met de heer Guldemond eens dat het terugdringen van het aantal schoolverlaters zonder startkwalificatie aandacht vergt. Ik heb zowel bij de begrotingsbehandeling als in de commissie al voorstellen gedaan om daarbij wat ambitieuzer te werk te gaan dan het college nu doet. Maar goed, bij de verdere discussie kunnen wij de ambities nog eens uitwisselen.

 

De heer Harpe is al ingegaan op social return, waarover ik in de commissie ook al een noot heb gekraakt. Ik ben het volstrekt met de heer Harpe eens dat het erg vaag is en dat er weinig criteria zijn. Hoe verhoudt dit zich tot andere beleidsdoelen, met name de economische? Daar kan de wethouder van economische zaken misschien iets over zeggen. En hoe breed moet je dit zien? Wij vinden dat het in zichzelf gekeerd opereert. Ik wil de heer Harpe behulpzaam zijn, want hij was een beetje vaag bij het trekken van consequenties uit zijn betoog. Daarom wil ik een motie indienen waarin wij het college vragen om hierover in contact te treden met de werkgevers- en werknemersorganisaties om te bekijken of hierover goede criteria af te spreken zijn. Dan gaan wij eens bekijken hoe wij daarmee omgaan.

 

De VOORZITTER: Door de CDA-fractie wordt de volgende motie (M-4) ingediend:

 

“De gemeenteraad van Delft, in vergadering bijeen op 30 november 2006,

 

overwegende dat

 

  1. er in de nota Arbeidsmarkt, Inkomen en Emancipatie (niet de samenvatting) melding van wordt gemaakt dat ‘vooral werkgevers met een sociale visie gemeentelijke opdrachten moeten worden gegund’ en dat ‘bij aanbestedingen zal daarom waar dat mogelijk is social return worden toegepast, waarbij opdrachtnemers wordt gevraagd een bijdrage aan het Delfts sociaal beleid te leveren’;
  2. toepassing van deze beginselen vragen openlaat;

 

verzoekt het college om over duidelijke criteria voor de invulling van hetgeen in de eerste overweging wordt vermeld en wie dat gaat bepalen met de betrokken sociale partners (bijvoorbeeld werkgevers- en werknemersorganisaties) te overleggen; over het resultaat daarvan wordt nader overlegd met de betreffende commissie,

 

en gaat over tot de orde van de dag.”

 

De heer TAS (GroenLinks):Voorzitter. Wij hebben reeds aangegeven dat wij voor deze nota gaan stemmen. In de commissie hebben wij de wethouder gevraagd om aan te geven wat met de waardevolle aanbevelingen van het panel Werk en Inkomen is gedaan. Toen hebben wij van de wethouder vernomen dat het standpunt van het college nog niet bekend was. Wij zien benieuwd of dat standpunt intussen bekend is. Daar krijg ik graag een reactie op.

 

Wethouder BOLTEN: Voorzitter. Ik zat net in mijn agenda op te zoeken wanneer ik die afspraak met VNO-NCW en MKB heb. Dat is begin januari. Die afspraak is vorige maand gemaakt. Kennelijk was er bij hen geen eerdere gelegenheid voor een officiële afspraak. In de tussentijd kom ik regelmatig vertegenwoordigers van VNO-NCW en MKB tegen en hebben wij het heel vaak over dingen zoals social return. Dat betekent dat opdrachtgevers die de voorkeur van de gemeente genieten, iets sociaals terug doen voor de stad. Wat is nou “iets sociaals”. Dat staat bijvoorbeeld in onze sociale beleidsnota’s. Het kan gaan om op het opnemen van mensen via opstapbanen of anderszins in projecten, maar het kan ook iets anders zijn. Er worden geen onhaalbare eisen gesteld, ook niet aan Delftse ondernemers. U moet het allemaal op zijn schaal zien.

 

In de commissie heb ik al verteld dat de woningcorporatie Woonbron bij de herstructurering van Poptahof bij de aanbesteding van de aannemers vraagt om voor het werk in de Poptahof vijf uit de Poptahof afkomstige mensen aan te nemen via een opstapbaan. Dat is social return. Het is helemaal niet groot; het is gewoon iets terugdoen voor de stad en in dit geval voor de wijk. Het is ook een opdracht aan onszelf, want wij moeten ervoor zorgen dat wij die mensen hebben. Dat doen wij via re-integratietrajecten en opleidingen.

 

Daarmee kom ik direct bij de vraag van mevrouw Dekker: waarom verhogen wij de onderwijsbudgetten niet? Omdat wij geen signalen hebben dat dat nodig is. Wij redden het met de nu beschikbare budgetten. Voor zover er aanvullend iets nodig is, vragen wij ook extra budget. De raad heeft vanavond per hamerslag bijvoorbeeld besloten om 40.000 euro beschikbaar te stellen voor budgetteringscursussen door Mondriaan.

 

De heer Stoop ging in op signalen die hij over de samenwerking tussen verschillende instanties heeft gekregen, volgens mij tijdens de stage van raadsleden bij corporaties. Bij de begrotingsbehandeling hebben wij daar ook al over gesproken, evenals in de commissie. Ik heb aangegeven dat op dit moment een onderzoek plaatsvindt naar de wijze waarop wij de schuldhulpverlening kunnen verbeteren en kunnen uitbreiden naar meer mensen, ook mensen die op dit moment nog niet saneringsrijp zijn. Ik geef bij voorbaat al toe dat dat een vreselijk woord is. Wij zijn daarover in gesprek met de landelijke vereniging van kredietbanken. Die hanteert een code die wat ons betreft uitgebreid moet worden. Wij zijn daarover ook in gesprek met “Leeuwarden”, de instantie die de boetes int, om te bekijken of boetes ook in saneringstrajecten meegenomen kunnen worden. Wij zijn ook op andere plekken in gesprek om ervoor te zorgen dat mensen niet met schulden blijven zitten als zij dat niet aankunnen. Ik heb in de commissie ook al aangegeven dat het onderzoeksrapport in januari op mijn bureau komt. Daarna zullen wij dat zorgvuldig bekijken en zullen wij bezien welke aanbevelingen erin staan; die zullen wij aan de raad voorleggen. Dat zal dus waarschijnlijk in de commissievergadering en eventueel de raadsvergadering van februari gebeuren.

 

Er is aandacht gevraagd voor de groep die geen werk heeft en die dat ook niet zal krijgen, omdat die niet voldoet aan de startkwalificatie. Daarbij is gezegd dat in de nota onderbelicht blijft dat sommige mensen geen startkwalificatie zullen halen. Wij zijn ons er zeer van bewust dat niet iedereen een startkwalificatie kan halen. Wij zijn wel bezig om de startpositie van die mensen toch zo goed mogelijk te maken.

 

Daarmee stap ik direct over naar degenen die gesproken hebben over de jongeren. Op dit moment zijn wij bezig met onder andere Pieter van Foreest, het CWI en Mondriaan om te bekijken of er op of vanuit Pieter van Foreest voor minimaal 50 jongeren zonder startkwalificatie die verloren lijken te raken, een mogelijkheid is om via werk toch tot een startkwalificatie te komen. Dat project hebben wij toevallig vanmiddag uitgebreid besproken. Als dat project gaat lukken – dat hoop ik van harte en ik heb collega’s uit de regio ook aangegeven dat zij wat mij betreft mogen meedoen met hun jongeren die buiten de mogelijkheden vallen – zetten wij weer een stap vooruit.

 

Ik ben het niet met de heer Van Doeveren eens dat hij een beter anti-armoedebeleid voorstaat dan het college, maar ik wil de wedloop graag met hem aan. Laten wij elkaar op dit punt maar opjutten. Dat vind ik goed, want armoede is gewoon niet verdraaglijk.

 

De heer HARPE (VVD): Voorzitter. Ik ben benieuwd of de wethouder nog iets wil zeggen over de suggestie om aan te schuiven bij het overleg in de commissie Bestuur & Werk; dat hoor ik nog graag.

 

Voor alle helderheid: wij vinden het punt van social return belangrijk. Het hoort bij het maatschappelijk ondernemen en bij wat ondernemers vandaag de dag moeten doen. Je zou het ook gewoon “modern ondernemen” kunnen noemen. Laat daar dus geen misverstand over bestaan, maar de wethouder moet op het punt van inkoop en het wegen van criteria, met alle respect, meer helderheid moeten bieden dan een verwijzing naar de nota. Als zij straks twee offertes heeft waarbij de ene ondernemer twee mensen in dienst wil nemen die langdurig werkloos zijn terwijl de andere ondernemer twee mensen met een lichamelijke beperking, zal immers helder moeten zijn hoe zij gaat wegen. Of het nou een Europese aanbesteding is of een onderhandse aanbesteding, u zult die helderheid moeten bieden aan de partijen die meedoen. Die helderheid hebben wij nog niet gekregen. Kijkend naar de op zich sympathieke motie van de CDA-fractie, is mijn vraag: is datgene wat hier gevraagd wordt, in ieder geval het resultaat van het overleg dat de wethouder in januari zal voeren. Als dat het geval is en als de wethouder dus geen behoefte aan die motie heeft omdat zij in januari, na dat overleg, wel helderheid kan bieden en terug kan naar de commissie, hebben ook wij geen behoefte aan die motie.

 

De heer VAN DOEVEREN (CDA): Als de wethouder gewoon toezegt dat zij zal uitvoeren wat er in de motie staat, trekken wij de motie uiteraard in. Dat is logisch, want dan hebben wij gewoon een toezegging van de wethouder. Ook ik ben dus benieuwd naar het antwoord op uw vraag.

 

De heer STOOP (Leefbaar Delft): Voorzitter. Ik ben benieuwd naar de reactie van de wethouder op de motie, die wij überhaupt zullen steunen. Wij wachten af. Wij zijn in ieder geval voor het voorstel.

 

Mevrouw DEKKER (SP): Voorzitter. Wij zijn nog wat in verwarring over de motie. Wij wachten de reactie van de wethouder dus af. Ik begrijp de in de motie genoemde criteria niet zo goed, maar misschien kan de heer Van Doeveren op dat punt nog een toelichting geven.

 

De heer VAN DOEVEREN (CDA): Voorzitter. Wat social return betreft: wij zijn niet apert tegen dat principe, integendeel. De wethouder blijft echter een beetje hangen in de voorbeeldensfeer. Wij willen een helderder beleid hebben, zodat duidelijk is wat er wordt bedoeld en beoogd. Ik ben blij dat de wethouder zich een beetje door ons laat opjutten, want uiteraard stellen ook wij ons ten doel om de armoede zo effectief mogelijk te bestrijden.

 

Wethouder BOLTEN: Voorzitter. Mijn excuses voor het feit dat ik in de eerste termijn twee vragen niet heb beantwoord. De eerste vraag over social return kan ik meteen beantwoorden bij mijn reactie op de motie. Deze passage is zowel in deze nota als in de inkoopnota terechtgekomen omdat de gemeenteraad bij de algemene beschouwingen van 2005 een motie heeft aangenomen die het college de opdracht gaf om dit te regelen. Dat is geregeld in de inkoopnota, die de raad vorige maand heeft ontvangen. Sindsdien is er veel te doen over aanbesteding. Volgens mij is ook een voorlichting over het aanbestedingsbeleid toegezegd. Daar kan dit wat mij betreft een rol in krijgen.

 

De heer VAN DOEVEREN (CDA): Wat bedoelt u met “voorlichting”? Voorlichting is immers een vrij eenzijdig verhaal.

 

Wethouder BOLTEN: Ik bedoel inderdaad een eenzijdig verhaal, maar misschien wil de portefeuillehouder inkoopbeleid, dus de burgemeester, daar na mijn tweede termijn iets aan toevoegen.

 

De VOORZITTER: Dat zal ik doen. Maakt u uw punten maar af.

 

Wethouder BOLTEN: In ieder geval wordt per aanbesteding boven de drempelwaarde bekeken wat er in het eisen- of wensenpakket wordt opgenomen. Aan die wensen wordt een bepaalde waarde gehecht. Die waarde – althans, de optelsom van de punten die bij een aanbesteding worden gehanteerd – is daarna doorslaggevend voor wie wel of niet de opdracht zal krijgen. Per aanbesteding wordt dus bekeken wat wij in dat geval zullen vragen. Daarmee heb ik volgens mij de motie afgedaan.

 

De andere vraag die ik had laten liggen, was van de fractie van GroenLinks. De heer Tas vroeg wat wij doen met de vragen van het panel werk en inkomen. Wij hebben alle vragen inmiddels beantwoord aan het panel werk en inkomen. Die beantwoording is voor de eerstvolgende vergadering geagendeerd om met het panel besproken te worden. Een aantal vragen nemen wij gedeeltelijk over, omdat op een aantal punten nog beleid in ontwikkeling is. Sommige nemen wij helemaal over en enkele wijzen wij op dit moment af. Dat laatste wil nog niet zeggen dat wij daarover inhoudelijk van mening verschillen. Wij willen nog een echte discussie over de vragen en onze antwoorden. Wij zullen de raad de antwoorden, zoals die dan vastgesteld worden, doen toekomen.

 

Wethouder VUIJK: Voorzitter. Er werd enkele keren rechtstreeks verwezen naar de wethouder van economische zaken. Bij het soort kwesties zoals social return is het gebruikelijk om de nadere invulling met werkgeversorganisaties te bespreken. Dat is volgens mij al jaren staand beleid. Daarbij is er bijvoorbeeld het platform economische zaken. Daaraan nemen MKB Delft, VNO-NCW, de Kamer van Koophandel en de Koninklijke Horeca deel. Dat is te beschouwen als de lokale SER. Daar komt ook dit soort onderwerpen aan de orde. Daar is vorig jaar ook al eens uitgebreid gesproken over het aanbestedingsbeleid van de gemeente en daarbij is onder andere aandacht besteed aan social return.

 

Mevrouw DEKKER (SP): Ik heb de opsomming misschien niet goed gehoord, maar zit er ook een werknemersorganisatie in die lokale SER?

 

Wethouder VUIJK: Nee.

 

Mevrouw DEKKER (SP): Waarom niet? Werknemers hebben immers ook met dit soort onderwerpen te maken en hebben daar misschien ook een visie op. Als u een lokale SER gaat optuigen, zou ik u dus willen adviseren om ook met werknemersorganisaties te overleggen.

 

Wethouder VUIJK: Ik neem die suggestie onmiddellijk over en ik laat u in het voorjaar weten hoe dat afgelopen is.

 

MKB Delft heeft al uitgebreid van de gelegenheid gebruik gemaakt om ook ambtelijk voorlichting te vragen over bijvoorbeeld het aanbesteden en wat daar allemaal mee te maken heeft. Dat heeft echter nog niet geleid tot opmerkingen terug. Ik zou dus vanuit de werkgeversorganisatie nog wel willen horen wat men daarvan vindt. Dat geldt ook voor allerlei andere onderwerpen.

 

Een andere mogelijkheid – dus naast dat platform economische zaken – is het voeren van aparte gesprekken met de werkgeversorganisaties. De portefeuillehouder van arbeidsmarktbeleid heeft die weg gekozen. Dat betekent dat de wethouder van arbeidsmarktbeleid op dit punt een sluitende aanpak heeft gekozen, waarbij voor de wethouder EZ op dit moment op dit punt nog even geen rol is weggelegd.

 

De heer VAN DOEVEREN (CDA): Vindt u dat nou niet verwarrend? U praat met de werkgeversorganisaties, zonder de werknemersorganisaties erbij. Daarnaast zijn er de gesprekken van de wethouder arbeidsmarktbeleid. Dat lijkt mij niet erg helder voor organisaties die wel onder één vlag opereren.

 

Wethouder VUIJK: Het is niet ongebruikelijk dat meerdere portefeuillehouders met organisaties in deze stad spreken. In dit college is ervoor gekozen om het arbeidsmarktbeleid en het economische beleid in handen van verschillende portefeuillehouders te stellen. Mij hebben nog geen geluiden bereikt dat dat verwarrend zou zijn.

 

De VOORZITTER: Als portefeuillehouder inkoopbeleid houd ik mij vooral bezig met de kaderstelling bij de inkoop. U ziet regelmatig inkoop- en aanbestedingsvoorstellen via de portefeuillehouders lopen. Dat zijn uitwerkingen van het algemene beleid. Dat algemene beleid is ongeveer een maand geleden door het college vastgesteld en ter kennisneming aan de raad gestuurd. Dat heeft in de commissie niet tot verdere bespreking geleid. Ik denk ook dat het vooral een codificatie was van de dingen die wij al deden. Daarin is echter wel al de uitwerking van de aangenomen motie inzake social return opgenomen. Dat is een moeilijke Engels term, maar betekent niets anders dan dat in het gemeentelijke aankoop- en aanbestedingsbeleid gewerkt wordt met het gegeven dat wij proberen om iets te doen voor langdurige werklozen. Bij grote aanbestedingsopdrachten mag dat volgens mij ook wel gevraagd worden: als de gemeente dan toch zoveel geld besteedt aan een aankoop of inkoop, is het niet raar dat je bekijkt of andere gemeentelijke beleidsdoelen daarmee gediend kunnen zijn. Volgens mij is dat een goede manier van besturen. Ik heb het nog niet eens over politiek bedrijven, maar wel over besturen. Je doet dan immers ook iets aan de uitgaven aan sociale lasten. Nog belangrijker is dat je mensen aan het werk helpt. Ik denk dat wij het erover eens zijn dat het buitengewoon zinvol is om de mensen weer aan het werk te helpen. Dat is niet alleen iets wat wij vanuit de overheid propageren. Ook door het bedrijfsleven wordt het als een belangrijk doel gezien om mensen aan het werk te helpen en aan de slag te houden. Dat wordt natuurlijk ook ingegeven door arbeidsmarktmotieven, maar ook door het maatschappelijk ondernemen waarvoor ondernemingen zich met name de laatste jaren bijzonder sterk hebben gemaakt. Dat kan in velerlei vormen, bijvoorbeeld door het in dienst nemen van langdurig werklozen of mensen met een andere arbeidsmarkthandicap. Er kunnen echter bijvoorbeeld ook milieudoelstellingen en solidariteitsdoelstellingen, ook internationaal, bij horen. Over het algemeen wordt dat vrij breed geaccepteerd door het bedrijfsleven, omdat men daarmee maatschappelijk bezig wilt zien. Iets anders is scherp concurreren op allerlei kwaliteiten en prijzen. Daar moet je het juiste midden in zoeken. Inmiddels maken vele steden gebruik van het instrument “social return”. Dat leidt over het algemeen niet tot conflicten met het bedrijfsleven, maar ik heb het gevoel dat wij er in Delft nog een beetje aan moeten wennen. Waarschijnlijk hebben wij verzuimd om het georganiseerde bedrijfsleven daar tijdig bij te betrekken toen wij volop bezig waren om de motie van de raad tot uitvoering te brengen. Ik wil mijzelf dat wel aanrekenen. Daar zit volgens mij een oorzaak van de onvrede die je bij het bedrijfsleven ziet. Wij hebben dat opgepakt en wij gaan daarmee aan de slag. Ik heb er het volste vertrouwen in dat, wanneer wij in dat overleg aan de slag gaan, ook de georganiseerde Delftse ondernemers zich goed zullen kunnen vinden in dit beleid. Het is een kwestie van even eraan wennen, even uitleggen en even iets verder kijken.

 

De heer VAN DOEVEREN (CDA): U maakt melding van het feit dat over dit punt misschien wat duidelijker overleg had kunnen worden gevoerd met het bedrijfsleven. Laat ik helder zijn: wij onderschrijven op zich deze lijn en in de motie vragen wij niet meer dan een expliciete agendering en bespreking hiervan. Begrijp ik nu dat u in feite toezegt wat er in de motie staat of mag ik dat niet zo interpreteren?

 

De VOORZITTER: Nee, ik kijk wel uit. Ik zeg helemaal niets toe over wat in de motie staat. Ik leg u uit hoe het begrip “social return” naar aanleiding van de door de raad aangenomen motie is verwerkt in het inkoopbeleid. Daar ga ik over. Op die manier is het tot stand gekomen. Het is alleen niet gesignaleerd bij het toezenden naar de raad. Het is gewoon een B&W-bevoegdheid om dat te doen en het is ter kennisname naar de raad gestuurd. Dat heeft niet de aandacht getrokken die het wellicht – dat weet ik niet – verdiende, maar daarmee is in ieder geval een begin gemaakt met het gaan werken met het begrip “social return”. Ik heb dus uitgelegd hoe dat tot stand is gekomen.

 

De heer VAN DOEVEREN (CDA): Ja, maar u legde ook uit dat er nog een slag te maken is bij het bedrijfsleven. Om die slag vragen wij nu juist.

 

De VOORZITTER: U hebt gezien dat het college zich breed maakt om dit met het bedrijfsleven te bespreken. Ik voel mij gestimuleerd door uw woorden en ik heb er het volste vertrouwen in dat wij daar op een goede manier uitkomen. Dat is alles wat ik zeg. Dat is de uitleg van de door de raad aangenomen motie.

 

Verder heeft de raad nog een motie aangenomen over het aanbestedingsbeleid. Volgens mij was de CDA-fractie daarvan de initiator. Ik heb bij die gelegenheid gezegd dat het goed is dat wij met elkaar eens goed bespreken waarom het bestedingsbeleid er zo is gekomen. De gedachte van de EU is dat concurrentie goed is voor kwaliteit en ook een beetje helpt om de prijzen te laten zakken. Het gaat dus om vrije concurrentie in Europa en een vrije markt. Op zich is dat een heel goed doel, maar wij leren ook dat er nog wel wat randvoorwaarden en elementen bij moeten om het ook slagvaardig te laten zijn. Wij hebben in de praktijk enkele voorbeelden gezien van waar wij tegen aanlopen. Het is dus heel goed dat wij dat doornemen. Dat is wat mij betreft wat meer dan voorlichting. Er komt een uitgebreide tekst en uitleg waarom de zaken in elkaar zitten zoals zij in elkaar zitten. Dan kunnen wij ook direct bekijken welke beleidsruimte er in de kaderstelling nog is. Ik zeg daar wel van tevoren bij dat wij in de inkoopnota de drempel heel bewust hebben gelegd bij 100.000 euro. Het gaat dus om de grotere aanbestedingen die interessant en belangrijk kunnen zijn voor de markt en die op dat niveau bij een onjuiste toepassing van de mededingingsregeling zouden kunnen leiden tot verstoring van de marktverhoudingen. Daar is het Europa om te doen. Wij hebben daar dus op zich al op ingespeeld door die drempel daar te leggen. Wij spreken hier graag nader over wanneer wij dit onderwerp, wat mij betreft bij de themabespreking, bij de kop pakken.

 

De heer BLINKER (PvdA): Uw woorden herinneren mij eraan dat u mij tijdens de behandeling van de programmabegroting hebt toegezegd dat de nota Inkoop- en aanbestedingsbeleid ter vaststelling in de raad zou komen, omdat daarin ook kaders worden gesteld. Als in een nota kaders worden gesteld, moet die altijd door de raad worden vastgesteld. Dat hebt u toen gezegd en nu komt bij mij de vraag naar boven wanneer wij dat ter vaststelling in de raad krijgen.

 

De VOORZITTER: Ik weet niet hoe snel wij daarmee aan de slag kunnen.

 

De heer BLINKER (PvdA): Die nota is er al.

 

De VOORZITTER: Ja, is er een nota Inkoopbeleid.

 

De heer BLINKER (PvdA): Ja, de nota Inkoop- en aanbestedingsbeleid.

 

De VOORZITTER: Ik weet niet of het aanbestedingsbeleid er precies zo in zit zoals u die bedoelt. In ieder geval kwam de motie bij de begrotingsbehandeling na de nota Inkoopbeleid. Dat is dus een nieuw politiek gegeven en daar gaan wij dus politiek mee aan de slag.

 

De heer BLINKER (PvdA): Het gaat mij erom dat u tijdens de behandeling van de programmabegroting hebt toegezegd dat u ons de nota ter vaststelling zou voorleggen. Mijn vraag is gewoon wanneer wij dat gaan doen.

 

De VOORZITTER: Volgens mij weiden wij een beetje uit. Het is terecht dat de wethouder daarop wijst. Het aanbesteden is iets anders dan inkopen. Het is in ieder geval een nadere precisering van de inkoop. Dat duidt erop dat er behoefte is aan nadere kadervaststelling. Dat staat in die motie. Daar gaan wij mee aan de slag. Ik hoop daar komend voorjaar bij de commissie mee aan te komen. Het komt dus allemaal goed.

 

De heer BLINKER (PvdA): Nee, ik heb gewoon gevraagd wanneer de nota Inkoop- en aanbestedingsbeleid aan de raad ter vaststelling worden voorgelegd. Daarin worden immers ook kaders neergelegd.

 

De VOORZITTER: Ik zei al dat er een nieuw politiek gegeven na de nota Inkoop is gekomen, namelijk een motie bij de begrotingsbehandeling. Die motie wordt in uitvoering genomen. U hoort daar dus nog over.

 

In stemming komt motie M-4.

 

De VOORZITTER: Ik geef gelegenheid voor het afleggen van een stemverklaring.

 

De heer HARPE (VVD): Voorzitter. Over social return hebben wij geen discussie: dat punt is belangrijk. Het ging over de criteria. Ik heb de wethouder horen zeggen dat de criteria in feite terugkomen in programma’s van eisen en bestekken, zodat een evenwichtige vergelijking kan worden gemaakt. Ik heb ook begrepen dat in de komende periode verdere aanscherpingen plaats gaan vinden. Om in inkooptermen te blijven: wij willen het college graag de ruimte gunnen voor een verdere aanscherping. Dat betekent dat wij geen behoefte hebben aan de motie van de CDA-fractie.

 

Mevrouw THOOLEN (PvdA): Voorzitter. Ik sluit mij aan bij de woorden van de heer Harpe: ook wij zullen de motie niet steunen.

 

De heer VOKURKA (D66): Voorzitter. Ik sluit mij aan bij de woorden van mevrouw Thoolen en de heer Harpe: ook wij zullen de motie niet steunen.

 

De heer TAS (GroenLinks): Voorzitter. Idem.

 

Mevrouw DEKKER (SP): Voorzitter. Ook wij zullen de motie niet steunen. Wellicht is de reden iets anders: als het college gedwongen wordt om allerlei criteria op te stellen, zijn wij bang dat dat beperkend zou kunnen werken. Wij willen het college de ruimte geven om met bedrijven onderhandelingen aan te gaan om te bekijken of er goede zaken voor de stad uit kunnen komen.

 

De heer STOELINGA (Leefbaar Delft): Voorzitter. Omdat de heer Harpe tegenstemt, stemmen wij voor.

 

De motie wordt bij handopsteken verworpen.

 

De VOORZITTER: Ik constateer dat de fracties van het CDA en Leefbaar Delft voor de motie hebben gestemd.

 

In stemming komt het voorstel.

 

De VOORZITTER: Ik geef gelegenheid voor het afleggen van een stemverklaring.

 

De heer DE KONING (Stadsbelangen): Voorzitter. De fractie van Stadsbelangen gaat akkoord met het voorstel. Ik heb begrepen dat in de commissie nagenoeg alle fracties akkoord zijn gegaan. Het verbaast mij dus heel erg dat wij hier intussen al drie kwartier over aan het praten zijn. Volgens mij waren de ideeën goed aan elkaar uitgewisseld.

 

De heer VAN DOEVEREN (CDA): Voorzitter. Het is jammer dat de motie het niet heeft gehaald. Vooral van de VVD-fractie bevreemdt mij dat, omdat er een hoop in staat dat de fractievoorzitter bij de begrotingsbehandeling letterlijk heeft gezegd. Blijkbaar gaat het de ene keer de ene kant uit en de andere keer een andere kant. Ondanks het afwijzen van de motie zullen wij het voorstel wel steunen.

 

De heer HARPE (VVD): Mijnheer Van Doeveren, als u dezelfde woorden van het college hebt beluisterd als ik, hebt u gehoord dat in de komende periode datgene gaat gebeuren waar de motie voor pleit.

 

De heer STOOP (Leefbaar Delft): Voorzitter. Ik sluit mij aan bij de opmerking van de fractie van Stadsbelangen. Wij hebben in de commissie een eindeloze discussie over deze nota gehad. Die nota kreeg daar unanieme steun, maar wij zijn blijkbaar in staat om ruim veertig minuten te praten over iets waarover wij in de commissie al twee uur hebben gesproken.

 

Mevrouw VAN DER HOEK (VVD): Voorzitter. Naar aanleiding van de woorden van de heer Stoop: de CDA-fractie heeft dit voorstel na de commissie mee teruggenomen naar de fractie. Er was dus geen unaniem advies.

 

Mevrouw DEKKER (SP): Voorzitter. Ook de SP-fractie heeft dit voorstel mee teruggenomen naar de fractie. Ik heb in de eerste termijn al aangegeven wat wij niet voldoende uitgewerkt vinden. Als wij in deze raadsvergadering, bij elkaar opgeteld, niet veertig minuten hadden besteed aan het elkaar afvangen van vliegen over wie wat in de commissie al heeft gezegd, hadden wij volgens mij al veel eerder klaar kunnen zijn.

 

Het voorstel wordt bij handopsteken aangenomen.

 

De VOORZITTER: Ik constateer dat de SP-fractie tegen het voorstel heeft gestemd.

 

De heer BOT (GroenLinks): Voorzitter. Ik geef de raad in overweging om de orde van de vergadering te veranderen. Ik denk niet dat wij de vergadering vanavond af kunnen maken, want ik weet in ieder geval dat er een aantal moties en amendementen komen over de verordening voorzieningen fracties, raads- en commissieleden en dat er met betrekking tot die verordening in de commissie ook een aantal echte bespreekpunten waren. Maandag is er een reguliere fractievergadering, omdat wij in december een verkorte cyclus hebben. Ik kan mij voorstellen dat wij de verordening in de raadsvergadering van december bespreken, die al over drie weken plaatsvindt. Dan kunnen wij vanavond nog wel de actuele moties behandelen.

 

De VOORZITTER: Dat is een ordevoorstel om het voorstel tot vaststelling van de verordening voorzieningen fracties, raads- en commissieleden door te schuiven naar de decembervergadering. Ik constateer dat niemand daarover het woord wenst te voeren.

 

In stemming komt het ordevoorstel.

 

Het ordevoorstel wordt bij handopsteken aangenomen.

 

De VOORZITTER: Ik constateer dat mevrouw Stolker van de PvdA-fractie tegen het ordevoorstel heeft gestemd. Het voorstel tot vaststelling van de verordening voorzieningen fracties, raads- en commissieleden wordt dus van de agenda afgevoerd. Ik hoop wel dat er enig politiek beraad kan plaatsvinden over de moties en amendementen, zodat wij in december een vlotte behandeling zullen hebben. Ik denk wel dat dat de behandeling bespoedigt. Volgens mij is het niet erg dat wij nog een maandje hiermee wachten.

 

322. Motie van de fractie van Stadsbelangen inzake terrasboten.

 

De VOORZITTER: Door de fractie van Stadsbelangen is de volgende motie ingediend:

 

“De gemeenteraad van Delft, in vergadering bijeen op 30 november 2006,

 

overwegende dat:

 

 

draagt het college op:

 

 

en gaat over tot de orde van de dag.

 

Toelichting

Op basis van de evaluatie van de uitvoering van het terrasbotenbeleid in 2005 en 2006, evenals de informatie over de (on)mogelijkheden om het aantal terrasboten uit te breiden, kan de raad bezien of er aanleiding bestaat door middel van een kaderstellende discussie het terrasbotenbeleid te handhaven dan wel te wijzigen.”

 

De heer MEULEMAN (Stadsbelangen): Voorzitter. Ik denk dat onze fractie in de overwegingen en de toelichting in de motie voldoende duidelijk hebben gemaakt waarom wij deze motie willen indienen. De motie is inmiddels overigens door bijna alle fracties medeondertekend. Wij hebben de aantrekkingskracht van de binnenstad, de economie, de werkgelegenheid en de levendigheid van de binnenstad genoemd. Wij hebben het beeld dat deze voorziening aantrekkelijk is voor de bezoeker van onze binnenstad.

 

Het moet gezegd worden dat, totdat wij de motie indienen en bekend werd dat wij die motie indienden, bij ons geen signalen bekend waren dat de afgelopen jaren sprake zou zijn geweest van grote overlast door terrasboten. Afgelopen dinsdagavond meldde een bewoner mij echter telefonisch zeer kwaad dat hij veel overlast had gehad. De Bewonersvereniging Grachtengebied Zuid heeft vandaag een brief gestuurd. Ik heb overigens het idee dat die vereniging de strekking van de motie niet helemaal goed heeft begrepen, maar dat neemt natuurlijk niet weg dat ook dit heel serieuze signalen zijn. Wij vragen het college met deze motie om de raad te voorzien van een evaluatierapportage over de afgelopen twee jaar en om aan te geven welke mogelijkheden er nog zijn om het aantal terrasboten al dan niet uit te breiden. Wat ons betreft, wordt natuurlijk ook het element van overlast in die discussie meegenomen. De heer De Prez zei eerder vanavond al dat handhaving een heel belangrijk element is.

 

De VOORZITTER: Volgens de spelregels van de raad kan het college nu reageren op de indiening van deze motie.

 

Wethouder MERKX: Voorzitter. Ik kan alleen op de motie reageren door te zeggen dat ik, als de raad een evaluatie van het beleid van de afgelopen twee jaar, inclusief dit jaar, wil zien, de motie zal uitvoeren.

 

Mevrouw DEKKER (SP): Voorzitter. Wij hebben de motie niet ondertekend, maar wij zullen haar wel steunen, ten eerste omdat er gevraagd wordt om een onderzoek. Je kunt moeilijk tegen een onderzoek zijn. Wij gaan er echter van uit dat het college, als de motie wordt aangenomen, de door de bewoners geuite kritiekpunten uitgebreid zal meenemen.

 

De heer BOT (GroenLinks): Voorzitter. De fractie van GroenLinks heeft de motie wel ondertekend. Ik ben dus blij dat de wethouder de motie gaat uitvoeren. Ik dring er wel op aan om bij de evaluatie en eventuele beleidssuggesties te komen tot heel transparante criteria. Terugkijkend op de discussie die wij twee jaar geleden hierover hebben gehad, is dat immers een van de vervelendste discussies die ik in deze raad heb meegemaakt, omdat onduidelijk was welke criteria waren gehanteerd. Daardoor werd het een heel vervelende discussie. Ik verzoek het college dus om bij een eventuele verruiming van het beleid te komen tot een heel duidelijk gedefinieerde criteria die ook inzichtelijk worden gemaakt voor de raad en voor de burgers van Delft.

 

De heer VAN LEEUWEN (VVD): Voorzitter. De VVD-fractie heeft de bezwaren van de binnenstadbewoners gelezen. Wij willen dat die bewoners zeker worden betrokken bij dit voorstel. De wethouder heeft toegezegd dat er weer een binnenstadforum komt; daar hebben wij het al eerder over gehad. Dat forum kan de evaluatie en het eventuele voorstel mooi van een advies voorzien. Het aantal terrasboten en de mogelijke overlast zijn twee verschillende zaken. Overlast moet altijd worden aangepakt, ook als er niet méér boten worden toegelaten. Na de evaluatie en het advies van het binnenstadforum is het toevoegen van enkele terrasboten voor ons bespreekbaar. Daarom hebben wij de motie van de fractie van Stadsbelangen ondertekend.

 

Wethouder MERKX: Voorzitter. Volgens mij hoef ik niet te herhalen wat ik zojuist heb gezegd. Wij hopen uit de evaluatie inderdaad suggesties voor transparante criteria te halen. Ik had nog geen toezegging gedaan over het binnenstadforum. Ik was er nog niet aan toegekomen om toe te zeggen dat ik weer met de binnenstadbewoners ga praten, maar dat gaat zeker gebeuren.

 

De VOORZITTER: Ik begrijp dat het college de aanneming van de motie niet ontraadt.

 

De heer MEULEMAN (Stadsbelangen): Voorzitter. Ik zou nog erg graag van de wethouder willen horen of zij erin slaagt om het evaluatierapport, gecombineerd met mogelijkheden en onmogelijkheden voor uitbreiding, in ieder geval voor de aanvang van het toeristenseizoen van 2007 naar de raad te sturen.

 

Wethouder MERKX: Ik zal mijn uiterste best doen.

 

In stemming komt de motie.

 

De motie wordt met algemene stemmen aangenomen.

 

323. Motie van de fracties van GroenLinks, D66, de SP en de PvdA inzake de A4.

 

De VOORZITTER: Door de fracties van GroenLinks, D66, de SP en de PvdA is de volgende motie ingediend:

 

"De gemeenteraad van Delft, in vergadering bijeen op 30 november 2006,

 

constaterende dat:

-            minister Peijs in een brief van 25 oktober jongstleden aan de Tweede Kamer heeft aangekondigd dat de trajectnota over de A4 (Midden-Delfland en alternatieven) over de keuze A4 Midden-Delfland of Uitbreiding Capaciteit op de A13 plus A13/A16, de zogenaamde 'stap 1', deels moet worden overgedaan omdat berekeningen over het knooppunt Ypenburg in eerdere versies niet juist blijken te zijn;

-            de trajectnota A4 over deze keuze volgens planning in het eerste kwartaal van 2007 zal verschijnen;

-            in het MIT geld is uitgetrokken voor een vervroegde aanleg van de verbinding A13/A16 uitsluitend in combinatie met de A4 Midden-Delfland;

-            de trajectnota A13/A16 pas zal verschijnen na een besluit van de Tweede Kamer over het al dan niet aanleggen van de A4 Midden-Delfland, daarmee mogelijk na een besluit over het aanleggen alléén de A4 Midden-Delfland;

-            de minister niet voornemens is om de invloed van de aanleg van de A4 Midden-Delfland zonder of met de A13/A16 op de verkeersintensiteiten en (eventuele) filevorming op de A13 en overige autowegen in de regio in de conclusies in beide trajectnota's te betrekken;

-            de minister niet voornemens is om de invloed van de Uitbreiding Capaciteit op de A13 plus A13/A16 op de verkeersintensiteiten en (eventuele) filevorming op de A13 en overige autowegen in de regio, in de conclusies in beide trajectnota's te betrekken;

-            de minister niet voornemens is om de volgens de onderliggende rapporten van Adviesbureau DHV benodigde uitbreiding van de capaciteit van de A13 Ypenburg-Doenkade bij aanleg van de A4 Midden-Delfland zonder of met A13/A16 bij genoemde trajectnota's te betrekken;

 

overwegende dat zorgvuldige besluitvorming vereist dat alle relevante gegevens over de verkeersintensiteit bij verschillende scenario's in de regio worden betrokken;

 

spreekt uit dat naar het oordeel van de Delftse gemeenteraad de nieuwe Trajectnota A4 (Midden-Delfland en alternatieven) alle beschikbare informatie moet bevatten, dat wil zeggen inclusief:

-            gegevens en conclusies over de aanleg van de A4 Midden-Delfland zonder en met aanleg van de A13/A16 en over de uitbreiding van de capaciteit op de A13 + A13/A16;

-            informatie over de gevolgen voor de verkeersintensiteiten en files op de A13 en op de overige autowegen in de regio;

-            een doorrekening van de gevolgen van wél en géén uitbreiding van de capaciteit van de A13;

 

draagt het college op, dit standpunt ter kennis te brengen van de ministers van Verkeer en Waterstaat en VROM, de Tweede Kamer, Provinciale Staten van Zuid-Holland, Rijkswaterstaat en de voorzitter en leden van de Adviescommissie IODS en van de Klankbordgroep IODS,

 

en gaat over tot de orde van de dag."

 

De heer BOT (GroenLinks): Voorzitter. De aanleiding voor de motie is vrij simpel. Ik hoef daar ook geen lange verhalen over te houden. De minister heeft moeten erkennen dat de eerste fase van de trajectnota MER over de A4 een belangrijk lacune bevat. Die eerste fase moet daarom worden overgedaan. Het gaat daarbij om de capaciteit bij het knooppunt Ypenburg. In de discussie die is ontstaan over het overdoen van die eerste fase, heeft de minister aangegeven dat zij een aantal gegevens niet mee wil nemen in de tracénota, terwijl die in onze ogen heel belangrijk zijn. De zorgvuldigheid van het onderzoek moet vooropstaan. Ik wijs iedereen erop dat, als het onderzoek niet zorgvuldig wordt uitgevoerd, hoe dan ook vertraging ontstaat.

 

Ik heb bij de behandeling van de programmabegroting de angst van de GroenLinks-fractie uitgesproken dat Delft met een heel vervelende situatie wordt geconfronteerd als eerst de A4 wordt aangelegd, daarna versneld de verbinding A13/A16 en vervolgens uit de twee stappen onvermijdelijk volgt dat de A13 verdubbeld moet worden. Dat scenario kan bewaarheid worden zonder een integrale afweging op enig moment, waarbij Delft wordt ingeklemd tussen twee grote autosnelwegen. Ik heb dat bij de behandeling van de programmabegroting een nachtmerrie genoemd. Dat hoeft niet in de motie te staan en dat staat er ook niet in. In de motie wordt alleen uitgesproken dat de tracénota zorgvuldig moet worden opgesteld waarbij de verkeersintensiteit en de gevolgen daarvan in samenhang moeten worden beoordeeld.

 

Wethouder KONING: Voorzitter. In de commissie maakte de heer Bot een soortgelijke opmerking. Hij vroeg toen wat het college hiermee kon doen. Ik heb toen aangegeven dat het van belang is dat er eerst overeenstemming is in de gemeenteraad over de richting die moet worden gevolgd. Daaruit is de motie voortgevloeid.

 

De heer KIELA (PvdA): Voorzitter. Soms is het nodig om nog eens aan Den Haag te laten weten hoe de zaken staan. Wij hebben af en toe de indruk dat men in Den Haag kwijt is wat de besluitvormingsformule is bij de A4, namelijk: als deze wordt aangelegd, dan alleen via de IODS-variant. Het cruciale zinsdeel is hierbij: "als deze wordt aangelegd". Achter dat zinnetje zit een besluitvormingswereld waarbij geldt dat zorgvuldig naar de alternatieven wordt gekeken en dat relevante gegevens bij de studie moeten worden betrokken. Wij onderstrepen dat nadrukkelijk met de ingediende motie. Dat kunnen wij eigenlijk niet vaak genoeg doen. Wij willen de minister en de Tweede Kamer nog eens laten weten dat het van groot belang is om zaken die van invloed zijn op de aanleg van de A4, te betrekken in het geheel. Het is anders onmogelijk om een zorgvuldige afweging te maken terwijl dat wel onze bedoeling is. Dat moet de bedoeling van alle betrokkenen zijn, want anders is een zaak voor de Raad van State onvermijdelijk. Wij steunen daarom deze motie.

 

De heer VAN DOEVEREN (CDA): Voorzitter. Wij hebben ook nadrukkelijk gekeken naar de motie en deze uitdrukkelijk besproken in onze fractie. Bij ons staat ook zorgvuldigheid voorop, maar wij hebben toch ook het collegeprogramma erbij gepakt. Daarin is aan de A4 een hele passage gewijd waarin staat dat de gemeente Delft zich buiten de discussie over het besluit houdt, hoewel er ook in staat dat de gemeente zich hard maakt voor een zorgvuldige uitvoering van de MER. Ik neem aan dat de motie in het kader van deze laatste bepaling moet worden verstaan. Toch ben ik benieuwd naar de verhouding tussen die punten. Hoe moeten de door mij genoemde zinnen met elkaar in verband worden gebracht? Hoe kijken de verschillende fracties die het coalitieakkoord hebben ondertekend, daartegen aan?

 

De minister heeft een danige fout gemaakt. Zij heeft dat recht gezet met haar brief van 25 oktober. Er wordt een nieuwe studie uitgevoerd naar aanleiding van de verbreding van het knooppunt Ypenburg. Wij vinden dat die eerst moet worden afgewacht.

 

De heer VAN LEEUWEN (VVD): Voorzitter. De VVD-fractie is niet blij met de door de fractie van GroenLinks ingediende motie. Deze motie is vooral gericht op vertraging. Sinds het aantreden van de huidige coalitie wordt de A4 voor de tweede keer ter discussie gesteld in de raad. Voor de goede orde verwijs ik nog maar eens naar de afspraak in het coalitieakkoord. De heer Van Doeveren wees daar ook al op. Hierin staat letterlijk dat het Rijk het besluit neemt over het al dan niet doortrekken van de snelweg A4 of het eventueel realiseren van een alternatieve route. De gemeente Delft blijft buiten deze discussie. De al door de gemeenteraad genomen besluiten over de aanleg van de A4 blijven onaangetast.

 

Voor onze fractie is de besluitvorming nog steeds aan het Rijk. Wij willen eigenlijk niets meer over de A4 horen. Wij willen alleen nog het geluid van het aanleggen van deze weg horen.

 

De heer VAN DOEVEREN (CDA): Dit is een interessante visie. De tweede zin in het coalitieakkoord noemt u nu net niet, maar die doorkruist de eerste zin. Voelt u zich nu gepakt?

 

De heer VAN LEEUWEN (VVD): Ik kom daar nog op.

 

De heer VOKURKA (D66): Voordat de heer Van Leeuwen verder gaat met zijn enthousiasme voor bulldozers in relatie tot de A4 vraag ik hem waar hij precies bang voor is. In de motie wordt slechts uitgesproken dat alle informatie op tafel moet komen. De minister heeft een fout gemaakt. Wij kijken er nog eens goed naar.

 

De heer VAN LEEUWEN (VVD): Dat gaan wij ook doen.

 

De heer VOKURKA (D66): Dan hoeft u toch niet zo'n lang betoog te houden? U kunt de motie dan toch gewoon steunen?

 

De heer VAN LEEUWEN (VVD): Laten wij eens ophouden met dat vertragen en gewoon wat gaan doen.

 

De heer BOT (GroenLinks): De vertraging die nu is opgetreden, is veroorzaakt door een fout van de minister.

 

De heer VAN LEEUWEN (VVD): Dat heeft zij allang toegegeven. Wij vertrouwen erop dat het allemaal goed komt.

 

Mevrouw DEKKER (SP): Hoe verhoudt het enthousiasme voor de aanleg van de A4 van de heer Van Leeuwen zich tot het collegestandpunt dat Delft geen standpunt heeft? Dit viel mij al op toen het convenant werd besproken. De heer Van Leeuwen vertelde toen dat hij taart had gegeten terwijl de wethouder krampachtig volhield dat Delft geen standpunt heeft. Hij heeft dat blijkbaar wel. Hoe verhoudt zich dat tot het collegestandpunt dat Delft geen standpunt heeft?

 

De heer VAN LEEUWEN (VVD): Er staat niet in dat Delft geen standpunt heeft. Er staat in dat er al een besluit genomen is over de A4.

 

De heer KIELA (PvdA): Nee dat staat er niet in. Er staat in: als er een A4 komt, dan wordt die via de IODS-variant gerealiseerd.

 

De heer VAN LEEUWEN (VVD): Laat dat dan aan het Rijk over.

 

De heer KIELA (PvdA): Nee, dat laten wij niet aan het Rijk over, want alle partijen zijn gebaat bij een zorgvuldig proces.

 

De heer VAN LEEUWEN (VVD): Ik zeg toch niet dat het niet zorgvuldig gedaan moet worden?

 

De heer KIELA (PvdA): Ik beluister dat toch enigszins in uw woorden. U stelt blijkbaar snelheid voor zorgvuldigheid.

 

De heer VAN LEEUWEN (VVD): Wij gaan er sowieso van uit dat de MER zorgvuldig wordt uitgevoerd. Daarom is de motie niet nodig. Wij zullen haar niet steunen.

 

De heer VOKURKA (D66): Voorzitter. Ik herhaal graag mijn betoog. De minister maakt een fout en wij gaan er gewoon nog eens naar kijken. Ik kan mij aansluiten bij de woorden van de heer Kiela. Laten wij gewoon zorgvuldig zijn.

 

De heer VAN LEEUWEN (VVD): Ik kan wel door blijven gaan, maar het komt steeds op hetzelfde neer. Wij hebben vertrouwen in de minister.

 

De heer VOKURKA (D66): Nou, wij niet.

 

De heer MEULEMAN (Stadsbelangen): Voorzitter. Ik maak graag nog een opmerking in de richting van de heer Kiela. Hij kan toch niet zeggen dat een discussie van ruim 40 jaar niet zorgvuldig is?

 

De heer VOKURKA (D66): Die is in elk geval niet effectief.

 

De heer KIELA (PvdA): Die was ook niet zorgvuldig, want anders was het wel wat sneller gegaan.

 

Mevrouw DEKKER (SP): Mag ik de heer Meuleman vragen of hij niet met mij van mening is dat 40 jaar discussie er ook op kan wijzen dat het een heel slecht plan is?

 

De heer MEULEMAN (Stadsbelangen): Onze fractie pleit voor een oplossing die in het belang is van onze stad. Daar gaat het om. Die moet zorgvuldig totstandkomen. Wij zien een situatie aankomen waarin wij nog eens tien of vijftien jaar praten over de A4. Over verbreding van de rijksweg A13 wordt waarschijnlijk ook niet in twee jaar besloten; dat wordt waarschijnlijk ook een discussie van 40 jaar. Intussen worden de problemen van onze stad niet opgelost. Ik concludeer dat deze motie zich niet voor of tegen aanleg van de A4 uitspreekt. Er wordt echter wel een relatie in gelegd met de trajectnota A13. Men kan zich afvragen of het daar ooit toe komt. Wij zijn altijd voorstander geweest van de aanleg van de A4. Het is hoog tijd dat men daarmee aan de slag gaat. Onnodige vertraging moet zoveel mogelijk worden voorkomen, hoewel ik besef dat de minister een fout heeft gemaakt. Zij zal die zelf in het eerste kwartaal van 2007 moeten herstellen. Wij stemmen tegen deze motie.

 

Wethouder KONING: Voorzitter. Ik merk op dat in de motie niet de bereikbaarheidsproblematiek ontkend wordt, maar gevraagd wordt aan de minister om zorgvuldig na te gaan welke oplossing daartoe het beste is. Overigens veranderen mensen waarschijnlijk niet van gedachten door deze opmerking.

 

De heer VAN DOEVEREN (CDA): Voorzitter. Ik heb mij nog niet uitgelaten over de motie. Ik heb alleen wat kritische opmerkingen gemaakt, ook in relatie tot het collegeprogramma, hoewel ik daar niet graag uit citeer; u begrijpt dat wel. Ik volg de redenering van de heer Meuleman. Er wordt een verregaande relatie gelegd met aandacht voor de A13. Er wordt een doemscenario geschetst van een verdubbeling van de A13. De heer Bot meldde dat al. Die situatie lijkt mij echter bijzonder gecompliceerd, omdat dan zowel in de woonomgeving als in de bedrijfsmatige omgeving moet worden gesloopt wat net is aangelegd. Dat lijkt mij haast een "no go"-situatie. Aangezien die relatie wel wordt gelegd, vermoeden wij een vertragingstactiek. Wij denken dat de minister het onderzoek zorgvuldig uitvoert. Wij vinden ook dat de minister, als de motie wordt opgestuurd, op een manier wordt bejegend die niet de onze is, zeker gezien de toezeggingen die zij heeft gedaan in het kader van de Spoorzone. Zij heeft ons op dat punt toch geholpen. Wij zullen de motie dus niet steunen.

 

De heer GULDEMOND (STIP): Voorzitter. Ik krijg sterk de indruk dat het hoofddoel van vanavond is om stipt om middernacht te eindigen. Ik kan kort zijn: wij steunen de motie. Zij is onschuldig.

 

In stemming komt motie M-5.

 

De motie wordt bij handopsteken aangenomen.

 

De VOORZITTER: Ik constateer dat de aanwezige leden van de fracties van de VVD, het CDA en Stadsbelangen tegen de motie hebben gestemd.

 

324. De vergadering wordt om 00.00 uur gesloten.

 

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 25 januari 2007.

 

,voorzitter.

 

 

,griffier.